Marijn Sikken

De 18-jarige Marijn Sikken uit Den Dolder heeft Write Now! Utrecht gewonnen. Volgens de jury was het verhaal waarmee zij heeft gewonnen vakkundig uitgewerkt, trefzeker, helder en evenwichtig geschreven, een gekaderd verhaal dat lekker weg leest en goed afgerond is. Marijn stelt zichzelf voor:

Mijn naam is Marijn Sikken, achttien jaar oud. Ik ben een van die moeilijk-kijkende meisjes die in de trein te diep in hun schriftjes staren en daar dan in schrijven wat ze van jou vinden. Ondanks het feit dat ik nog altijd niet in staat ben een weblog te onderhouden, schrijf ik zo veel mogelijk. Een van mijn grote voorbeelden is Douglas Coupland, meer nog om zijn scherpe Jpod dan om Generatie X. Antihelden zijn mijn favoriete helden. Net als Coupland schrijf ik bij voorkeur over mensen die net niet normaal functioneren in de maatschappij, de ene keer omdat ze niet weten hoe ze met zichzelf om moeten gaan, dan weer omdat ze er vreemde hobby's op na houden.


Met een F 

François Cavanna (Franse schrijver): ‘Atheïstische honden geloven niet in het bestaan van de mens.’

Zoals elke ochtend staat hij op met het gevoel dat hij te lang niet heeft gedronken. Alsof hij uitgedroogd is, en met stoffige tong en stramme ledematen strompelt hij zo snel als hij kan naar de keuken. Hij zoekt water, of een andere verlossing voor de nachtmerries die hij elke nacht heeft. Zijn dromen zijn altijd hetzelfde: hij ligt met zijn gezicht in het zand en kan zich niet bewegen, wat hij ook probeert. Er is ook altijd iets met een staart.
Hij is al jaren ongelukkig. Misschien wel zijn hele leven, hoewel hij zich niet kan herinneren in zijn jeugd echt ongeluk te hebben gekend. Maar wat is echt ongeluk?
‘Moeder, ik wil aandacht.’
‘Lieverd, dat zeggen ze allemaal.’
En dan af en toe een neus in een oor of een oog en wat grijpgrage handen als hij eindelijk aan de beurt was. Alsof men erop had gewacht: ‘Wat is ie lief.’
Zijn jeugd duurde zes weken, toen kwam de familie hem halen. Moeder heeft hij nooit meer teruggezien, een tragisch feit waar hij, zoals men zegt, mee heeft leren leven. Toch moet daar de jeuk zijn begonnen, ergens in een ontevreden kriebel.
Als hij na het vroege ochtendwater op het ontwaken van de rest van het huis wacht, denkt hij aan haar. Zijn moeder rook naar donkere aarde, die waarvoor je een stukje moest graven en waarvan de diepe geur langzaam naar boven dreef, je neusgaten in. Haar grote, geruststellende ogen kan hij zich nog altijd probleemloos voor de geest halen.
‘Komt goed, pup’, zeiden die ogen. Hij mist ze.

De familie gaf hem een naam. Hij heet Fiktor, met een F, ja, daar moet hij zich telkens weer voor excuseren. Niemand begrijpt waarom hij niet gewoon Fikkie is genoemd, wat natuurlijk afschuwelijk was geweest, maar wel afschuwelijk naar andere maatstaven.
Of desnoods Viktor, patserig en totaal misplaatst – hij is niet zo’n patser – maar tenminste wel een náám. Fiktor is een van die origineel bedoelde ingevingen die de mens bedenkt in zijn eeuwige behoefte met alles ‘anders dan anders’ te zijn. Een soort uniek-zijnsdwang die de mens vaker op Fiktors soort botviert dan op zijn eigen. Opvallend, vindt hij.
De lulligheid – en al het andere dat maakt dat Fiktor en de zijnen dergelijke mishandelingen verdienen – zit hem in hun voorkomen. Ze worden niet voor niets enkel in negatieve uitdrukkingen en gezegdes genoemd, zoals ‘een hondenleven hebben’, of ‘geen weer om een hond op straat te sturen’. (Het begrip ‘hondstrouw’ is een Lassie-gerelateerd misverstand.)
Degenen onder hen die overal uitgelaten op reageren, kwispelen op alles wat beweegt en bovendien standaard hun tong op halfzeven hebben hangen, neemt men niet serieus. Fiktor begrijpt dat, hij heeft er zelf ook moeite mee mensen serieus te nemen als ze elkaar half de hersens inslaan omwille van iets wat ze ‘voetbal’ (of ‘Koninginnedag’) noemen.
Helaas hangen veel honden hun tong op halfzeven, een enkeling op halfacht. Lang heeft Fiktor gedacht dat het vooral kleinere honden waren die zo’n belachelijke gewoonte in stand hielden en die het nodig vonden zichzelf en de rest van de hondheid voor schut te zetten. Maar onlangs ontmoette hij een gigantische Newfoundlander – Fiktor zou er tien keer in passen – die de gewoonte had achteruit te lopen wanneer hij geroepen werd. Daarbij hing zijn tong zowaar op kwart voor negen. Het mens aan de andere kant van de lijn, waar deze Moos zo halsstarrig aan bleef trekken, vertelde dat haar hond vermoedelijk aan het Syndroom van Down leed. Fiktor vond dat gevaarlijk klinken en bleef, lijnloos als altijd, op gepaste afstand. Ontmoeten is dus een groot woord. Fiktor heeft het sindsdien opgegeven. Honden zullen nooit het respect krijgen waar hij zo op hoopt.
Toch hangt zijn eigen tong zelden. Wel hangen er geregeld strikjes in zijn vacht, wat nog erger is omdat strikjes een uitvinding van de mens zijn en Fiktor daar weinig tegen kan beginnen. Als hij er dan eindelijk in slaagt een van die lintjes los te krijgen – ze jeuken – is er altijd wel een mens in de buurt om hem weer in te vlechten, strakker dan voorheen, onderwijl tegen hem pratend alsof hij Moos heet. Hij krijgt dan last van zijn staart.

