Veerle Piette
De 17-jarige Veerle Piette uit Riemst heeft Write Now! Leuven gewonnen. Volgens de jury was het thema van de tekst waarmee zij de voorronde heeft gewonnen zwaar, maar de zware onderwerpen lijken terloops gebracht, met lichtheid en luchtigheid zonder dat het leeg wordt. Een inzending ook, waarbij er serieus en goed over de constructie is nagedacht. Veerle stelt zichzelf voor:
Veerle Piette, 17 jaar oud. Studeert Woordkunst-Drama in Leuven. Houdt ongelooflijk veel van: toneel en alles wat daar mee te maken heeft, schrijven, lopen, tekenen, schilderen en vrienden overvallen met ribbenkrakende knuffels of plakzoenen. Heeft Griekse tenen. (hele lelijke)
Zonder titel
Vlak voor ze was ingestapt, was haar oog op iets tussen het spoor gevallen.
Het was bedekt met veren en met de inkt waarmee het leven je ten dode opschreef.
Raar
had ze gedacht
Hoe alles
zo
kapot
kan gaan
dat het niet meer te maken valt
Veel meer was er aan haar ook niet meer te breken: de wereld bekeek ze al jaren door een venster en van haar horen bleef alleen nog haar eigen denken over.
Wat ze die avond zag: het deinen van de tram als een schip op woeste zee, de diamanten die in hun oren haakten en hun schijnbare drang om als wandelende sieradenwinkel door het leven te gaan.
Straatlantaarns die voorbij fladderden, het licht dat tevergeefs de schemering aanviel.
Hun gezichten flakkerden vluchtig op, en zo zag ze: lippen. Een pet of bontkraag bedekte de rest van hun gelaat. Ze zaten achteraan, zij vooraan. Ze was daar niet alleen, schuin tegenover zich zag ze: een man. Een deftig pak. Een krant.
Ze las: twee doden, één ongeluk.
De trambestuurder deed de remmen gillen als opgewonden tienermeisjes. Dat hoorde ze niet.
Evenmin het fluisteren dat bij het in haar richting wijzen hoorde of het geroep dat de tram werd ingeslingerd. Niet het gelach toen één van hen de vingers in de oren propte en zijn tong als een slappe handdoek uit zijn mond liet hangen.
Ze was die dag, zoals elke dag, bij haar man op bezoek geweest.
Er was taart geweest. En koekjes.
Daar is het altijd feest
dacht ze
maar alleen de slingers dansen
op het ritme van de airco
Er is drank
en er zijn pillen
maar ze worden geserveerd in plastieken drinkbekers
en doosjes met de dagen van de week erop
Er wordt gespoten
door personeel in pakjes
even kleurrijk
als het bestaan van hun patiënten
Daar is het altijd feest
De man keek even van zijn krant op. Het groepje jongeren dat daarnet achteraan nog een stel hangplanten imiteerde, leek toch enkele tekenen van leven te vertonen: ze schreeuwden brutaal opmerkingen naar de vrouw die een paar plaatsen verder zat. Het geel van haar trui brulde even hevig terug. Ook al leunde haar smaak meer naar die van een kleurenblinde kleuter, het krommen van haar rug verried dat zij zelf al meer naar winter helde.
Vergeten
is het mooiste woord
dacht ze
Je kunt er
zonder het te beseffen mee bezig zijn
of niets liever willen dan
Er zijn zoveel vormen van
je kunt je sleutels vergeten op de trein
of gedachten verliezen
in het najaar van een leven
Haar man, die harkte wanhopig bladeren bijeen.
Hij harkte al hun herinneringen tot hopen, maar steeds weer blies de wind ze weg.
Nu zijn zijn haren wit
dacht ze
wit
als de regels tussen mijn zinnen
En breekt hij langzaam zijn tanden:
de taal is hem te taai geworden
Hij houdt haar liever binnensmonds
Vroeger
vroeger draaide daar in zijn hoofd
een luxebordeel
voor woordenlopers
maar zij
de enige
die zich ertegen aan mocht vleien
ging liever naar de supermarkt
daar waar ze boodschappenlijstjes
tot poëzie vereerde
daar waar brood nog gewoon brood was
geen belofte aan kruimels.
Opeens deed een klap de man met de krant opschrikken, hetgeen hij daarna van het raam zag druipen zo mogelijk nog meer. Voor het beest uit zijn gezichtsveld verdween, maakte het met zijn vleugel nog een spastische beweging. Alsof het een laatste keer gedag wuifde. Hij trok werktuiglijk zijn das recht en keek rond. Vond het bewonderenswaardig dat het vrouwtje nog steeds onverstoorbaar bleef zitten, ook al werd ze vanaf de achterste rij met kauwgom en propjes papier gebombardeerd. Ze misten haar op een haar na. Het was bijna alsof ze met dit alles niets te maken had.
V - e - r - g - e - t - e - n.
In haar hoofd leek het uiteen te brokkelen tot stukjes taal.
Die vielen nog te lijmen.
Ze wou dat ze hem kon verliezen zoals ze dat met sleutels kon.
Plots beseffen dat ze hem lang geleden had achtergelaten, als deuren niet meer openden, dan pas. En niet op zoek gaan, maar de reservesleutel gebruiken.
Ze hoorde niet hoe er voetstappen achter haar weerklonken.
Ze hoorde niets van het crescendo aan gelach.
Ze zag: schaduwen die over haar schoot kropen.
een spel
van licht en donker
dacht ze
Toen de man een tijdje later weer van zijn krant opkeek,
waren er de jongens, in een cirkel om het vrouwtje heen.
Waren er handen die haar huid schuurden.
Er was de vanzelfsprekendheid waarmee ze zich van haar stoel liet trekken,
het ritme van hun klappen en het stampen op de vloer.
het tollen van arm naar arm,
hier is het altijd feest.
Als kruimels van een broodplank, zo licht leek ze te vallen.
Ze zag: hun lippen, waaraan nog restjes gegrijns.
Ze zag: voetzolen die raakten als donker aan licht
Ze zag: de krant, stukken papier die als herfst over haar heen dwarrelden.
En ze wou harken,
harken alsof haar leven ervan af hing,
maar ze dacht
vallen is eigenlijk ook maar een soort van vliegen
en de klap komt altijd onverwachts
ook al weet je dat er ergens een einde schuilt
vergeten
dacht ze
woorden
die gingen niet kapot als mensen
de taal
die bleef altijd bestaan
van de doden rest op den duur
alleen nog maar
hun naam
raar
dat dacht ze
v - e - r - g - e - t - e - n
En daarna niets meer.
Ze hoorde niet hoe het gelach verstomde
hoe de remmen knarsten als tanden op elkaar
Later zou de man verklaren dat de vrouw opeens onwel werd en het bewustzijn verloor.
De jongens waren naar haar toegesneld.
Hij had aan de noodrem getrokken en was daarna uitgestapt.
De volgende dag zou hij in de krant lezen: één dode, een ongeluk.
