Elisabeth Oosterling
De 20-jarige Elisabeth Oosterling uit Meeden heeft Write Now! Groningen gewonnen. Volgens de jury was het verhaal waarmee zij heeft gewonnen origineel, melancholisch en het enige verhaal dat de jury echt heeft ontroerd. Elisabeth stelt zichzelf voor:
Ik was vier en beneden sorteerde opa zijn rozen. Ik schommelde in mijn rode overall. Soms bungelde ik boven de wereld, soms mocht ik helpen. Mijn leven was weinig meer dan de geur van zand. Zestien jaar later sta ik stil, wanneer er een tractor langsrijdt. Die ruiken namelijk vaak naar aarde. Daar schreef ik voor Write Now! 'Zand zonder knarsen’ over. Een ode aan zand en Franse liedjes. En een ode aan mijn opa en oma. Als ik niet stil sta, fiets ik door de straten van Groningen. Daar studeer ik. Iets met kunst. Als ik onvindbaar ben, zit ik waarschijnlijk in het theater. Voor studie, werk of gewoon. Omdat ik vergeten ben, hoe je moet leven zonder theater. Dwars door alles heen: inkt. Verhalen. Het liefst over kleine dingen. Omdat die vaak het mooist zijn. ‘Zand zonder knarsen’ over aarde en ‘De dekens en daarbuiten’ over stoepkrijt, liefde en rum.
De dekens en daarbuiten
I ain’t happy, I’m feelin’ glad
I got sunshine in a bag
I’m useless, but not for long
the future is comin’ on
Gorillaz – ‘Clint Eastwood’ (2001)
De deken is een tentdoek, vind jij. Daarbuiten hoor je de bomen. Daarbuiten valt motregen en klinkt getsjilp. Buiten fluiten koolmeesjes naar elkaar. Wij zijn binnen en het versieren ver voorbij. Dat achter de dekens eigenlijk jouw slaapkamer is, maakt niets uit.
De vogels oefenen hun tonen en ik mijn hand. Het steen is even wennen. Mijn knieën deuken op de tegels. De lijn die ik trek, is onvast. Het lijkt alsof iemand een rood draadje wol heeft laten vallen. Ik probeer het weg te vegen. Dat lukt me niet. Het draadje verandert in een onduidelijke veeg. Als een leraar wil ik de streep in één beweging van het bord wissen. Ik wil krijt op de grond zien dwarrelen, met achter mij de benauwde wiskundestilte. Dat gaat niet. Dit is steen; geen schoolbord. Bovendien is, wat ik teken, belangrijker dan staartdelingen.
In de linde heeft een raaf zijn melodie gevonden. Ik teken nog drie bevende lijntjes en vloek. De letters deinen over het plein en stoten tegen de ramen. Ik hoop dat iemand wakker schrikt. De raaf krast stoïcijns verder. Ik ook.
We ruiken naar slaap en ochtend. Ik prik in het kuiltje tussen je schouder en hals. Je bromt, beweegt een beetje. ‘Hé,’ fluister ik en prik nog eens. Je vouwt een arm om me heen. In de broeierige warmte lijk je zeker veertig tinten grijs. In het echt, buiten de dekens, ben je roze. Vanochtend telt dat niet. Ik leg mijn hand op de donkergrijze buik. Er gebeurt niets. Ik trek een lijn van oog, naar kin, naar lip. Daar laat ik mijn wijsvinger rusten. Van jouw lippen hou ik nog meer dan van dat kuiltje onder je sleutelbeen. ‘Kom,’ bewegen de lippen plots. De slaap hangt stroperig aan je stem. ‘Vandaag gaan we krijt kopen. Stoepkrijt.’ Je pupillen zijn te snel voor het donker. Jouw hele lichaam is grijs, behalve die twee blauwe cirkels. ‘Opstaan, nu.’ Je probeert de dekens van ons af te trappelen. Het ochtendlicht verft je bovenlichaam roze. Ik klim bovenop je. ‘Straks,’ adem ik tegen je oor, ‘straks mag je toast voor me maken en koffie zetten. Nu nog even niet.’
Buiten de gordijnen zijn bomen, motregen en flirtende mussen. Dat weten we zeker.
De draadjes veranderen in rivieren. Ik bijt mijn kiezen op elkaar. Een tweede raaf valt in. De rivieren worden loodrechte strepen. Ik teken het tuinhek en een vogel. Ik schets hoe ik soms in jouw meubilair verdronk of voor het raam zat. Met één lijn de horizon, en drie blauwe wolkjes.
Ik draag jouw rode ochtendjas en lig in een hoekje van de bank. Vanuit de keuken hoor ik je mee neuriën met de radio. Het geritsel van beschuit, gerinkel van glazen. Ik vind dat ik ziek ben en rol me op. Jouw ochtendjas ruikt naar wasmiddel. Je draagt hem nooit. Ik voel me klein en zielig. Een rood hoopje ellende in de kussens van jouw bank. Ik kuch wat. Uit de keuken klinkt de koelkastdeur. Open, dicht. Jij zingt iets over de toekomst en ik heb het koud. ‘Lief?’ mompel ik veel te zacht.
Vanuit mijn ooghoek zie ik John op de boekenkast landen. De parkiet schuifelt wat en klakt. Ik denk dat hij daarmee een melodie bedoelt. John kan niet praten. Jij vindt dat niet zo erg; hij des te meer. Soms probeert hij een stem te imiteren, maar verder dan geklak komt het niet. En zingen kan hij dus ook al niet. Ik kreun. John draait zijn kop. Hij vindt mij vervelend. Ik hem ook - met zijn wanhopige pogingen tot praten.
