Gemma Venhuizen
De 23-jarige Gemma Verhuizen uit Heemstede heeft Write Now! Haarlem gewonnen. Volgens de jury gaat ze geen compromissen aan, in het verhaal waarmee ze de voorronde won gaat ze keihard door en steekt daarmee een dikke middelvinger op tegen alles en iedereen. Gemma stelt zichzelf voor:
Gemma Venhuizen (23) houdt van het getik van regendruppels op een tent, eet het liefst meloenijs en heeft schoenmaat 43. Schreef ze zes jaar geleden nog wekelijks een column in de Volkskrant over haar leven als eerstejaarsstudent Aardwetenschappen in Amsterdam, inmiddels is ze bijna afgestudeerd en vindt ze haar inspiratie in de metro, in haar koelkast vol bedorven levensmiddelen en in haar vriendenkring. Ze is net terug van Spitsbergen, waar ze twee maanden lang bij – 40°C veldwerk deed tussen ijsberen en gletsjerspleten. Haar favoriete boek is Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Al is ze een paar keer hardhandig van haar roze wolk gevallen, toch droomt ze nog altijd van de ware, die van Wallace en Gromit houdt, minstens 1,83 meter lang is, en samen met haar en een kudde schapen door de bergen wil trekken. Gemma’s lievelingsgroente is komkommer.
Ondergronds
‘Nou schat, je lijkt er niet erg op, maar we zullen je maar geloven, hè?’ De controleur bij de ingang bestudeert met een vette lach mijn OV-kaart. Ik negeer hem en loop haastig door.
Nieuwmarkt, 17.12 uur
Gefascineerd kijk ik naar de rechterwijsvinger van de jongen tegenover me. Langzaam brengt hij hem naar zijn mond, likt er aan, en laat hem zakken tot net onder het paginanummer. Bladzijde 3, buitenlands nieuws. Even blijft zijn blik hangen op de dame in Sapph-lingerie – ‘dress less to impress’ – dan slaat hij om. Terwijl zijn ogen koppen snellen verdwijnt zijn wijsvinger opnieuw tussen zijn lippen, om er glanzend van het speeksel weer uit te komen. Volgende bladzijde. Moeizaam probeer ik op de kop met hem mee te lezen – Schade door blikseminslag, Jan Smit verlaten door Yolanthe – maar zelfs het wereldleed kan mijn blik er niet van weerhouden af te glijden naar zijn hand. Een dikke gouden ring prijkt om zijn middelvinger, onder de nagels zijn rouwrandjes te zien. Boven zijn broek gluurt parmantig een randje van een roze boxershort, zijn hoofd beweegt zachtjes mee met het gedreun uit zijn koptelefoon. Af en toe haalt hij luidruchtig zijn neus op.
Argwanend kijk ik naar het dubbelgevouwen krantje op de metrozitting naast me. Een behoorlijk beduimeld exemplaar. Hoeveel mensen hebben er vandaag al met hun kleffe vingers in zitten bladeren, hun DNA op de bladzijdes achterlatend?
Waterlooplein, 17.14 uur
Door de open deuren waait een zweem bedompte loempialucht naar binnen, van de toko naast de roltrap. Twee vrouwen met een krijsende baby stappen in, op de voet gevolgd door een sjofel ogend figuur met een halve liter bier. Hij twijfelt bij de vrije zitplaats naast me en kiest dan voor een stoel aan de andere kant van het gangpad. Ik haal opgelucht adem. Meteen bereikt een lucht van zweet, verschaald bier en, jahoor, een poepluier mijn neus. Hoe lang zou ik mijn adem kunnen inhouden voordat ik een hersenbeschadiging oploop door zuurstoftekort?
Tegenover mij begeeft de vinger zich weer richting mond, klaar om door te bladeren naar de sportpagina.
Waarom voelen sommige mensen de behoefte om hun vinger nat te maken voor ze iets aanraken? Is het echt makkelijker om een pagina om te slaan met spuug op je vingertoppen? Of gaat het om territoriumdrang? Overal in deze muffe, meurende metro bakenen mensen hun persoonlijke ruimte af. Is het niet met spuug dan is het wel met een geurspoor van parfum, aftershave of uien. Sommigen zetten hun mp3-speler op maximaal volume, zoals de jongen aan de andere kant van het gangpad, of vertellen luid kakelend aan de telefoon over een nieuwe verovering, zoals het kortgerokte meisje bij de deur. En dan zijn er nog mensen die het niet genoeg vinden om fysiek aanwezig te zijn, die hun sporen willen nalaten: kauwgom op de rugleuning, croissantkruimels op de zitting, vettige vingerafdrukken op een krant. Ze stappen uit op Waterlooplein of Amsterdam Amstel, in de hoop dat ze niet meteen in vergetelheid raken - vroeg of laat zal iemand in hun kauwgomplakkaat grijpen of buikgriep oplopen via hun bacillen op de voorpagina.
