Romy van der Sande
De 24-jarige Romy van der Sande uit Helmond heeft Write Now! Venlo gewonnen. Het verhaal waarmee zij heeft gewonnen bevat scherpe, herkenbare en uitgewerkte karakters, wat een voorwaarde is voor een goed verhaal, maar wat de jury in andere inzendingen maar zelden is tegengekomen. Romy stelt zichzelf voor:
Mijn naam is Romy van der Sande en ik ben 24 jaar. Dit is het eerste en tevens laatste jaar dat ik meedoe aan Write Now, volgend jaar ben ik helaas te oud. Er is geen bijster originele reden waarom ik mee doe, ik houd gewoon van schrijven. Vroeger vertelde ik mijn zusjes al hele verhalen, die ik opnam op bandjes. Vanwege mijn schrijfgekte ben ik ook journalistiek gaan studeren. Tijdens mijn studie heb ik me vooral op ‘journalistiek verantwoord’ schrijven gestort. Nadat ik ben afgestudeerd en ben gaan werken wilde ik me weer bezig houden met waar het allemaal om begonnen was: het schrijven van verhalen. Daarom volgde ik een cursus bij Tania Heimans. In het begin durfde ik mijn teksten nauwelijks voor te lezen, maar zij heeft me het vertrouwen gegeven om door te gaan.
Het diner
Een heel uur had de soep staan trekken en toch was het prut. Ik had net zo goed Cup-a-Soup aan kunnen bieden, in een mok met theeaanslag aan de binnenkant. Het ergste was nog dat ik mijn gerecht vooraf niet had geproefd. Dus met een stralend gezicht zette ik de soepkommen neer. ‘Dat wordt smullen!’, kondigde ik aan. Na de eerste hap begreep ik dat ik een grote fout had begaan en dat de ‘mmm’s’, en ‘lekker hoor’s’ leugens waren.
Voordeel van de ranzige soep was dat iedereen zich vooral daarop moest concentreren en er van een geforceerd gesprekje dus even geen sprake was. Bij elke hap probeerde ik aan iets heerlijks te denken, zoals chocolade-ijs met van die kleine koekjes erin of de stamppot van mijn moeder, maar zodra er weer een klont aan mijn gehemelte plakte, kon ik niets anders dan zo snel mogelijk slikken. Uiteindelijk lukte het iedereen om in ieder geval een gedeelte van de mislukte kippensoep weg te werken.
‘Nou’, zei Martin die als laatste zijn lepel op tafel legde, ‘dat was erg bijzonder Kelly.’ En hij keek glimlachend in het rond. ‘Wat vinden jullie?’
‘Heerlijk’, zei Merel. Ze bevestigde wat ik al had verwacht, een echte glimlach was bij haar niet te onderscheiden van een ‘fake’ exemplaar.
‘Ja’, stamelde ik, ‘ik hoop dat het hoofdgerecht net zo goed gelukt is.’ Ik schrok van mijn eigen woorden en begon snel de soepkommen op te stapelen.
‘Of nog beter!’, moedigde Liesje me aan.
Ik was blij dat ik even naar de kleine studentenkeuken kon, om me daar te storten op de biefstukjes. Daar kon, zo dacht ik toen nog, niet zoveel mis aan gaan. De luidruchtige stem van Martin drong door de keukendeur en verstoorde mijn gedachten. Altijd zo overduidelijk aanwezig, net vader. Ik liet de eerste twee vleeslapjes in de pan glijden en terwijl ik naar het rondspattende vet keek, bedacht ik dat ik op mijn moeder begon te lijken.
Eén voor één droeg ik de volle borden met vlees, aardappelkroketjes en Griekse salade de kamer binnen. Niemand uit het gezelschap kwam op het idee om mij een helpende hand te bieden. Wel liep Martin zelf naar de keuken om een biertje te halen. Toen iedereen zat en alle borden op het geblokte tafelkleed stonden, hief ik het glas.
‘Op ons!’ En vroeg me af, waarom er de hele avond van die idiote zinnen uit mijn mond kwamen.
‘Op de regenboogfamilie!’, riep Martin. Hij hief het flesje met zoveel enthousiasme boven zijn hoofd dat er kleine bierspettertjes in het rond vlogen. Het had mij niet gepast geleken om alvast een stukje vlees aan te snijden. Dus ook nu kwam ik er pas tijdens mijn eerste hap, en tevens de eerste hap van mijn tafelgenoten, achter dat er wel degelijk iets mis kon aan dit gerecht. De biefstuk was ‘extra doorbakken’ te noemen, of beter nog ‘een doorweekte spons’. We kauwden en kauwden en keken elkaar wanhopig aan, met grote ogen en lamme kaken. Wanneer kwam het moment waarop het geoorloofd was om het kapot geknaagde vlees op ons bord te spuwen? Ik keek naar Martin, want al kende ik hem pas een uur, ik wist zeker dat hij de eerste zou zijn die het opgaf, net zoals ik wist dat ik de laatste zou zijn, die een brij op het bord zou achterlaten.
