Marleen van Wesel
De 20-jarige Marleen van Wesel uit Leiden heeft Write Now! Leiden gewonnen. Volgens de jury was het verhaal waarmee zij heeft gewonnen een slim gedoseerd en af verhaal binnen een kader. Verbijsterend, beklemmend, volgestampt met subtiele humor en bewoond door tot in de puntjes uitgewerkte karakters. Marleen stelt zichzelf voor:
Ik ben Marleen en ik ben niet bang voor deurklinken. Ook spaar ik geen linkeroorbellen en rechterschoenen. Ik wacht niet op sms’jes van meisjes die Emma heten. Ik ben nog nooit wakker geworden met mijn hoofd in een wc-pot. Bijgevolg ben ik ook nooit bijna verdronken, omdat iemand dan doortrok.
Dat laat ik allemaal over aan mijn personages. Over mijzelf heb ik niet zoveel te vertellen, behalve dat ik twintig ben, of 21, al naar gelang je dit voor of na 15 juni leest. Ik woon, studeer, feest, schrijf, ben en slaap in Leiden, alwaar ik graag aan mensen vertel dat ik eigenlijk uit Nispen kom.
Drie cocktailparasolletjes. En 1995 andere woorden.
Emma kietelde me wakker. Tenminste, dat droomde ik. En dat was behoorlijk wat, aangezien ik haar met mijn ogen geopend al een tijdje niet meer gezien had. Bovendien droomde ik meestal dat ik van hoge daken viel en dat ik dat vervelend vond. Terwijl ik niet eens hoogtevrees heb.
Ik ontwaakte daadwerkelijk, door het wakker kietelen in mijn droom. Uit frustratie smeet ik mijn telefoon richting mijn wekker, die er deze keer niets mee te maken had. Het geluid van een sneuvelend apparaat onderbrak het gepiep in mijn oren even. Ik voelde me belabberd. Hoewel ik geen idee had hoe laat het was, nam ik me voor nooit meer op dit tijdstip wakker te worden.
Door het ongecoördineerd langs mijn bed zwiepen van willekeurige ledematen probeerde ik mijn telefoon te grijpen. Het lukte, waar ik om juichte. Dat veroorzaakte hoofdpijn. Mijn telefoon bleek niet de veroorzaker van het sneuvelgeluid. Ik juichte nog eens, nu zachtjes. Ik had geen nieuwe sms-berichten ontvangen. Ik strompelde richting het toilet. De kater leek mee te vallen.
Een gevoelsmatig uur later werd ik wèèr wakker, met mijn gezicht in mijn eigen onderbroek. Mijn hoofdpijn was naar de achtergrond verdwenen, omdat mijn rug nog véél meer pijn deed. Dat kwam, doordat ik op de wc zat, met mijn gezicht tussen mijn knieën, waar mijn onderbroek hing. Ik voelde me morning after-gaar. Verder wist ik het ook niet. Plotseling kwam er een golf mogelijke herinneringen door mijn slokdarm omhoog. In een chaotische, ongecontroleerde, spastische, maar gezien de omstandigheden behoorlijk soepele beweging draaide ik mezelf op mijn knieën, met mijn hoofd in de pot. Die kater viel nìet mee.
Ik werd wakker, omdat ik droomde dat ik bijna verdronk. Nee, ik stopte met dromen, omdat ik bijna verdronk. Sinds de vorige alinea was ik niet van mijn plaats geweken. Mijn huisgenoot Smiecht was daarentegen de badkamer binnengekomen en had doorgetrokken. Dat deed hij wel vaker. We hadden namelijk, afgezien van de voordeur, geen deuren in huis, vanwege mijn deurklinkfobie. Smiecht trok me, grinnikend zoals Beavis and Butt-head, uit de wc-pot, en begon te pissen, terwijl hij met zijn linkerhand de hard geworden kotsresten uit zijn mondhoeken krabde.
‘Waarom voel ik me zo belabberd?’ kreunde ik richting Smiecht.
