Maxim Roozen

De 17-jarige Maxim Roozen uit Heemstede heeft een Wildcard weten te bemachtigen. Maxim behaalde de tweede plaats in de voorronde van Leiden. Volgens de jury heeft de schrijver van deze inzending gevoel voor ritme en detail, en voor hoe je een degelijk verhaal en gedicht verrassend houdt. Het is een zeldzaam goede inzending van een jonge, veelbelovende schrijver. Maxim stelt zichzelf voor:

17 jaar, 5 VWO, Heemstede, piano, cavia’s, Stockholm, schrijven, OV, muziek, katten, viool, rouwadvertenties, Magritte, zomer, Disney, crackers, filosofie, uitgaan, Japan, film, Little Britain, wolken, pony’s, eten, aanstekers, blauw, fotografie, bomen, Ikea, nacht, Amsterdam, koffie, teletekst, zee, grapefruit, Haruki Murakami, polaroid foto’s, zondag.


Terugkeer van Kiriko

#1.

Als de nacht nog lang niet zijn dieptepunt heeft bereikt verschijnt mijn moeder op tv. Ze zegt: ‘Bel me, nu.’
Een close-up, ze maakt haar lippen nat. Ik had me het weerzien anders voorgesteld.

‘Bel: 0906-0666 en ik zit klaar.’ Ze belooft dat haar rijpe vriendinnen ook klaar zullen zitten, en ook die kan ik bellen. Maar ik wil alleen haar.

De camera zoomt uit en ik toets het nummer in. Mijn moeder zit op een rode bank en draagt alleen een touwtje tussen haar benen. Een natte vinger glijdt over haar lichaam.

‘Geilenacht, lekkerding.’
‘Met mij.’

‘Mama?’
Aan de andere kant klinkt een adem.
‘Hallo?’
Dan hangt de adem op.

Als ik de telefoon neerleg, is mijn moeder verdwenen. Het beeld staat stil, net als het donker in de kamer.
Er ligt een papiertje op de plaats waar mijn opnieuw verdwenen moeder zat. Over de grond kruip ik naar het scherm.

Grijs gebouw 2, verdieping 36.

En dan is de nacht nog lang niet voorbij.

#2.

Grijs gebouw 2 kijkt over de wolken naar een zon die wij niet zien.
Er zijn hier alleen maar mannen die zaken doen.

‘Hoe kom ik het snelst op de 36e verdieping?’
‘Zesendertig? Die bestaat niet,’ zegt de portier.
‘Bestaat niet?’
‘Bestaat niet.’
‘Maar hoe kan er dan wel een verdieping 37 zijn?’
‘Dat weet ik niet, ik ga daar niet over.’
‘Maar u bent toch de portier?’
‘Ja, van deze deur.’
‘En verdieping 36?’
Zonder zijn ogen van mij af te wenden wijst hij met uitgestrekte arm naar de lift.
‘Lift.’

Hij is zo groot dat er een dierentuin in zou kunnen passen. Ik druk op een 3 en een 6, deuren dicht, lift omhoog en ik denk aan de dagen dat ik met de oude vrouw naar de dierentuin ging.

Eigenlijk was alles daar leuk, maar het hoogtepunt was een bezoek aan de Japanse olifant.
‘Hoe heet ze?’ vroeg ik aan de oude vrouw terwijl ik limonade met een rietje uit een pakje zoog.
‘Saskia,’ zei de vrouw met gesloten ogen in de zon. Zij zat links en ik rechts op ons bankje voor het verblijf.
‘Niet,’ en ik bleef naar de olifant staren.
‘Hoe dan?’
Ik zag hoe de Japanse olifant met haar slurfje vliegjes wegsloeg.
‘Kiriko,’ zei ik en zoog met al mijn kracht het laatste restje limonade op.

24.

De oude vrouw ging dood en ik niet meer naar de dierentuin.

29.

Ik vroeg me af wat er zou gebeuren als verdieping 36 werkelijk niet bestond.
Dan gaan de deuren open en stap ik uit. In plaats van verdieping 36 te betreden val ik naar beneden. De portier staat geïrriteerd op van zijn stoel en zal tegen mijn darmen zeggen dat ik had moeten luisteren.

36.

Er klinken drie korte tonen en de deuren openen zich. Ik stap uit de lift die ik weer hoor sluiten en dan is er zwart.
Niet gewoon zwart, maar zwart zoals op de bodem van een heel diepe oceaan. Op van die plekken waar zelfs tijdens heldere nachten geen maanlicht schijnt.
Ik dacht: als alles wat er is wordt bedekt door zwart, is er dan niks of kun je het gewoon niet zien?

Misschien moet ik het licht aandoen.

Na meters muur te hebben betast vind ik, nog voor ik mijn pink in een stopcontact boor, de schakelaar. Ik doe hem omhoog en het licht gaat aan.
Langzaam, zoals bij opgaande zon.
Ik leg mijn handen over mijn gezicht om de dag voor te zijn.