Het is het wachten op de man, die altijd vroeg ontwaakt en aangekleed in de keuken verschijnt. Niet om een ochtendwandeling met Fiktor te maken of wat lieve woorden uit te strooien (‘brave hond’), maar om tijdens het koffiezetten wat eten in de bak te gooien en hem verder te negeren. Fiktor werkt zijn brokken even discreet naar binnen als de man zijn cornflakes.
Net als alle andere dagen smaken Fiktors brokken nergens naar. Hoogstens naar zand, niet het soort aarde waar moeder naar rook maar naar dat kunstmatige zandbakzand waar kinderen in spelen en katten in piesen. Die specifieke geurherinnering – mama – kan hem zo overvallen dat Fiktor alleen nog kan janken, hoog, met lange halen en complete benutting van zijn longcapaciteit, tot iemand een willekeurig object naar hem toe gooit om het geschreeuw te stoppen.
Even sluipt Fiktor dichterbij de baas, in de hoop dat de man iets van zijn ontbijt op de grond laat vallen. Hij heeft behoefte aan een aai of een klopje op de rug, zoals de man eens in het nooit doet.
Het gebeurt niet. De hond gaat mokkend tegen de keukendeur liggen, waar hij niemand opvalt.

De familie bestaat uit vier van die types, twee groot en twee klein, allen bijna identiek aan die gezinnen in tv-reclames over wasmiddel en viergranencruesli. Toen hij erbij kwam, was de jongste er nog niet. Wel was de vrouw drachtig en pufte ze de hele dag. Ze was in die tijd erg op hem gesteld, iets wat hij nooit heeft kunnen beantwoorden. Nu loopt hij vooral in de weg.
Zijn levensvreugde is toegenomen sinds de Kleine bij de familie is gekomen. De Kleine, rond, kaal en lawaaierig, is er nog niet zo lang. Ze begrijpen elkaar, je kunt in zekere zin zelfs zeggen dat ze één zijn. Beiden worden aangesproken op eenzelfde, typische wijze: alsof ze achterlijk zijn. Weerloos. En niets begrijpen.
Zodra een van hen zich schuldig maakt aan oogcontact, hoe kort dit ook moge zijn, wordt deze bedolven onder kreten als: ‘wil onze grote jongen aandacht, dan?’ en ‘koetsieboetsie-boe!’
Maar ze begrijpen wel degelijk.
De Kleine kijkt hem meewarig aan terwijl het Dikke Kind aan zijn staart en oren trekt, in zijn vacht knijpt en in zijn neus bijt. Hij kan zich in dergelijke situaties beter weren dan Fiktor: de baby zet een rood gezicht op, stoot wat oerbrullen uit en wordt getroost. De boosdoener wordt gestraft.
Voor hem werkt dat niet zo, zijn geluid klinkt altijd hetzelfde. Men denkt dan dat hij vrolijk is of honger heeft. Als ze zouden weten dat blije honden rechts kwispelen, zouden de mensen misschien op Fiktors staartbewegingen letten. Dan zouden ze zien dat Fiktor, als hij al kwispelt, dit altijd links doet.