Ik noemde hem zo, omdat zijn naam niet precies, maar wel ongeveer zo klonk tijdens onze eerste ontmoeting. Sindsdien probeerde ik zijn naam uit gesprekken te achterhalen. Post ontving hij zelden. En vragen leek me een beetje gênant, aangezien we inmiddels drie jaar in hetzelfde huis woonden.
‘Omdat ik een feestje voor je geregeld had, tegen je belabberdheid van gisteren. Hielp het?’
‘Nee dus.’
‘Dan regel ik er vanavond nog een. Maar eerst moet je deze dag doorkomen,’ zei hij, terwijl hij zijn broek dichtritste.
Ik werd door Smiecht zijn stamkroeg, De Kapotte Koe, binnengeduwd. Hij sloot de deur achter me, en rende weg. Ik had hem nooit moeten vertellen dat ik bang ben voor deurklinken. De Kapotte Koe was het soort kroeg dat ik zou kunnen omschrijven, maar daar heb ik geen zin in. Neem een willekeurige kroeg. Denk er een bovengemiddeld angstaanjagende deurklink bij. En een gruwelijk dikke barman, die ooit Nederlands kampioen ligfietsen was, tot hij zo dik was, dat hij over zijn buik niet meer kon zien waar hij heen fietste. En op de achtergrond het liedje ‘Suds & Soda’ van dEUS.
Daarvan kreeg ik een klein beetje zin om te springen. Na een onopvallende sprong, stortte ik in op een barkruk. Ik bestelde duizend wodka-redbulls. Met cocktailparasolletjes. Om mezelf op te vrolijken. Ik controleerde mijn telefoon. Geen nieuwe sms-berichten.
‘Duizend? Eéntje! En daarna trap ik je buiten. Je moet avonturen beleven van jewelste!’
Die woorden kwamen uit de mond van een prachtmeisje. Grapje. Ik grinnikte om dit geestige binnenpretje. Daarna schrok ik me half lam, omdat ze precies zo keek als Emma, wanneer ik iets stoms zei. Emma keek echter nooit zo wanneer ik iets stoms dacht.
‘Ik heet Marleen,’ zei ze.
‘Ik niet,’ zei ik.
Ze hield een pen vast, waarmee ze al een stuk of tien bierviltjes onleesbaar had volgekrabbeld. Stel dat ze deze middag zou sterven, dan zou niemand haar schrijfsels kunnen lezen. En laten we wel wezen, er is nog geen middag voorbijgegaan in de geschiedenis van de mensheid waarop níemand stierf.
Ze leek me een vooralsnog springlevende schrijfster. Eén die verhalen schrijft waar alleen kutpersonages in voorkwamen, dat wel. Verder droeg ze één oorbel, in de vorm van een rits. De andere oorbel leek eerder afwezig door kwijtrakerij dan door artistieke overwegingen. Emma zou haar misschien kunnen helpen.
Die spaarde dingen waarbij iets ontbrak. Zoals ándere oorbellen. Of cd-hoesjes waar de cd van kwijt was. Incomplete verzamelingen flippo’s, stripalbums en jaargangen van tijdschriften. Puzzeldozen waarop 1000 stukjes stond, terwijl er 998 inzaten. Maar ook losse flippo’s, stripalbums, tijdschriften en puzzelstukjes. Zodra ze hoorde dat iemand iets kwijt was, neusde door haar verzameling. Opvallend vaak wist ze daarmee mensen te helpen. Vertederend vond ik dat.
Buitengetrapt worden gaat gepaard met schaafwonden, maar je omzeilt er wel de deurklink mee. Ik klopte het straatvuil, bestaande uit zand, kauwgum, twee sigaretten en een cd van The Counting Crows, van mijn broek. Aan straatvuil had immers niemand wat. De rest van de dag probeerde ik avonturen te beleven van jewelste. Dat mislukte.
Smiechts tweede feest verliep ongeveer hetzelfde als het eerste. Denk ik. De duidelijkste overeenkomst was dat ik de volgende ochtend drie keer met een kater ontwaakte voor ik mezelf als wakker beschouwde. Verder herinnerde ik me niet zoveel. Wat eigenlijk ook een overeenkomst was.