Als ik ze weer weghaal zie ik K.

K. is het mooiste wat ik ooit heb gezien.

K. zegt: ‘Zelfs in het donker kan er dus van alles zijn.’

En ik knik ja.

‘Ga je mee?’ vraagt K.
‘Waarheen?’ zeg ik zacht.
‘Naar huis.’

#3.

Elke avond leest K. gebruiksaanwijzingen in bed. Niet alleen die van stofzuigers, maar ook van apparaten die hij niet heeft. Hij behoort tot het soort zakenman dat buiten het doen van zaken ook nog andere interesses heeft.
Daarnaast rookt hij.
De eerste keer dat ik met een rokende K. in bed lag zei ik: ‘Ik vind roken in bed bijzonder onsmakelijk.’
Hij antwoordde: ‘Ik vind jou bijzonder onsmakelijk,’ en blies een wolkje de kamer in.

Na mijn eerste ontmoeting met K. werd ik langzaam een geïsoleerd mens. Eerst ging ik niet meer naar de feestjes waar ik voor uitgenodigd was, later zag ik niemand meer. K. en zijn schoonheid eisten al mijn aandacht op.

Mijn leven bestond uit een kamer waar K. in binnentrad en uit wegging.
‘Onsmakelijke kinderen horen in bed,’ zei hij altijd.
Het enige wat mij met het leven buiten verbond was een grote kastanjeboom op straat. Hij stond op een paar meter afstand, recht voor het raam. ’s Ochtends zei hij mij gedag en ik zei altijd wat terug.

Daarnaast was er een tv die de laatste verbinding vormde tussen mij en mijn moeder.
Omdat mijn moeder zich in elke hoek van tv-land schuil kon houden, moest ik elke dag heel veel programma’s kijken in de hoop haar terug te zien. Ik had eigenlijk ook niets beters te doen.

Ik heb me altijd afgevraagd of er ooit een dag komt dat iedereen een keer op tv is geweest.
Als K. op een avond zijn zoveelste sigaret rookt en de gebruiksaanwijzing van een boormachine doorwerkt, is het mijn beurt.

‘Wij vragen uw aandacht voor het volgende.’

Ze hebben een slechte foto uitgekozen. Van mijn laatste schooljaar waar ik een rode puist had op mijn kin en een ontstoken rechteroog.
‘Zet dat uit,’ zegt K.
Ze weten alles van me. Ik heb zelfs een telefoonnummer.
‘Ik heb zelfs een telefoonnummer,’ zeg ik. Net als mijn moeder.
Dan wordt het beeld zwart.

#4.

Het was een speciale dag. De ‘ik-verloor-mijn-benen-dag’, noemde K. het. Een jubileum. Daarom zijn we uit eten gegaan.
Daarvoor moest ik eerst mijn hoofd kaal scheren, een pruik opdoen, moedervlekken tekenen en me tenslotte voordoen als een geestelijk gehandicapt kind. ‘Dat kun je best,’ zei K.
‘Lekker met je vader uit eten?’ vroeg de serveerster. Ze leek op medium Sonja van Astro TV.
‘Mijn cavia heet Kees, mijn cavia heet Kees.’ Dat zei ik de hele tijd.
‘En wat wil de grote jongen eten?’
‘Wat wil je eten, lieverd?’ vroeg K., en keek me daarbij glimlachend aan.
Ik kreeg het warm. ‘Mijn cavia heet Kees, mijn cavia heet Kees.’
‘Twee maal mozzarella graag,’ zei K. tegen de serveerster.
Ze knikte en liep weg.
K. droeg die avond zijn speciale legging. ‘Voor op speciale dagen.’ De gele, waarin zijn prothesen goed zichtbaar waren.
‘Gezellig, hè?’
‘Mijn cavia heet Kees, mijn cavia heet Kees.’

#5.

Als het nacht is, roept de boom.
‘Wat is er?’
‘Houd je mond.’
‘Maar de boom wil iets zeggen.’
‘En ik wil dat je je mond houdt.’

In het donker lijkt de boom een laaghangende onweerswolk met veren.

‘Slaap lekker,’ zeg ik tegen K.
‘Deze boom heeft nog geen slaap.’
‘Ga je mijn kuisheid schenden?’
‘Ik denk het wel.’ K. zwijgt even en ik kijk naar het raam.
‘Bestaan er gebruiksaanwijzingen voor onsmakelijke kinderen?’
‘Nee, die gebruik je gewoon.’

De boom beweegt mee met de wind, dansende veren voor het raam.

‘Hebben alle zakenmannen een onsmakelijk kind?’
‘Nee, alleen zakenmannen met speciale verlangens.’
‘Je bent het mooiste wat ik ooit heb gezien.’
‘Misschien moet je het licht uitdoen.’
‘Welke verdieping?’
‘-1.’

