Bilal al Mashta
De 23-jarige Bilal Al Mastha uit Delft heeft Write Now! Rotterdam gewonnen. Volgens de jury komt het in deze wedstrijd maar weinig voor dat iemand zich in zijn tekst expliciet maatschappijkritisch toont, zijn engagement laat zien, actueel durft te zijn, enzovoort, zonder dat diegene daarbij met een moralistisch vingertje gaat wijzen. Hij is daar wel in geslaagd. Bilal stelt zichzelf voor:
Bilal Al Mashta is in 1985 geboren in Constantine. Vorig jaar begon hij zijn werken daadwerkelijk nieuw leven in te blazen en nu is zijn literaire Pinokkio bij Write Now! beland. Zijn verbluffend sterke teksten vertellen prachtige, klassieke verhalen in een rijke taal en bedienen de lezer met sterke beelden en een doordachte, gelaagde vertelling. In 2008 was hij de winnaar van de El Hizjra literatuurprijs.
Het Gerecht
Mijn dames en heren verzamelt allen
En luistert naar deze woorden vlug
Voor ik zal u mijn klucht vertellen
Noch verzinsel, noch gerucht
Slechts het vreemde kan dit verwekken
Het curieuze in deze zaak
Dit waar schouwspel zal u betrekken
Dus luister hoe het verhaal vergaat
Kom, kom, mijn fijne vrienden
Getuige dit Tribunaal
Dus laten wij nu snel beginnen
Met het beschrijven van het verhaal
Zie hier dat op de dag des oordeels, na het einde van de wereld, een arme boer plaatsnam voor de secretaris van de goden. In een overvol Tribunaal wachtte een luidruchtige en gespannen menigte op de start van de zitting. Een zitting die zijn reden te danken had aan het feit dat de arme boer geen offer bij zich had voor de goden op deze belangrijke dag. En de regels dienaangaande zijn eenduidig: zonder offer, vindt men geen toegang tot de goden. De secretaris, een zittende magistraat, had derhalve tot taak om te oordelen over deze nalatigheid. En na een lange dag van pleidooien en uitspraken, verweren en dooddoeners, nam hij wederom plaats op zijn grote grijze troon.
Secretaris: ‘Orde in de zaal alstublieft!’
Het donderen van de menigte veranderde in een doodse stilte.
Secretaris: ‘Ik wend mij tot meneer. Zo ik heb begrepen heeft u geen offeraanbod gedaan aan de poortwachter. U is derhalve toegang tot de goden geweigerd. Is dit juist?’
Arme boer: ‘Dit is correct, edelachtbare.’
Secretaris: ‘Nu mijn vraag: wat is de reden voor deze nalatigheid?’
Arme boer: ‘Edelachtbare, ik ben maar een simpele, arme boer. Op aarde had ik niets dan de schrale boerderij van mijn vader waar ik wat groenten kweekte en dieren hield. Maar ondanks mijn nederige staat ben ik godvrezend, edelachtbare, en heb ik wel degelijk een offer meegenomen voor de goden. Maar in mijn nervositeit ben ik dit kwijtgeraakt en stond ik met lege handen voor de poorten van het vagevuur’.
Secretaris: ‘U pretendeert dus dat uw offeraanbod zoek is geraakt?’
Arme boer: ‘Dat is wat mij is overkomen, edelachtbare. Ik vervloek mijzelf voor deze onoplettendheid en waag mijn hart op de weegschaal van Anubis voor de juistheid van deze feiten.’
Secretaris: ‘En wat was dit ‘voortvluchtig’ offeraanbod zo ik vraag?’
Arme boer: ‘Een kip, edelachtbare.’
Secretaris: ‘Een kip?’
Arme boer: ‘De beste uit mijn hok. Een prachtig beest speciaal bewaard voor de bewoners van Olympus. U moest hem eens zien, edelachtbare.’
Secretaris: ‘Uw wens is de mijne, gelooft u mij. En waar zegt u het offeraanbod voor het laatst in uw bezit te hebben gehad?’