‘Hielp het deze keer wel?’ vroeg Smiecht, terwijl hij zijn hoofd in de wc-pot stak om te kotsen. Ik ritste mijn gulp open en piste vlak langs zijn linkeroor.
‘Nee,’ zei ik.
‘Oh,’ zei hij. Hij verwijderde de kotsresten weer uit zijn mondhoeken, deze keer met een wattenstaafje. Even dacht ik dat hij minder ranzig geworden was. Die gedachte werd snel vervangen door een andere, toen hij met hetzelfde wattenstaafje ook even een vuiltje van de muur, een spatje op de wc-bril, een neuspeuter, een remspoor in de wc-pot en wat oorsmeer verwijderde.
‘Dan proberen we het vanavond nog eens,’ zei hij grinnikend als Beavis and Butt-head.
Mijn andere gedachte, die de vorige vervangen had, was dat feestjes niet hielpen. Mijn derde gedachte van die dag, dat ik Smiecht moest vertellen dat ik geen feestjes meer wilde, kwam pas een paar uur later. Toen was hij al lang verdwenen.
Ik zocht hem in De Kapotte Koe, waar de deur gelukkig openstond. De reden daarvoor, zo bleek binnen, was dat Smiecht een vreselijk smerige scheet gelaten had. Zelf was hij verdwenen. De barman draaide ‘Narcotic’ van Liquido. Ik maakte een bescheiden sprongetje. De schrijfster van verhalen met kutpersonages zat op een barkruk. Ze keek moedeloos naar veertien lege bierviltjes, die voor haar neus in de vorm van twee bloemen lagen. Ik legde er twee nieuwe bierviltjesbloemen naast. Nu keek ze moedeloos in het kwadraat.
Ik controleerde mijn telefoon. Geen nieuwe sms-berichten. Ik keek naar de barman met mijn ik-wil-duizend-wodka-redbulls-blik. Die hielp voor 0,1 procent.
‘Wat krijg je?’ vroeg ik hem.
‘Een stuiver,’ zei hij achteloos.
Die achteloosheid beviel me wel.
‘Je hebt geen avonturen beleefd.’ zei de schrijfster somber.
‘Waarom beleef je zèlf geen avonturen?’ vroeg ik haar.
‘Omdat jíj mijn hoofdpersonage bent.’
‘Dat ben ik niet.’
‘Wel.’
‘Niet.’
‘Wel.’
‘Niet.’
‘Wel.’
‘Niet.’
‘Wel.’
‘Niet.’
‘Wel.’
‘Niet.’
‘Wel.’
‘Niet.’
Ze keek moedeloos in het kwadraat tot de macht furieus.
Ik keek naar de gruwelijk dikke barman met mijn zij-kan-ook-wel-een-wodka-redbull-gebruiken-blik. Die hielp voor 100 procent.
‘Een stuiver?’ vroeg ik achteloos.
‘Nee, honderd euro,’ zei hij, ook achteloos.
Ik wist niet of die achteloosheid me nog steeds beviel. Voor de zekerheid gaf ik hem honderd euro. Hij draaide tenslotte ‘All Apologies’ van Nirvana.
Tijdens mijn tocht naar huis zette ik duizend stappen, hield ik met vereende krachten duizend tranen tegen en dacht ik duizend keer aan Emma.
Emma beweerde dat ze tijd nodig had om na te denken, over ons. Mensen die pretenderen daar tijd voor nodig te hebben werken ongelofelijk op mijn zenuwen. Meestal gebruiken ze het grootste deel van die tijd om het nadenken zelf uit te stellen.
Ik keek Emma aan, met een blik die duidelijk maakte hoe ik over de kwestie dacht. Daarna stormde ik de deur uit, waarbij ik het niet naliet om met diezelfde deur eens keihard te slaan. Slaan met deuren was een hobby. Daarna was ik vaak een kwartier bezig met het schrobben van mijn handen met schuurmiddel. Vanwege die deurklinken. Ze was beter begonnen met dat tijd-gezeik tijdens de afwas. Gooien met borden was een nog grotere hobby. Bovendien had ik geen bordenfobie.
Ik opende de deur weer en riep op mijn allerkinderachtigst:
‘Stuur maar een sms’je ofzo, als je eruit bent.’
