Anna de Bruyckere

De 21-jarige Anna de Bruyckere uit Middelburg heeft Write Now! Goes gewonnen. Volgens de jury viel haar verhaal op door de fascinerende vergelijkingen, de tekst was verzorgd en in alle mooie zinnen gaf zij een overdonderende blijk van groot talent. Anna stelt zichzelf voor:

Anna de Bruyckere (Middelburg, 1987) studeert filosofie in Gent en schrijft sinds de millenniumwisseling poëzie. Haar gedichten verschenen eerder in tijdschriften als Het Liegend Konijn en Meander, en ze droeg ze met plezier voor op allerlei podia in Nederland en Vlaanderen. Ook aan proza durft ze soms haar vingers te branden, maar voorlopig houdt ze die blaren nog voor zichzelf. Haar poëzie is ritmisch, beeldend en rijgt allerlei onderwerpen naadloos aan elkaar. Naast haar schrijven geniet ze met liefde van het leven: ze heeft een passie voor boeken, gaat graag op café voor een goed glas (liefst Belgisch) bier en houdt van lekker eten en drinken met vrienden. Ze hoopt dat de cyclus 'De dagen van de paardenbloempluizen' die ze voor de finale van Write Now! schreef, het beste van poëzie en proza verenigt: een gelaagd verhaal in de vorm van gedichten — een verhaal dat je raakt.


De dagen van de paardenbloempluizen


- vi -

Dat je geen gedicht wilde worden.

Ik voelde mijn vingers al schrijven om je
toch tot woorden te vormen, misschien
is het juist een vrijlaten, dacht ik, een
verleiden, je hand slechts een palmbreedte
van me verwijderd, en je nam het lege
suikerzakje dat ik maar vouwen bleef. En:

kunnen handen als ze ineengeslagen zijn de
hand nog aan zichzelf slaan, ook elkaar te
lijf gaan zoals de kleren van een moment, de
lichamen van een blik elkaar, zichzelf kunnen
verscheuren en wat er over zou blijven, niet
langer belangrijk vinden, maar de repen toch
– of juist – aan het hart drukken?

Ik dacht, mijn vingervliezen zijn er om te
kussen, en de jouwe.

 

- xxiv -

We hebben de kaart in je hand getekend vandaag – wat
brachten mijn vingers teweeg toen ze wanstaltig zacht
je huid aanraakten? Ik duidde dwars over de lijnen

van je palm de grens tussen de landen niet zo grillig
als hij is, loodrecht de corridor van het kanaal
dat als opstandig kind de grond doorkruist. En ik

woonde op de kom van je duim, maar had het hart niet
om te zeggen dat je uitgenodigd was, al helemaal niet dat mijn hart
er lag, beschaamd over dat platgetreden pad dat zich als

onbegaan aan me ontsloot – mijn hart in je hand, je duim
een zuil, een obelisk van wat we in elkaar loofwaardig denken.

 

- xxxii -

Als vier verdiepingen genoeg zijn om de zon achter te
huizen fietsen we naar de havens, wadend door een donker

wordend licht als paardenbloempluizen, en blazen helpt niet,
lijkt het dek slechts dikker te maken voor ons uit. We strelen

de schemer als een extra warme vacht, worden het vocht
nog niet gewaar dat aan de punten van de haren hecht, de kilte

maanden later. Dat het jammer is van al die auto’s die als
Aziatische soldaten op wacht staan, velden vol, maar hoe het dok

een mond is naar de diepte, tussen loodsen die een kind
omver zou kunnen blazen, de lichtjes van de tankers

die steeds doffer, vager worden als verstrooide
parels die met een woede die nog komen moet tegen

het doek gesmeten zijn, later, als ook vier verdiepingen te
weinig huis zijn voor een haven.

 

- cvi -

We koken in het gewelf dat je een keuken noemt. Er is de afdruk
van vier poten van een zetel op de vloer, misschien was het
een bed dat je er zette toen de kamer je te koud voorkwam en

het fornuis de enige plaats om bij te kunnen slapen. Er hangt
een vlag als het meerlandenpunt van je aanpalendheden, een embleem
van waar je uit bestaat, met name oeverloze tegenstrijdigheden onder een huid

die ongeschoten blijft. (De vlag, aan je verkocht in een vorige stad
met andere vrienden en een vroeger verhaal, de stof een rood met witte
regenjas tegen wat wel eens kon vallen.) Er huist nog nauwelijks warmte, alleen

een mens. En ondertussen sijpelt wat ik voor je hart

gehouden had in loze straaltjes langs de muren, tussen de voegen
van de vloer. Er staat een tafel waar mijn lijf niet langer aan
gepast is, het blad te laag, te breed.

 

- cxiv -

Ik had de gaten in het tapijt met een tandenborstel te
lijf moeten gaan, de uitstekend scherpgeslepen vezels
onder ongeoefende zolen met schuim moeten afronden,

de vlekken bekeken, gedacht moeten hebben: wij zijn
veel te zoet geweest voor elkaar. Mijn ogen doen

pijn, maar geen druppel – het gaat eens niet om
verdriet, het gaat juist om leven, om proosten, het feesten
achter mijn voorhoofd als meute die niet los te slaan is, met

geen geweld naar een deur of een bed te bewegen – stilaan
een avond, een kalmte, een matrasloze deken als passend
alternatief. Ik heb je misschien de klink gewezen, maar

gelicht heb ik hem niet.

 

- cxli -

Wie weigert de dagen te tellen, vat wat niet weg is in cijfers.

De ganzen waren altijd met veertien. Ze sliepen niet allemaal
met hun kop onder vleugels als ik als een opzichter langsliep – dat
waren er zes. De kaart van het park die ik kocht in het centrum, kostte

één vijfenzestig. De velden van gras rond de vijver – het zijn geen
gazons, daar zijn ze zo’n twee keer te groot voor – werden nog
vier keer gemaaid. Vanaf dan is de temperatuur traag op me neergedaald

tot onder het nulpunt. De bijtende kou vrijt zich rond me: tien
vingers, twaalf tanden, een neus die zich niet genoeg willen weren.
Tot zeven keer toe harkten wachters de hoop bladeren aan,

de duizend roestbruine vlekken langzaam verweekt tot één soep.

Ik heb mezelf bovendien drie rimpels aangemeten sinds
je er niet meer bent. Ik weiger de dagen te tellen, laat staan
de delen ervan. Ik som enkel op wat ik sindsdien doe

als een bezwering per kerende post: ik lees wie ik was, wie ik
vertel dat ik word vanaf jouw ontbreken – het eerste lid in een reeks
blijft bepalend.

 

- clxiv -

Wij hebben geen paspoort, geen wapperend thuis-
horen in elkaars territorium, wij zijn niet geboren
als twee losse bladen aan één stoffen naad. Nee,

we leven en lopen verloren in kamers waar de ander
met nadruk niet leeft, op kaarten die hem onvermeld
laten als iets dat niet wil herinnerd. Maar het lelijke zit ook

in het hemd vervat. Zodra we erin staan, beslist het hoofd
tot sluiting van deuren en ramen alsof we schelpdieren zijn:
we snijden wie we niet meer herkennen als eigen.

We dragen een resterende vriendschap als jurk waar we uit
zijn gegroeid en de spanning langs de rits weet ons
verbijten – er is misschien nog wat tijd tot de scheuring.