Yannick Dekeukelaere

De 22-jarige Yannick Dekeukelaere uit Antwerpen heeft een Wildcard weten te bemachtigen. Yannick behaalde de tweede plaats in de voorronde van Roosendaal. Volgens de jury is zijn taal zintuiglijk en beeldend, de stijl is beheerst en zijn slimme ideeën over de wereld, weet hij te vatten in subtiele terzijdes. Yannick stelt zichzelf voor:

Onlangs vroeg een prof me voor een volle aula naar mijn literatuuropvatting. Om me niet aan te stellen zei ik er geen te hebben. De prof drong echter aan, zodat ik antwoordde van eenvoudige woorden in eenvoudige zinnen te houden. Daar werd, geholpen door mijn gespeelde nonchalance, wat om gelachen. Zo weet je dus dat ik van klare taal hou en dat ik student ben. Studeren en wonen doe ik overigens in Antwerpen. Tussen concertjes, pita’s, boeken, dronken fietstochtjes en ander studentikoos gehannes door schrijf ik wel eens wat. Voor het tweede jaar op rij al wordt dat door Write Now! gewaardeerd met een finaleplaats.


Twee meisjes

Tevergeefs zoekt Sophie in haar handtas naar een muntstuk om een winkelwagentje mee los te maken. Even lijken de voornemens die de boodschappen voorafgaan onuitvoerbaar. Geen pasta bereiden, geen badschuim in het water, geen benen scheren…
Zonder te weten waarom draait Sophie zich om: de rug naar de wachtende superette, het gezicht naar het verlopen pleintje waar als een zijsprong van de grote laan een straatje omheen loopt. Alsof een oplossing aan de overkant van dat pleintje ligt: bij de krantenwinkel op de hoek, bij het bankfiliaal ernaast, of bij de ooit moderne laagbouwkerk waar zowel zij als haar zus meer dan twintig jaar geleden ongevraagd in de geloofsgemeenschap werden opgenomen.

Wachtend tot de automatische deur volledig naar binnen geopend is, slaat Sophie het elektronische schommelpaard bij de inkom van de superette gade. Ze zou zich in herinneringen weer meegrinnikend op dat paard willen zien zitten, maar sneller dan de heimwee weet ze al dat dit metalen speeltuig niet meer is dan een toevallig residu uit een reeds ontmythologiseerde kindertijd.
Nadat Sophie een plastieken boodschappenmandje uit de stapel heeft gehaald, volgt ze haar eerste passen in de winkel zwartwit op het televisiescherm boven haar, tot ze eronderdoor loopt. Zoals ze gisteren al deed, en morgen weer zal doen, verzamelt ze de groenten voor de spaghettisaus. Er zijn echter ook dagen waarop ze zich thuis - reeds met de sneakers aan om naar de superette te vertrekken – bedaard, misschien wel lijdzaam, afvraagt waarom ze moeite gaat doen. Ze is immers ook voldaan met wat brood, een reep chocolade en een potje magere yoghurt, dus blijft ze thuis en kookt ze eenvoudig niet. Dan neemt ze in de keuken in de hoek van haar studio het brood, de chocolade en de yoghurt en eet die aan de salontafel op terwijl ze in kleermakerszit van kanaal één tot negenenzestig zapt en op het einde in de andere richting van negenenzestig weer naar één.
Uit liefde koopt Sophie de merken die ze kent. Wanneer op vakanties de hele familie plots pastis drinkt en brie bij het stokbrood eet, vindt Sophie affectie bij haar cola en haar chocolade die overal voorhanden zijn. Ook in de broeierige, zuiderse stad waar ze zes maanden geschiedenis studeerde, of eerder nog, toen ze aan de andere kant van de oceaan haar nichtje in zich droeg, leerde Sophie reeds dat onvoorwaardelijke geborgenheid in de winkelrekken ligt. Vaak per drie plus één gratis.
Hoewel ze als enige aan de toonbank van de fijnevleeswaren staat, trekt Sophie toch een roos nummertje uit het toestel. Vierenveertig staat erop.
‘Wat zal het zijn voor u?’ vraagt een volslanke dame met wit slagershoedje op. Een dame die zich tussen het diëten door lepeltjes van de varkenspaté gunt. Sophie kijkt zoekend langs haar heen naar het digitale bord aan de muur dat zesendertig aangeeft. ‘Het is niet aan mij, mevrouw,’ merkt ze op.
‘Zeg het toch maar,’ antwoordt de dame, zodat Sophie honderd gram salami bestelt. Na het snijden overhandigt de vlezige vrouw haar het papieren pakje en kijkt ze door Sophie heen. In tegenstelling tot bij haar zus, in een nieuw huis in een nieuwe straat in een nieuw land, waar haar zwangere buik en heilzame vitaliteit de lof en de waardering van vrouwen in die straat, het kapsalon en de countryclub opwekten, lijkt ze hier meer dan ooit genegeerd te worden. Alsof ze nooit een moeder is geweest. Alsof ze nooit meer geweest is dan een middelmatige geschiedkundige die vruchteloos tracht uit te zoeken wat de toekomst voor haar kan betekenen.
Sophie zet haar boodschappen op de band bij de kassa. Achter die kassa zit een meisje met afwisselend blauw en zilver gelakte nagels. Om de spullen te scannen legt ze haar roddelblaadje even naast zich neer. Met de regelmaat van haar ademhaling smakt een kauwgom met kersensmaak in de mond van de kassierster. Ze laat de koopwaar door haar handen glijden: grijpen met de rechterhand, scannen met de linker. Langzaam strijkt ze een lok van haar bordeaux gekleurde haren weer achter het oor en vanonder de wimpers bekijkt ze haar klant om dan de handeling te herhalen tot alle producten van de band zijn. ‘Veertien euro, eenendertig cent, alsjeblieft.’