Ik ben ervan overtuigd dat ik dat eigenlijk alleen deed om nóg eens met de deur te kunnen slaan voor ik echt wegrende.
Op Smiechts derde feest waren ongeveer duizend meisjes uitgenodigd.
‘Hoe heet jij eigenlijk?’ hoorde ik er eentje giechelend vragen. Ik spitste mijn oren.
‘Van Bohemen, Karel,’ zei Smiecht op tamelijk serieuze toon. Het léék niet eens op Smiecht.
Achter me hoorde ik een prettige lach. Die kon afkomstig zijn van vijf meisjes. Ik hoopte op de mooiste. Ik testte dat met een zelfverzonnen grap. Ze lachten geen van allen. Bovendien liep de mooiste weg. Bij nader inzien was ze niet zo mooi van dichtbij. Ze zou beter een voorbeeld nemen aan het prachtmeisje Emma. Die zag er zowel mooi uit van dichtbij als van veraf. En nu ik niet wist waar ze uithing, was ze nog mooier dan ze eruit zag.
‘Wat een toestanden hè?,’ zei ik tegen op de één na mooiste.
Daar kwam seks van.
Aangezien ik inmiddels voor de deur van De Kapotte Koe stond, vrees ik dat die witregels van zojuist de seksscène uit dit verhaal hadden moeten zijn. Ik was furieus en een beetje geil op een gefrustreerde manier. De schrijfster opende de deur.
‘Lastig, zo’n deurklinkfobie,’ zei ze.
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik heb je verzonnen. En nu moet je avonturen beleven.’
‘Als je mijn schrijfster bent, waarom heb je mijn avontuurtje van vannacht dan niet beschreven?’
‘Omdat er helemaal geen avontuurtje was! Je zit veel te veel met hoe-heet-ze-ook-alweer in je hoofd!’
‘Kun je hoe-heet-ze-ook-alweer, ik bedoel, Emma niet terugschrijven? Ik beloof dat we samen avonturen gaan beleven van jewelste.’
‘Nee.’
‘Delete mij dan maar. Ik ben het beu.’
‘Dat gaat niet!’ zei ze geschrokken. ‘De deadline van de finale van Write Now! is over enkele uren, en alles wat ik heb zijn ongeveer duizend slechte ideeën.’
Ze keek furieus en ook een beetje geil op een gefrustreerde manier.
Delete mij!
Delete mij!
Delete mij!
Delete mij!
Delete mij!
De gruwelijk dikke barman zag mijn wanhoop aan, en grinnikte als Smiecht wanneer die grinnikt als Beavis and Butt-head. Het liedje ‘Violet’ van Hole klonk door het café.
‘Dat verhaal van jou, dat speelt zich toevallig niet in de jaren ’90 af hè?’ vroeg ik argwanend aan de schrijfster. Dat zou veel verklaren. Ik ontvang pas sms-berichten sinds 2005.
‘Welnee,’ zei ze, terwijl ze plotseling begon te schrijven.
Emma kietelde me wakker.
De rest was onleesbaar. Uit nieuwsgierigheid hoopte ik dat ze niet dood zou gaan voor ze haar verhaal uitgetypt had.
Ik vroeg de barman een wodka-redbull met een cocktailparasolletje plus een verzoeknummer uit 2009 naar keuze. Voor de zekerheid. Hij zette ‘Revelry’ van Kings of Leon op.
Er trilde iets in mijn broekzak. Van schrik maakte ik een onbescheiden sprong, waarbij ik mijn hoofd tegen het plafond stootte. Ongeduldig wurmde ik mijn telefoon uit mijn broekzak.
Eén nieuw sms-bericht.
‘Wat krijg je van me?’ vroeg ik.
‘Wat jij wil,’ zei de gruwelijk dikke barman achteloos.
Ik wilde hem helemaal niks geven. Ik klapte het cocktailparasolletje dicht, opende het sms-bericht, en verliet De Kapotte Koe en de rest van dit verhaal. Ik vergat de deurklink zelfs eventjes. Wel sloeg ik met de deur, zachtjes, zodat niemand het merkte.