Arme boer: ‘Dat was nog op aarde, secretaris.’
Secretaris: ‘Op aarde, zegt u? Maar u begrijpt dat er na de dag des oordeels niets meer op aarde is.’
Arme boer: ‘Daarom vermoed ik, edelachtbare, dat mijn kip...gestolen is!’
De menigte in de zaal sloeg een meerstemmige kreet van verbijstering. Het Tribunaal vulde zich met ongelofelijke blikken en luidruchtige suggesties over mogelijke verdachten. De secretaris greep snel in.
Secretaris: ‘Orde in de zaal alstublieft!’
En wederom heerste stilte.
Secretaris: ‘Meneer, uw stelling is een vergaande tegenstand! Heeft u enig bewijs voor dit verweer?’
Arme boer: ‘Edelachtbare, ik heb mijn hele leven in een boerderij doorgebracht tussen de dieren en het hooi. Ik ken mijn beesten als geen ander en zou een dergelijk belangrijk offer nooit laten gaan. Gelooft u mij. Ik vermoed derhalve dat iemand mijn kip heeft gestolen net voordat mijn geest de aarde verliet. Edelachtbare, een standvastig bewijs heb ik niet, maar ik smeek u mijn stelling nader te onderzoeken.’
Secretaris: ‘Diefstal van een offeraanbod is een ernstig misdrijf, maar ik herinner u aan de verdoemenis die volgt indien uw woorden afwijken van de waarheid.’
Arme boer: ‘Branden zal ik als mijn tong een leugen op zich neemt!’
Secretaris: ‘Goed. Uw smeekbede wordt gehoord. Ik zal de zaak nader onderzoeken.’
Arme boer: ‘Mijn geest verdient niet de zegen van de goden, edelachtbare!’
En zo, mijn dames en heren,
Begon deze zaak
Waar een schorsing is in ere
Van het proces in de zaal
O koning en onderdaan
De secretaris was in een dip
Want zijn dag is ondergaan
In een zoektocht naar een kip
De verdachten in deze zaak
Waren de laatsten op de planeet
Grote vissen aan de haak
Gesignaleerd door dun en breed
Oorlog, Pest, Honger en Dood
Waren de namen van deze rits
Wie ze niet kent is nu genood
De ruiters van de Apocalyps
Het verhaal van Oorlog
Secretaris: ‘Ik roep de eerste verdachte in deze zaak. Verkondig uw naam alstublieft.’
Oorlog: ‘Kom en zie! De naam is ‘Oorlog’, de brenger der vernieling, de angstzaaiende ruiter!’
‘Oooh!’, sprak de menigte in koor.
Oorlog knikte om zich heen met een verwaande en trotse blik.
Secretaris: ‘U bent gesignaleerd als één van de laatste aanwezigen op aarde. Vertel. Wat heeft u gebezigd tijdens uw laatste uren op de planeet?’
Oorlog: ‘Dat zal ik u vertellen, edelachtbare. Op de eerste dag steeg ik naar de verdoemde aarde. Het rood van het bloed bekleedde de rossen waarop ík, de brenger der vernieling, mijn zwaard deed neerstrijken op de mens. De ellendige mens, de deerlijke mens! Het slagveld, bezaaid met de lijken der stervelingen, verduisterde de gloed van de vredesduif. En op de tweede dag gaf ik hen oorlog. Ik gaf hen de haat die de wapens deed ratelen.’
Secretaris: ‘Gaat dit nog steeds over de kip?’
Oorlog: ‘Ja, edelachtbare.’
Secretaris: ‘Ga door.’
Oorlog: ‘En op de laatste dag brachten mijn roemrijke paarden mij naar mijn vertrek. En tijdens mijn terugtrekkende rit wendde ik mijn blik naar mijn drie broeders achter mij en zag dat ik niet de laatste op aarde kon zijn. Mijn fabelachtige daden waren geschied; men had mijn naam gekend. Dit was mijn verhaal, edelachtbare. Deze roemruchte handen brengen verdoemenis en gebaat zal ik nimmer zijn met een agressieve kip.’
