Roel van Meerendonk

De 21-jarige Roel van Meerendonk uit Tilburg heeft Write Now! Den Bosch gewonnen. Volgens de jury was de ingezonden tekst geschreven in een vlotte stijl, met humoristische zinnen en zeer beeldende beschrijvingen. Roel stelt zichzelf voor:

Roel van Meerendonk (Tilburg, 1987) is prozaïst. In 2006 won hij de voorronde van Write Now! in Den Bosch. In 2008 bleek hij opnieuw de beste met het verhaal “Oma moest maar eens dood”. Roel treedt geregeld op waarbij hij ook muziek en film combineert met literatuur. Zo las hij onder andere voor op het GDMW Festival in zowel Den Bosch als Rotterdam, de Dag van de Literatuur en het Lezersfeest.


Tienjarenplan


Sandra

Van Alfred wist ik niets. Niet meer dan wat zijn huis mij vertelde. Het zou niet eerlijk zijn hem af te doen als een smerige vent aan de hand van het interieur. Ik was immers verantwoordelijk voor de huishoudelijke taken.

***

In eerste instantie ging ik er van uit dat Alfred een drukke baan zou hebben. Dergelijk werk dat hem niet in staat stelde een vrouw te hebben zonder dat ze zich er ongelukkig bij voelde.
Al snel bleek ik mij daarin vergist te hebben, Alfred had vrouw noch werk. Wel beschikte hij over een appartement op de bovenste etage van een vier verdiepingen tellend complex.
‘Kom verder. Je bent de vijfde’, zei Alfred bemoedigend bij het openen van de deur.
Moeizaam wrong ik me langs zijn buik die de doorgang in de smalle gang nog nauwer maakte. Achter mij hoorde ik de deur in het slot vallen.
‘Zo …’, zei hij zacht.
Ik vroeg mij af in hoeveel films het slecht afliep met de meisjes waarachter de deur gesloten werd en de huiseigenaar iets onbenulligs zei als ‘zo’.
Ik schrok van Alfred die zijn lichaam plots tegen me aan drukte. Terwijl hij me passeerde lachte hij alsof het een verontschuldiging was voor zijn corpulentie. Vlug ging hij mij voor en zwaaide de deur naar de rest van zijn appartement open, waarna hij zijn armen hief om zowel de huiskamer als de zweetplekken onder zijn oksels tentoon te stellen.
Ik deed een paar passen de kamer in en direct begon een druk kwispelende herdershond rondjes om mij te rennen. Het was gelijk het beest mijn benen bijeen wilde drijven en zo gauw ik mij niet gehoorzaam toonde stak hij zijn neus en tong in mijn kruis.
Het was mij altijd onduidelijk geweest waar het die beesten om te doen was. Goed, ik reinigde mijn vagina niet na het urineren waardoor de laatste druppel zich altijd in mijn ondergoed liet zuigen, maar dat moest in het niet vallen vergeleken bij de urinewalm die in het vertrek hing.
Ik verkende mijn nieuwe werkplek. In de kamer was al lang niet gepoetst. Etensresten lagen verspreid over de vloeren en de meubels. Zelfs in het behang zaten vlekken. De zenuwachtigheid van de hond nam niet af en al draaiende stapte hij in een laagje braaksel.
Ietwat angstig vroeg ik of het schoonmaken van het huis ook tot mijn taken ging behoren.
‘Waarom zou je het stof afnemen als het er volgende week toch weer ligt?’, had Alfred geantwoord. Drie dagen later bekleedde ik mijn nieuwe functie.

***

Het ontbijt, dat bestond uit twee sneden witbrood, een hardgekookt ei en sterke, zwarte koffie, werd door mij van links opgediend. Het hinderde Alfred allerminst. Aan etiquette wenste hij, evenals aan hygiëne, geen aandacht te besteden.
‘Ga toch zitten’, zei Alfred terwijl hij zijn sloffen uitschopte en zijn voeten op tafel legde. Wanneer hij zijn tenen bewoog kraakten zijn sokken van het opgedroogde zweet. De ammoniakgeur die zich uit de kousen losmaakte deed de hond zelfs lopen.
In de tijd die ik gebruikte om plaats te nemen had Alfred het ei van zijn bord genomen. Voorzichtig leunde hij achterover in zijn stoel en sloeg hij de eierschaal met twee tikken op de tafelrand stuk.
Om zijn blik te vermijden keek ik naar mijn handen die de stiksels aan de onderrand van mijn jurk bevoelden. Ik wist niet hoe ik deze man onder ogen moest komen.
‘Sarah’, zei hij, waarna hij een korte stilte liet vallen waarin hij het ei van zijn kalklaag ontdeed en deze op de grond deponeerde.
‘Sandra’, verbeterde ik zacht, maar het noemen van mijn naam werd direct overstemd door het krakende geluid van de hond die op de eierschalen kauwde.
‘Je doet dit werk nu al twee jaar uitstekend, maar morgen moet het anders’, ging Alfred verder. ‘Morgen is een speciale dag en ik wil drie rauwe eieren, zes rollen pepermunt en een tube tandpasta. Heb je dat?’
Ik knikte ter bevestiging.
‘Goed, dan kun je weer gaan.’