‘Bah’, zei Martin en een enorm stuk vlees belandde op zijn bord. Hij was gulzig geweest. ‘Nog erger dan het voorgerecht’, lachte hij. ‘Niet gedacht dat dat kon!’
Nu gaf ook Liesje er de brui aan.
‘Heel erg sorry’, zei ze. ‘Maar ik stik zowat.’ En om dat te bewijzen begon ze heel hard te hoesten en tussendoor grote slokken witte wijn weg te klokken, er stond namelijk geen water op tafel. Ik kon niet zeggen of ze rood werd door deze plotselinge grote hoeveelheden alcohol of doordat ze werkelijk bijna stikte. Merel sloeg met een glimlach haar halfzus op de rug, ondertussen behendig haar stukje vlees wegmoffelend in een servetje. Toen de hoest- en zuippartij voorbij was, zei Merel: ‘Het is niet dat de smaak niet goed was, het is alleen een tikkeltje te doorbakken.’
‘We hoeven hier niemand te sparen’, meende Martin. ‘Dit is gewoon goor.’
Het was even stil en ik keek naar mijn bord en vroeg me af waarom ik niet gewoon mijn befaamde macaroni ham-kaas had gemaakt.
‘Wel grappig wat je zei, van die regenboogfamilie. Net een beetje als Madonna’, giechelde Liesje. En ze nam nog een slokje wijn.
‘Het is geen regenboogfamilie’, zei ik bits. ‘We zijn niet geadopteerd. Dat bedoelen ze met een regenboogfamilie, uit allerlei landen en in allerlei kleuren. Kijk maar naar Angelina Jolie.’
‘Nou, daar kijk ik maar al te graag naar!’, zei Martin meteen. En hij sloeg met zijn hand op zijn knie en daarna op zijn bollende bierbuik. Een beetje van zijn witte vel was tussen de knoopjes van zijn zwarte blouse door te zien.
Ik prikte wat in mijn salade, Merel at een aardappelkroketje, Martin haalde wederom een biertje en Liesje trok nog een fles wijn open.
‘We zijn wel een soort regenboogfamilie, cultuurgewijs dan’, zei Martin.
‘Dat is geen woord’, mompelde ik.
‘Lekker die salade’, zei Merel en ze stak haar duim op.
‘Wat bedoel je daar precies mee?’, vroeg Liesje.
‘Dat’, zei Martin en hij wees met zijn vork naar haar. ‘zal ik jou eens precies vertellen. Ik bedoel dat die vader van ons hem in verschillende soorten vrouwen heb gestopt, snap je? Die beroerde kokkin’, de vork was nu op mij gericht, ‘is een halve zigeuner, heb ik van mijn ma begrepen.’ Hij keek even in het rond, benieuwd naar een reactie, maar die bleef uit. We propten alle drie een aardappelkroketje in onze mond.
‘Een kamper bedoel ik’, schreeuwde hij bijna uit. Ik voelde dat mijn wangen rood werden, en ik durfde de anderen niet aan te kijken. ‘Verdedig je’, schreeuwde de stem van mijn moeder in mij. Maar nog altijd luisterde ik naar mijn eigen stem: ‘Ren!’
‘Ik heb ook nog een toetje’, zei ik en stapelde de nog altijd volle borden op elkaar. In mijn weg naar de keuken liet ik een spoor van kroketjes, tomaatblokjes en komkommerschijfjes achter.
Ik smeet de deur iets te hard dicht. ‘Een toetje’, zei ik zachtjes tegen mezelf. ‘Hoe kom ik in hemelsnaam aan een toetje?’ Ik had namelijk verwacht dat we pas tegen een uur of negen, half tien klaar zouden zijn met het voor- en hoofdgerecht. Maar goed, ik had ook verwacht dat het eten verrukkelijk zou zijn en we het allemaal wonderbaarlijk goed met elkaar zouden kunnen vinden. Zo had ik de avond ongeveer voor me gezien: we kijken elkaar aan, herkennen onmiddellijk allerlei uiterlijke kenmerken en karaktertrekken bij de ander en sluiten elkaar in de armen. Waarna we eten, zuipen en lachen en een vriendschap voor altijd sluiten.