Boven zwelt het ochtendhuilen van de Kleine aan. Net als Fiktor ontwaakt de baby altijd humeurig. Daarop volgen de voetstappen van de vrouw, de sussende stem en het kraken van de traptreden als ze met de baby in haar armen naar beneden loopt. De baby brult nog altijd als hij beneden komt, aan de man wordt overhandigd en Fiktor ziet. Fiktor probeert een bemoedigende kwispel, maar wordt niet opgemerkt. De Kleine blijft huilen en met zijn mollige armpjes om zich heen zwaaien. Zijn gezicht is rood en opgezwollen, het kale hoofdje glimt.
‘Krampjes, denk ik’, zegt de vrouw tegen de man. Fiktor weet beter. De Kleine wil gewoon zijn staart pakken.
De staart. Niet aan denken, Fiktor, niet nu en vooral: niet weer.
Hij heeft het steeds vaker en als hij het krijgt, is het niet te stoppen. Het ding achter hem schreeuwt en jeukt. Het jéúkt. Hij weet dat hij het zelf is, dat het zijn verbeelding moet zijn, een soort fantoomreactie op – ja, wat eigenlijk? – maar hij kan het niet bedwingen; hij moet en zal die staart te pakken krijgen.
Waar Fiktor normaal een stil plekje zoekt om toe te kunnen geven aan zijn neurose zonder dat er een mens bij staat te kijken, faalt hij vandaag gruwelijk. Hij wil niet dat ze hem zo zien, machteloos tegenover zichzelf terwijl hij gek wordt van wat hij achter zich voelt. Hij wil niet ze gaan lachen, zwaaien, in de handen klappen en foto’s maken en – te laat. Het begint in zijn achterpoten, kruipt over zijn buik, loopt met een rilling terug over zijn rug en belandt uiteindelijk bij zijn staart. Één keer gromt hij, dan geeft hij toe.
Hij rent. Hij rent vele rondjes, eerst linksom, dan rechtsom en hij kantelt bekken en rug in elke mogelijke richting. Soms heeft hij hem bijna, raakt het puntje van zijn neus het puntje van zijn staart en moet hij nog maar een klein stukje. Tevergeefs. Even later is hij uitgeput.
Moe en onbevredigd blijft hij achter op de keukenmat, de tong noodgedwongen op de grond en – erger kan het niet worden – tweeëneenhalf mens die hem uit staan te lachen. Ook de Kleine kijkt hem aan.
Lacht hij nou? Lácht de Kleine nou?
‘Wat heeft dat beest nou weer?’ zegt de man met een halve grijns. De vrouw haalt haar schouders op, loopt naar Fiktor en geeft hem een zachte aai over zijn kop.
‘Malle hond.’

Van Fiktor wordt verwacht dat hij familiehond is, vooral tijdens een van de zogenaamde ‘speeluurtjes’ op zondagmiddagen. De mensen roepen hem naar de tuin, de man buitengewoon hard, de vrouw buitengewoon hoog. Daar luistert Fiktor eerst naar gênante commando’s als ‘zit’, ‘poot’ en ‘dood’. Vooral in die laatste is Fiktor vergevorderd, hij ligt dan met de pootjes richting zon en de kop in de richting van degene die hem dood commandeerde.
Kriebelende kinderhandjes laven zich aan hem. Hij moet op zijn achterpoten bedelen voor een koekje dat vaag naar de verpakking smaakt. Hij moet de stok pakken – nee, de bal. Toch weer de stok.
‘Gekke hond.’ Daarbij moet hij continu kwispelen, dat bevestigt hun moedergevoelens: kijk ons eens goed zijn voor ’t hondje.
Ondertussen komt de jeuk. Hoeveel mensen weten dat honden met die tic ongelukkig zijn? Weinig.
Fiktor weet het. Hij weet ook dat het steeds erger wordt.

De vrouw blijft even bij Fiktor hangen, alsof ze een hele lange, interessante gedachte heeft en die in alle rust af wil maken terwijl ze de hond achter de oren kriebelt. Fiktor maakt zich zo klein en plat mogelijk, wenst onderdeel van de keukenmat te worden.
De man kijkt op de keukenklok, staat op en overhandigt de vrouw de baby.
‘Ik moet gaan, schat.’
Zoals elke morgen geeft de vrouw de man een kus, kust de man de baby en vertrekt de man via de voordeur. Maar, niet zoals elke morgen, krijgt Fiktor een ingeving die zo puur en instinctief is dat hij er niet eens meer over na kan denken. Hij ontwijkt de blik van de baby, glipt tussen de benen van de man door naar buiten en verdwijnt.
‘De hond ontsnapt, haal jij hem even?’ roept de man. ‘Ik moet ervandoor.’
En terwijl de man de auto instapt en start, en terwijl de vrouw in de deuropening zijn naam roept en de Kleine zoekend om zich heen kijkt, zit Fiktor achter het linkervoorwiel. Hij wacht. Het kan niet lang meer duren nu. Hij moet er zelfs een beetje van kwispelen.