De baby begint steeds harder te krijsen. Duidelijk eentje die zijn plek in de ondergrondse jungle van de stad nu al wil veroveren.
Weesperplein, 17.17 uur
‘Nee schat, niet staren, dat is onbeleefd.’ Een moeder gaat schuin tegenover me zitten en trekt haar zoontje op schoot. Met haar mouw boent ze wat jam uit zijn mondhoek. Het joch blijft me met open mond aankijken; er drupt kwijl op zijn kin. Naast de deuropening praat het meisje nog altijd luid in haar mobieltje. ‘Ja, we hebben rosé nodig, en stokbrood, en doe maar wat boerenkaas ...’ Haar blik blijft even op me rusten; dan staart ze afwezig door het raam, het duister in.
Wibautstraat, 17.18 uur
Een ouder echtpaar komt binnengeschuifeld en ik sta op om plaats te maken. Mijn tas zet ik klem tussen mijn voeten. Ik ben een kei in het balanceren op hoge hakken. De evenwichtigheid zelve. Zonder de glibberige stangen zelfs maar met het puntje van mijn pink aan te raken, blijf ik rotsvast staan terwijl de metro zich piepend en krakend in gang zet. De wanden van de tunnel staan vol met graffiti. Geen plekje is onbespoten. Tientallen meters tunnelkunst – in het holst van de nacht moet het hier krioelen van de toegewijde artiesten.
Ik kijk meewarig naar mijn medepassagiers die zich niet bewust zijn van het gevaar dat op de loer ligt. De vrouw op dat bankje, die tegen de hoofdsteun leunt, zou ze zich nou echt nooit afvragen wanneer daar voor het laatst een zwerver met groezelig, ongewassen haar, dansend van de luizen, tegenaan heeft gezeten? En die jongen daar, die nu met beide handen gretig zijn hamburger vastpakt terwijl hij daarnet nog houvast zocht aan de lus boven zijn hoofd, hoe lang zou het duren voor het optrekkende leger bacteriën zijn lijf verwoest en hij ijlend van de koorts op bed ligt? De bacillen marcheren nu vast over het blaadje sla zijn mond binnen, straks zet de voorste al voet op zijn tong en wenkt hij zijn kameraden. We rijden het daglicht in. Trekt de jongen niet een beetje wit weg? En die rode vlekken in zijn nek, zijn dat de eerste tekenen van hersenvliesontsteking? Oei. De metro remt abrupt, ik wankel, weet me ternauwernood staande te houden ...
Amstelstation, 17.21 uur
... mijn tas is omgevallen, en mijn appel rolt door de hasjkruimels en vieze wattenstaafjes tot aan de voeten van de roodbevlekte jongen. Hij bukt zich om hem op te rapen, kijkt verlegen glimlachend mijn kant op, zet vlug mijn tas rechtop en laat de appel erin glijden, tussen de etensresten, een collegeblok en mijn inlegkruisjes. In mijn gedachten kruipen de eerste bacteriën al in de richting van mijn Bounty en mijn boterham met DuoPenotti. Ik zie dat de rode vlekken geen vlekken zijn maar pukkels. Eentje staat op springen.
Spaklerweg, 17.23 uur
Links zie ik de Bijlmerbajes. Aan de buitenkant van de gevangenismuur hangt een bordje ‘Verboden te vissen’.
Er was een tijd dat ik zorgeloos door het leven ging. Dat ik rond glanzende metrostangen zwierde en gretig pinda’s uit glazen schaaltjes grabbelde zonder na te denken over mogelijke urinesporen. Maar op een dag zat ik in de bus naast een luid niezende en snotterende zakenman. Prompt werd ik verkouden en ik besefte aan welke gevaren ik dagelijks werd blootgesteld.