Tot zo ver was alles misgegaan. Na het hoofdgerecht, zo had ik me voorgesteld, zouden we arm in arm naar die lekkere Italiaanse ijsbar lopen. Ik had al geld opgenomen, omdat ik wilde trakteren. Maar nu ik met opgeheven hoofd en een spoor aan rotzooi deze keuken was binnen gestormd, moest ik toch werkelijk wel met iets naar buiten komen. En het moest beter zijn dan een stuk gebakken kauwgom. Had de koelkast net nog overvol geleken, na het verpesten van de lappen vlees en het brouwen van de duivelse soep, was er niet veel meer over. De vriezer bevatte alleen een paar halve broden en in diepvrieszakjes gestoken kipfilets. Ik kon niet bedenken hoe ik daar met goed fatsoen een nagerecht van kon fabriceren. Mijn handen trilden een beetje en ik sprak mezelf toe. ‘Blijf rustig.’ De deur achter me werd geopend en weer snel gesloten.
‘Gaat het?’, fluisterde Merel. ‘Wat een boer hè?’ Ik draaide me om en keek haar aan. Ze moest veel aandacht van mannen krijgen, perfect figuur, hippe kleren en grote blauwe ogen.
‘Ja?’, stamelde ik. ‘Is hij een boer dan?’
Ze lachte haar tanden bloot. ‘Bij wijze van spreken.’
‘Bier!’, klonk het vanuit de woonkamer.
Merel liet haar masker even vallen en keek boos naar de deur, alsof die zojuist om een alcoholische versnapering had gevraagd.
‘Wat ga je eigenlijk maken’, vroeg ze, ‘als dessert?’ nog altijd haar hoofd naar de vettige deur gedraaid.
‘Bevroren kip met oud brood’, zuchtte ik. Toen, alsof ik haar de grootste roddel aller tijden vertelde: ‘Ik heb niks in huis.’
Ze draaide haar hoofd terug en giechelde. ‘Ik vind ook eigenlijk, dat we allemaal wat hadden moeten meenemen. Nu moet jij maar overal voor opdraaien, dat kan toch niet?’
‘Het was mijn idee’, verdedigde ik, tja wie? Terwijl ik het zei, vroeg ik me af waarom ik eigenlijk met dit idee was gekomen. Maar ik bedacht dat het vooral iets te maken had met het feit dat ik in een nieuwe stad was komen wonen en tamelijk vriendenloos door het leven ging. Merel opende de koelkast en schoof wat dingen aan de kant. Ze stak haar arm uit, een bruin potje in haar hand.
‘Gooi dit maar weg’, zei ze. ‘Drie maanden over datum.’ Ze klonk een beetje als een strenge schooljuf. ‘Pannenkoeken, we maken gewoon pannenkoeken.’ De deur ging weer open, aan de ademhaling hoorde ik het al, zelfs die was te overduidelijk aanwezig.
‘Ik riep toch bier?’, zei Martin.
‘En wijn!’, klonk het vanuit de woonkamer.
‘Pak het zelf’, mompelde ik.
‘Ja, wat denk je dat ik hier doe? Wat ga je nu weer maken chefkok?’
‘Ik heb een geniaal idee’, klonk het vanuit de woonkamer. ‘Zullen we dadelijk strippoker doen?’
Die suggestie weerhield Martin ervan bier te graaien, hij draaide zich direct om, tijdens die plotselinge beweging viel een vaatje zout op de grond.
‘Cool!’, brulde hij.
‘Het is je halfzus, gek’, schreeuwde ik tegen zijn rug.
‘Kom Martin, even naar buiten, we zijn aan het koken’, zei Merel, nog altijd geduldig, alsof ze een klein kind toesprak. Ze duwde tegen het dikke lijf van Martin, die mopperend ons domein verliet.
Ze sloeg de eieren kapot en vroeg om een mixer. Gehoorzaam reikte ik de zaken aan, die blijkbaar gezamenlijk een pannenkoek konden vormen. Ik vroeg me af waarom ik dat soort dingen niet wist en nam me voor dit heel goed te onthouden. Even hoorden we alleen het geluid van de mixer, ik sloot mijn ogen en voelde nu pas hoeveel hoofdpijn ik eigenlijk had. Op commando liet ik de boter in de pan zinken. In de woonkamer klonk gegiechel.
‘Niet doen’, zei Liesje, op een manier die eigenlijk verraadde: ‘Doe het wel, en snel.’
‘Drankorgels’, siste ik.
‘Ze drinken misschien wel van de zenuwen’, zei Merel. Maar het klonk niet erg aannemelijk. Ze liet het mengsel in de pan vloeien.
‘Voor wie is deze eigenlijk?’, vroeg ik.
‘Ik denk voor Martin’, zei Merel, en ze keek weer boos naar de dichte deur. ‘Anders gaat ‘ie vast brullen.’ We keken elkaar samenzweerderig in de ogen. ‘Een boer’, mompelde ik. Merel glimlachte geheimzinnig naar me en zei op zachte toon: ‘We zullen hem een pannenkoek geven die hij nooit meer vergeet.’