‘Kom, kom.’ Ik til mijn hoofd, met overdreven veel moeite, van de armleuning. Jij draagt een dienblad, boxershort en wit overhemd. Ik ril, van kou of iets anders. ‘Schuif eens op.’ Je ploft op de bank. Ik kan net op tijd mijn been wegtrekken. Ik kreun. Op het dienblad staan twee glazen en een bord beschuit met muisjes. Lekker. Ik kom iets omhoog en laat me dan weer vallen. Jij lacht. Ik schuif dicht tegen je aan. ‘Ik heb toch niet voor niks zolang in de keuken gestaan?’ Zolang? Je hebt glazen gepakt en beschuit gesmeerd. Het is verdorie geen drie gangen menu. Toch verstop ik mijn neus in je haar. Je ruikt naar gras. Ik probeer in je te verdwijnen.
‘Wacht.’ Jij springt op en John klakt. Rotparkiet. ‘Ik heb het koud,’ klaag ik. John staat naast de fles die jij wilt pakken. Hij hipt op je arm. Als je weer naast me ploft, zit John op jouw schouder. De parkiet kijkt me meewarig aan. Ik kruip terug naar mijn hoekje van de bank en verstop me in jouw ochtendjas. Je schroeft aan de dop, hoor ik. De geur van rum lokt me. Beschuit met muisjes en rum. Een smartlap drijft de keuken uit, naar ons toe. John klakt. ‘Morgen gaan we stoepkrijt kopen,’ zeg je, terwijl je rum-bodempjes in de glazen legt. Wat hou ik toch veel van jou. Met je vreemde plannen.
Om de linde trek ik een cirkel. Om de afvalbak teken ik een rechthoek. Voorzichtige ochtendstralen beschijnen mijn kunstwerk. Ik sleep een rode lijn naar een voordeur en een blauwe terug naar de boom. Iemand opent een raam. Er klinkt een kort gekraak in de trage stilte. Naast het rozenperk staat jouw Opel op de tegels. Verderop is dat meertje, waar Marcel onze namen opnoemde en wij gretig elkaars handen vastpakten. Schudden.
Door het raam valt de nacht de kamer in. Ik vraag me af waar de vogels zich nu verstoppen. Jij maakt een handbeweging langs de meubels. ‘Ga toch zitten.’ Dan zie ik plots een muur van cd’s. In kleermakerszit ga ik voor de kast zitten en laat mijn vinger langs de hoesjes glijden. Ik voel je blik op mijn schouder. ‘Wijn? Wodka?’ Ik knik wat. Jij grinnikt. Er vallen drie cd’s naar beneden, als ik er één probeer te pakken. Vlug stop ik ze terug, als jij in de deuropening verschijnt. ‘Mag ik?’ Ik hou een wit hoesje omhoog. ‘Ga je gang.’
Ik bestudeer de knopjes van de stereo-installatie intensief. Ik hoor niet hoe jij de kamer binnenkomt, twee witte wijn op tafel zet en achter mij gaat staan. Dan voel ik opeens een arm over mijn schouder. Je tovert muziek in drie simpele bewegingen. Mijn blik is vastgeklonken aan de donshaartjes op je arm. Je ruikt naar mos, een bos in de regen, herfst. Ik ril. Drums vullen de kamer. Jij staat doodstil en ik draai me om. Je arm hangt wat verloren over mijn schouder. Jouw ogen sleuren alle adem uit me. Aan de andere kant van de kamer raspt een snavel langs metaal. Jij knikt richting het geluid. ‘John.’ Ik knik ook en ben de naam alweer vergeten. Een bos in de regen. Ik voel je adem in mijn hals en vind je lippen. Als ik de zon in mijn rugtas had, zou ik haar nu bovenaan de hemel zetten.
John heeft zijn pootjes omhoog in mijn krijttekening. Hij ligt op zijn rug met kruisjes als ogen. Dichterlijke vrijheid noem ik dat. Een lange groene lijn van John, naar de Opel, naar de linde. Het plein straalt in de zon en de kleuren dansen. Ik slik een keer of zes. Tranen zouden dit kunstwerk verpesten. Dan teken ik de een-na-laatste lijn. Met rood terug naar het begin. Ik zet zo weinig mogelijk passen, probeer vegen te vermijden. Ik stop het rode krijt in mijn broekzak. Tot slot: blauw. Dit hoef ik niet te verzinnen. Dit is eenvoudig. Ik slik nog één keer. Je hoofd is het moeilijkst. Vooral je neus. Je armen vallen ook niet mee. Ze kloppen niet. Ze liggen verkeerd. Anders dan onder de dekens of op jouw bank. Ik had het zelf nooit zo getekend. Maar jij wilt het blijkbaar zo. Een allerlaatste streep om je linkerschoen. Ik krabbel overeind en werp een blik over het plein. Ons levenswerk. Ik durf niet te bewegen. Zo is het precies goed. Of nee - bijna. Ik kijk naar jou in je omtrek en hoor het slaan van een voordeur in de verte. Ik laat me zakken op de tegels en kruip dicht tegen je aan. Je ruikt naar gras en steen. Ik verdwijn.
Je bent al net zo overmoedig als die stomme parkiet van je.
Vogels horen niet te praten.
Jij kan niet vliegen.