***

Het ging een bijzondere dag worden. Vooralsnog betekende dat niet meer dan dat mij een half uur meer bedrust geschonken werd, omdat het ontbijt niet zoveel behelsde.
Ik serveerde het ontbijt zoals Alfred dat gewenst had. Het was niet bepaald een aanlokkelijk ontbijt en het zou me niets verbazen als Alfred niet op kwam dagen. Het kwam geregeld voor dat hij zich niet liet zien terwijl de verse jus d’orange warm werd en het brood uitgedroogd raakte. Vaak lag hij dan languit in de huiskamer of tot waar hij het ook maar met zijn zatte kop had weten te brengen.
In afwachting van Alfred liep ik door de huiskamer. Op de wand bij het raam begon hier en daar mos te groeien, alsof iemand groen, hoogpolig tapijt op de muur had laten aanbrengen en het bij nader inzien in een woeste, onnauwkeurige bui van de muur had willen trekken.
Een aantal maanden geleden had het gehoosd. Ik was aan het koken en kon de regenpijp horen gorgelen. Alfred keek televisie in de huiskamer en begon op zeker moment te joelen. De dakgoot was niet in staat geweest al het water te verwerken, zodat het overschot langs de muren af liep. Het ontstane watergordijn besprenkelde de televisie, wat het apparaat deed knetteren en vonken. De gehele avond glommen Alfreds ogen van geluk. De rest van de week was hij chagrijnig geweest omdat hij niet om wist te gaan met het gebrek aan massamedia. Hoe dan ook, het had zijn huis tot een meer vruchtbare plek gemaakt.
Een deur werd geopend. Alfred had zich in een net pak gestoken en wandelde naar de plek aan tafel waar het ontbijt stond. De hond, die een dergelijk uitzien van zijn baas duidelijk niet gewend was, hield zich in een hoek van de kamer op en gromde.
Zuchtend liet Alfred zich op een stoel vallen en griste één van de drie eieren van het dienblad. Voorzichtig draaiden mijn mondhoeken zich in een krul op het moment dat hij wilde uithalen om de schaal te breken. Hij bedacht zich.
‘Je zou toch niet willen dat ik me op mijn speciale dag ging besmeuren?’, vroeg hij zonder het antwoord af te wachten. Opnieuw gebood hij me een plek aan tafel in beslag te nemen. Met zijn ene hand begon Alfred in het borstzakje van zijn blouse te graaien, in de andere hand hield hij het ei geklemd. Uiteindelijk wist hij het zakje te legen door zijn rijbewijs er uit te halen. Met een flauwe boog landde het rijbewijs in mijn schoot. Hij had het eveneens over tafel aan kunnen reiken, maar het leek alsof hij hier de rollen nog eens mee wilde verduidelijken. Gelijk hij wilde zeggen: ‘Ik ben nu dan wel fatsoenlijk gekleed, maar ik ga me niet gedragen als een heer.’
Ik ontvouwde het roze papiertje. Het dikkige hoofd van Alfred paste nauwelijks binnen de kaders van de pasfoto. Het vettige haar droeg hij op de foto achterover gekamd.
‘Vandaag…’, sprak Alfred trots terwijl hij met een mes het topje van het ei sloeg. ‘Vandaag vervalt mijn rijbewijs. Precies tien jaar geleden kreeg ik het aangereikt van een prachtige vrouw achter de balie. Mijn roze papiertje was haar liefdesbrief. Ik durfde hem niet te lezen of haar uit te nodigen eens bij mij thuis te komen, maar vandaag ga ik haar liefde voor mij verlengen.’
Alfred leek te glunderen bij de gedachte. Het gedrag dat hij vertoonde deed mij verbazen. Alfred was een man om met een zak chips bij de televisie te zitten. Iemand die achteraf het gruis dat hij geknoeid had met zijn pink uit zijn navel zou pulken. Niemand verwachtte van hem dat hij sentimenteel zou worden bij de gedachte aan een vrouw.
‘Vergeef me’, zei hij. ‘Ik heb mijn tongzoenen te oefenen.’
Alfred hief het gehalveerde ei alsof het een gevuld champagneglas was waarmee geproost werd en zette het vervolgens aan zijn lippen. Langzaam gleed zijn mond open. De tong die hij uitstak maakte lichte cirkelbewegingen. Slijmerig eiwit gleed langs zijn kin af en bleef kleven in zijn baard.
‘Hoe is het om dit te doen?’ vroeg ik Alfred, die duidelijk niet gerekend had op vragen tijdens zijn tongzoenrepetities met het ei. Van schrik leek hij te inhaleren, wat het rauwe ei zijn keelgat in deed schieten. Vanaf dat moment begon een lange reeks van hoestbuien, rochels en braakneigingen totdat het eigeel in slierten uit zijn neus gelopen kwam.
Mismoedig keek Alfred naar de inhoud van het dienblad. Hij schoof de overige twee eieren opzij, twijfelde even over de rollen pepermunt, maar besloot enkel de tandpasta nog tot zich te nemen. Lijdzaam bezag ik hoe Alfred de tube in zijn mond leeg kneep. Ergens deed het me denken aan het versieren van een taart. Hij trok zijn lip op en smeerde van links naar rechts een klodder tandpasta op zijn boventanden, daarna herhaalde hij de handeling met zijn ondergebit.
Tandpasta leek mij altijd zoiets waar je van aan de schijterij geraakt. Niet bij normaal gebruik, maar wel wanneer je met de gehele inhoud van de tube ineens je mond doet vullen. Zeker was ik daar echter niet van. Ik zou het wel zien aan het toilet, morgen of overmorgen.
Alfred kon zijn tandenborstel niet vinden. Het was een raadsel hoe lang hij zijn tanden niet gepoetst had. Ik opperde dat hij de afwasborstel proberen kon, die was immers nog nooit gebruikt.
‘Kom eens nader’, zei Alfred.
Ik boog mij naar hem toe gelijk hij me een geheim vertellen ging.
‘Hoe is mijn adem?’, vroeg hij nadat hij in mijn gezicht gehijgd had.
De overmaat aan frisheid brandde in mijn neusgaten.