Het verhaal van Oorlog afgemaakt
Maar het offeraanbod was nog kwijt
Op de getuigenbank nam plaats
De tweede verdachte in ons feit
Het verhaal van Pest
Secretaris: ‘Ik roep de tweede verdachte in deze zaak. Verkondig uw naam alstublieft.’
Pest: ‘Kom en zie! De naam is ‘Pest’, de drager van de finale epidemie, de gekroonde veroveraar!’
‘Aaah!’, sprak de menigte in koor.
Een glans schitterde op het harnas van Pest.
Secretaris: ‘U bent gesignaleerd als één van de laatste aanwezigen op aarde. Vertel. Wat heeft u gebezigd tijdens uw laatste uren op de planeet?’
Pest: ‘Dat zal ik u vertellen, edelachtbare. Op de eerste dag opende ik het tweede zegel naar de vervloekte planeet. Mijn pijlen, gedoopt in vergif, venijn, doorboorden het stalen hart der mensheid. En ik maakte hen ziek, ik maakte hen besmettelijk, ik maakte hen bewust van hun sterfelijkheid. Angstzaaiend was mijn blik...’
Pest wierp een snelle, gereconstrueerde blik naar de doodsbange menigte.
‘Oh!’, zei de menigte in koor.
Pest: ‘...Angstzaaiend was mijn daad. En op de tweede dag geschiedde de collectie van de doodzieke zielen. Daar getuige de mens mijn wonden; geneest noch door medicijn noch door Shaman. En op de laatste dag reden mijn glanswitte paarden mij terug naar mijn vertrek. Tijdens deze rit wendde ik mijn blik naar mijn twee broeders achter mij en zag dat ik niet de laatste op aarde kon zijn. Ik ging uit overwinnende, en opdat ik overwon. Dit was mijn verhaal, edelachtbare. Deze handen brengen kwalen en gebaat zal ik nimmer zijn met een zieke kip.’
Het verhaal van Pest verteld
Maar het offeraanbod was nog kwijt
Voor de getuigenbank vermeld
De derde verdachte in ons feit
Het verhaal van Honger
Secretaris: ‘Ik roep de derde verdachte in deze zaak. Verkondig uw naam alstublieft.’
Honger: ‘Kom en zie! De naam is ‘Honger’, de schepper van schaarste, de oogstenverdelger!’
‘Uuuh!’, sprak de menigte in koor.
Een donderslag werd gehoord buiten het Tribunaal.
Secretaris: ‘U bent gesignaleerd als één van de laatste aanwezigen op aarde. Vertel. Wat heeft u gebezigd tijdens uw laatste uren op de planeet?’
Honger: ‘Dat zal ik u vertellen, edelachtbare. Op de eerste dag keek ik vanuit de heuvels neer op de chaos en het verderf. Zwart was mijn cavalerie; zwart als de laatste dagen van de ellendige stervelingen die nederig opkeken naar de duisternis van mijn aanwezigheid. Onwetend dat het gewicht van hun zonden tegenover hun einde stond. En zo bracht ik op de tweede dag de honger en de schaarste. Geen oogst werd gespaard en geen tong werd geprikkeld. Ik nam weg wat het kwaad voedde. En op de laatste dag galoppeerden mijn beesten terug naar de bron. Tijdens deze rit wendde ik mijn blik naar mijn broeder achter mij en zag dat ik niet de laatste op aarde kon zijn. De magen waren leeg; mijn werk was geklaard. Dit was mijn verhaal, edelachtbare. Deze handen brengen schaarste en gebaat zal ik nimmer zijn met een hongerige kip.’
Het verhaal van Honger uitgebracht
Maar het offeraanbod was nog kwijt
Voor de getuigenbank gewacht
De laatste verdachte in ons feit
Het verhaal van Dood
Secretaris: ‘Ik roep de laatste verdachte in deze zaak. Verkondig uw naam alstublieft.’