Dag boom.

#6.

Enkele dagen later brengt K. mij naar een kermis aan de rand van de stad.
‘We gaan in het reuzenrad,’ zegt hij.
Het is een exotische kermis.
In het reuzenrad vertel ik K. dat ik naar Astro TV heb gebeld.
‘Maar dat doe je toch wel vaker?’ Het reuzenrad doorkruist de nacht.
‘Ik heb gezegd “Met het onsmakelijke kind,” toen ze vroegen wie ze aan de lijn hadden voor een live tv-consult.’
‘Maar dat doe je toch wel vaker?’ De exotische kermis onder ons is een chaos van heel veel licht, onrustige zee.
‘Ik heb ze verteld wie ik ben, de naam achter het onsmakelijke kind van de foto.’
Het reuzenrad draait door. In een reuzenrad ga je namelijk nergens heen, alleen terug.

‘Ik heb iets voor je gekocht,’ zegt K.
‘Ben ik jarig?’
‘Ja,’ en hij pakt uit zijn tas een glazen pot. Er zitten een paar grassprietjes in en wat water. In het deksel zijn kleine gaatjes gemaakt.
Het is een vuurvliegje. Hij zit tegen de zijkant van de glazen pot geplakt.
‘Dankjewel,’ zeg ik. Als we helemaal boven zijn staan we stil.

‘Ik ga,’ zegt K. Met zijn beenprothesen maakt hij het deurtje open.
K. kijkt mij aan. Ik zie dat hij iets wil zeggen, maar er wordt geen geluid voortgebracht. Hij pakt mijn hand en drukt zijn lippen er tegen aan. Dan stapt hij uit.

Het reuzenrad komt weer in beweging. In een reuzenrad ga je namelijk nergens heen, alleen terug.

#7.

De volgende uren breng ik door als dweil. De glazen pot met het vuurvliegje druk ik dichter tegen mij aan. Ik denk: wat doe ik hier.
Er zijn mensen, kraampjes, ballonnen, dansende dieren, maskers, nog meer attracties, een vrouw met doorlopen wenkbrauwen, kippen, kinderen, een reuzenrad.

Als de exotische kermis ten einde loopt valt de pot op de grond. De tijd lijkt samen met het glas te breken en ik staar naar de grond.
Het vuurvliegje komt langzaam omhoog uit de scherven. Hij blijft even hangen voor mijn neus en vliegt dan vooruit.
Hoe verder wij ons van de exotische kermis begeven, hoe feller het lichtje wordt. Als ik het vuurvliegje heb gevolgd tot het donker weer is teruggekeerd, gaat hij dood. Het lichtje neemt af, wordt zwakker en dooft uit als een vonkje dat naar beneden valt.
In het natte gras probeer ik hem nog te zoeken, maar er is geen licht.

Nu ben ik helemaal alleen.

Als ik met mijn hoofd in het gras naar de zwaar bewolkte hemel kijk, hoor ik een telefoon overgaan.
Op mijn knieën luister ik naar waar het geluid vandaan komt.
Ik sta op en loop voorbij een grote kastanjeboom. Onder de boom staat een groene telefooncel. Ik open de glazen deur en neem op.
‘Hallo?’
‘Met mij.’
De glazen deur valt dicht en het lampje in de telefooncel knippert.
‘Waar ben je?’ vraagt mijn moeder.
‘Hier. En jij?’
‘Hawaï.’
Dan begint het te regenen. Dikke druppels vallen op het dak van de telefooncel en spatten tegen de glazen wanden aan.
‘Het gaat hier denk ik onweren.’
‘Dan moet je niet onder een boom gaan staan.’
Mijn moeder en ik zwijgen. Als ik door de regendruppels naar buiten kijk zie ik overal mensen. Zakenmannen, met aktetassen en zwarte paraplu’s. Ze lopen door elkaar, op weg naar de plaats waar ze moeten zijn.
‘Ik moet gaan,’ zegt mijn moeder.
‘Kom je ooit nog terug?’
‘Ja. Voor je het weet, ben ik er.’
Het begint harder te regenen en het buiten neemt aantal zakenmannen af.
‘Ik houd van je.’
‘Mijn cavia heet Kees.’

Het lichtje in de telefooncel gaat uit en ik stap naar buiten. Als ik omhoog kijk vallen de regendruppels op mijn gezicht. Ik open mijn ogen, zie de maan. In de uithoeken van de hemel lichten duizenden vuurvliegjes op.
Er schuift een klein wolkje voorbij. Het is Kiriko.
Ze blijft even hangen in het midden van het maanlicht en zwaait met haar slurfje door de lucht. Dan bedekt een grote onweerswolk met veren haar.
De nacht zwelt aan, het onweer barst los en ik weet, dat ze terug zal keren.