Alfred

Voordat ik de trappen naar de ingang van het stadskantoor beklom zuchtte ik drie maal. Deels om de zenuwen te boven te komen, deels omdat ik Sarah tijd moest geven het huis te kuisen. Ze had wel even gemekkerd dat schoonmaken niet tot haar taken behoorde, maar ik kon mijn droomvrouw toch niet ontvangen in een huis waar tien jaren geen stofdoek ter hande was genomen.
Ik zocht het toilet op, waste mijn klamme handen en bevochtigde mijn voorhoofd. Met twee vingers diepte ik het rijbewijs uit mijn borstzak op en hield het bij de spiegel. Ik vergeleek de man op de foto met mijn spiegelbeeld en probeerde mijn haren te schikken zoals me dat tien jaar eerder ook gelukt was.
De verlichting flikkerde. Men zei dat het iets goeds was, dat er dan grootse dingen te gebeuren stonden.
De buislamp leek weer gekalmeerd. Ik ontdekte een streep van eierstruif op mijn jas, gelijk een boomstam waar een paar eieren op stukgeslagen waren bij hun val uit het nest. Ik deed mijn jasje uit en droeg het over de arm. Voordat ik het toilet verliet en in de rij ging staan zuchtte ik drie keer.

***

Ik kende mijn huis nauwelijks terug. In de gang hing een dennengeur en het toilet deed me denken aan citrusvruchten. In de huiskamer lag geen afval meer. Op tafel stond zelfs een bos bloemen. Niemand zou kunnen zien dat hier tien jaar een man had gewoond zonder een schoonmaakmiddel aangeraakt te hebben, gewoon omdat daar geen reden toe was.
Ik begaf mij naar de keuken, waar Sarah zich ophield.
‘Doe mij een gekookt eitje’, zei ik.
Ze opende de koelkast en wierp me er een toe.
‘En?’, vroeg ze. ‘Hoe ging het?’
Op de deurpost sloeg ik het ei stuk.
‘Och, ze werkte vandaag niet’, zei ik terwijl ik de schaal op de grond deponeerde. ‘Volgende keer beter.’