Tijdens het zoenen met mijn vriendje dacht ik op een gegeven moment niet meer aan hem, maar aan zijn spuug dat zich met het mijne vermengde. ‘Zoenen is goed voor je weerstand’, hield een vriendin me voor toen ik haar het probleem voorlegde en daardoor hield mijn relatie toch nog drie weken stand.
Bij de deur heeft het meisje haar telefoongesprek beëindigd en brengt mascara aan op haar wimpers, de metroruit als spiegel. De man met de halve liter bier raapt een plakkerig dropje van de grond.
Op openbare toiletten begon ik bil-brilcontact te vermijden door wc-papiertjes op de zitting te leggen, deuren opende ik met mijn elleboog. Niets hielp. Had ik mijn ene angst bezworen, dan stak de volgende de kop op. Uit andermans glas drinken? Ondenkbaar. Mijn jas aan een kapstok hangen, dicht tegen pluizige, luizige capuchons aan? No way. Op een gegeven moment durfde ik zelfs bij vrienden alleen nog boven de wc-pot te hangen – wie weet waar zij allemaal naar het toilet waren geweest...
Ik had zekerheid nodig, maar waar ik ook keek, ik ontdekte steeds nieuwe gevaren. Ik zocht toevlucht in de badkamer, zoals andere mensen hun heil zoeken in de kerk. Mijn kraan werd mijn troost, het warme water suste mijn geweten. Had ik een vieze deurklink aangeraakt? Vijf minuten weken in een lauwwarm sopje waste mijn wroeging weg. Maar na een tijdje verdween mijn vertrouwen. Hoe kon ik zeker weten dat er geen legionellabacteriën in mijn douchekop huisden? Waren de knoppen van mijn kraan eigenlijk wel schoon? En hoe vaak ik mijn handen ook waste, er kon altijd nog een hardnekkig virus aan mijn vingertoppen blijven kleven.
Overamstel, 17.24 uur
Op het perron loopt mijn vroegere docente Nederlands. Ik kijk - ze kijkt terug zonder een blik van herkenning.
In de metro hangt een poster met de huisregels. ‘Raoul je kan de tering krijgen’, heeft iemand met rode letters over de tekst geschreven. Onder ‘tering’ is nog net een plaatje van een zak patat met een kruis erdoor te zien. Dat mensen hier aan eten kunnen denken – alleen de gedachte al maakt me misselijk. Ik wend mijn blik af en mijn oog valt op de sticker naast de deur.
Noodrem
Uitsluitend ter
afwending van direct
levensgevaar:
trek handgreep
omlaag.
Heel soms is de metro pure poëzie.
Station Amsterdam RAI, 17.28 uur
Ergens rolt een leeg blikje over de vloer, iemand laat zijn kauwgom knappen. Een kort kuchje doet me even verstijven, een pavlovreactie. Tot voor kort ging ik alleen ’s winters met de metro, het liefst meed ik dit blik vol ziekteverwekkers – pas als het handschoenenweer werd mengde ik me tussen de slaperige studenten in lijn 51. In de kou blijven de bacillen tenminste gezellig in hun wollen wantenjasjes, bij hun gastheer of -vrouw. Met handschoenen aan voel ik me onoverwinnelijk, als Superman in zijn rode slip – dan durf ik best een deurklink aan te raken, misschien zelfs de knop van de metrodeur in te drukken.
Maar toen vorige maand mijn fiets gejat werd en ik noodgedwongen met de metro moest gaan pendelen, besefte ik dat het zo niet langer door kon gaan. Ik kreeg een gelukkige ingeving, waardoor ik me ook ‘s zomers veilig voel. Voor mij geen ‘dress less to impress’ maar ‘dress wise to survive’. Ik heb de ultieme oplossing gevonden. Eigentijds, luchtig op warme dagen en vooral: bacterieproof.
Station Amsterdam Zuid, 17.30 uur
De sjofele man heeft zijn sjekkie alvast gerold, steekt het met trillende nicotinevingers tussen zijn lippen en drukt op de deurknop. De zon valt op zijn ingevallen wangen. Ik volg hem naar buiten en haal opgelucht adem. Weg uit die benauwende dwangbuis. Snel wandel ik naar huis. In de keuken kieper ik mijn tas leeg. De vieze appel verdwijnt linea recta in de prullenbak en ik loop vlug naar de badkamer. Ik laat de burka van me afglijden en stap onder de douche.