Dood: ‘Kom en zie! De naam is ‘Dood’, het ontzagwekkend konvooi van Hades, het gevreesde einde!’
‘Wooow!’, sprak de menigte in koor.
Een viertal violisten tussen de menigte speelde een angstaanjagend driedelig motief.
Secretaris: ‘U bent gesignaleerd als één van de laatste aanwezigen op aarde. Vertel. Wat heeft u gebezigd tijdens uw laatste uren op de planeet?’
Dood: ‘Dat zal ik u vertellen, edelachtbare. Op de eerste dag opende ik het vierde zegel gevolgd door de brandende vuren van hel. En mij werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde, met zwaard, en met honger, en met dood, en door de wilde beesten der aarde. Op de tweede dag bracht ik de openbaring voor de ogen van de mensenziel. Want gelegen in haar duisternis lag de reden van haar verval; een einde aangewakkerd door het lijkbleke gezicht van de schuldigen.’
Een baby tussen de menigte barstte in huilen uit.
Dood: ‘En op de laatste dag, nadat alle daden zijn geschied en het oordeel geveld kon worden, brachten mijn paarden mij terug naar mijn vertrek. En ik wendde een laatste blik naar de verwoesting achter mij, de chaos voor genesis, om mij zeker te stellen dat niets meer bestond. Alles was weg, edelachtbare. Alles! Deze handen brengen ondergang en gebaat zal ik nimmer zijn met een dode kip.’
Het verhaal van Dood geschied
Maar het offeraanbod was nog kwijt
De secretaris wist nu niet
Wie de kip wel had bevrijd
Zie hier mijn heer en dame
De impasse in deze zaak
Wie kon het verweer beamen
O secretaris, wat een taak
Maar doorbroken werd de stilte
Een verrassing op de loer
Plotseling en in de kilte
De arme boer liet een boer
De oprisping gewuifd
De walm nog voor de lip
Maar wacht even en snuif
De boer rook naar een kip!
Alle ogen waren thans
Gevestigd op de eiser
De menigte zag een kans
En de secretaris keek verbijsterd
Het verhaal van de arme boer
Secretaris: ‘Laat dit niet waar zijn! Is dit de geur van een gebraden kip die uit uw mond komt?’
De arme boer keek angstig. En in een beschaamde toon antwoordde hij.
Arme boer: ‘ik...ik vrees van wel, edelachtbare.’
‘Ooooh!’ riep de menigte in koor.
Secretaris: ‘Bij de goden die uw gelijke hebben geschapen! Uw tong sprak leugens!’
Arme boer: ‘O secretaris, heeft genade! Ik zal u alles vertellen. Niks anders dan de waarheid.’
Secretaris: ‘Vertel, ellendig mens, wat heeft u bezield om te liegen voor het Tribunaal?’
Arme boer: ‘Dat zal ik u vertellen, edelachtbare’.
De menigte luisterde aandachtig.
Arme boer: ‘Op de eerste dag getuigden wij de komst van de oorlog. Onze huizen werden geplunderd en onze oogsten verbrand. Op die dag ben ik de helft van mijn groenten en dieren kwijtgeraakt. Op de tweede dag getuigden wij de komst van de pest. Onze lichamen werden ziek en onze medicijnen ondoelmatig. In mijn staat kon ik niet meer voor mijn boerderij zorgen en op die dag ben ik de resterende groenten en dieren kwijtgeraakt. Slechts een enkele kip bleef gespaard. En op de derde dag getuigden wij de komst van de honger. En honger hadden wij; onze magen waren leeg en onze reserves werden schaarser. Op die dag at ik nietsvermoedend het laatste beest op, maar voordat ik de laatste hap kon slikken getuigden wij op de laatste dag de komst van de dood.
Ik heb de kip gegeten, edelachtbare, maar het leven at mij.’