Met in elke hand een gevulde, plastieken zak waarvan ze vreest dat ze zullen doorscheuren alvorens ze over de grote laan naar huis is gewandeld, verlaat Sophie de superette.
Op het voetpad staat een winkelwagentje met een kind in het kinderzitje. Verder is het plein leeg en ook de stilte van de buurt wekt een indruk van verlatenheid. De schijn van een plots ingevoerde siësta hangt over de voorstad.
Sophie zet haar broze boodschappentasjes behoedzaam in het ijzeren wagentje neer. Bij het kreunen van de wieltjes die ze in de richting van de grote laan draait, weerklinken in Sophie haar hoofd de sussende onomatopeeën die vriendinnen en collega’s over de kribbe gebogen uitten.
Om de hoek van het plein wandelt Sophie parallel met de tramsporen mee tot ze ter hoogte van een zij-ingang van het park komt. De weerzin op het gezicht van het kindje zet zich om in huilen wanneer zijn wagentje onstuimig over de sporen wordt geduwd. ‘Braaf kindje,’ tempert Sophie, het wagentje voortduwend vanuit haar onderlichaam. Eens in het park stopt ze bij het oude, door heester overwoekerde jagershuis. Ze neemt het kindje uit het zitje en aait en masseert teder de fluwelen kledingsstof die om de door een luier vergrote billetjes zit. Terwijl ze schuddend met de rug op-en-neer gaat om zichzelf en het kleintje in hetzelfde ritme te krijgen, één te maken, kijkt Sophie gedachteloos naar de jeu de boules-baan met de bejaarde mannen, naar het verkeerspark waar een klasje met gocarts rondrijdt en naar de twee verscholen, rode tennisvelden waar ze een zomer of vijf geleden, bewust kortgerokt en zwetend, met de man van haar zus heeft getennist. Een man die haar later een laptop zou kopen nadat zijn zaad met succes bij haar werd geïnsemineerd.
Het kleintje komt tot rust. Het graait nu naar de boezem van Sophie, wrijft het hoofdje tegen haar borsten aan. Ze houdt het kindje met haar rechterarm tegen zich aangedrukt. De vrije linkerhand schuift de rits van haar vestje naar beneden en haar arm manoeuvreert zich onder het schouderbandje van haar topje door, zodat een borst vrijkomt. Met de melktanden tegen de tepel en de lippen er rond zuigt het mondje ijdel tot een traan uit Sophie haar rechterooghoek rolt. ‘O, dat is zo lang geleden,’ zegt Helena na enige aarzeling met haar hand op de rug van de moeder. ‘Is dat jouw kindje? Ik wist daar helemaal niets van.’ Helena zet haar grote zonnebril op haar hoofd. Haar ogen gaan glinsterend heen en weer van de baby naar de moeder.
‘Judith,’ zegt Sophie, ‘dat is haar naam. Judith.’ Ze steekt haar arm slordig weer in de mouw van het vestje.
‘Nee, ik wist dat echt niet. En hoe oud?’
‘Eén.’
‘Net één?’
‘En drie maanden.’
‘Zeg, wat een flink kindje.’ Helena pauzeert even. Haar blik dwaalt af naar de tepel die nog steeds zichtbaar is. ‘Jij komt blijkbaar van de winkel?’ Sophie kijkt naar het winkelwagentje en zet het kind weer in het zitje. ‘Ik moet straks ook nog boodschappen doen.’ Weer reageert Sophie niet. ‘Dat is nu jammer, maar ik moet dus echt door.’ Helena houdt haar sporttas omhoog. ‘Ik heb om vier uur afgesproken om te gaan tennissen.’ Helena geeft Sophie en het kindje een kus op de wang. ‘En doe de groetjes aan je zus.’
Nadat de oude kennis weg is gewandeld, zet Sophie zich met zicht op het jagershuis op de bank met de minste vogelpoep. Ze legt haar rechterhand op het handvat van het winkelwagentje en duwt het vooruit tot haar arm gestrekt is. Dan trekt ze het wagentje weer wat naar zich toe, om het vervolgens weer weg te duwen. Wederom jammeren de wieltjes. Ze verraden de stroeve cadans waarmee Sophie voor zich uit starend vergetelheid probeert te creëren.
De deur van het jagershuis wordt geopend. Een parkwachter stapt met een gsm tegen zijn oor naar buiten. Zijn blik doorzoekt het park. Hij ziet de jeu de boules-baan met de bejaarde mannen, het verkeerspark waar een klasje met gocarts rondrijdt, de twee verscholen, rode tennisvelden waar Helena haar trainingsvestje uittrekt en dan ziet hij Sophie, het winkelwagentje en het kind. ‘Ja,’ zegt hij in de gsm, ‘ik zie ze.’
Sophie ontwaakt uit haar roes. Ze staat op en neemt de tassen met haar boodschappen uit het wagentje. Het kind volgt haar handelingen met grote ogen.
Over de hoofdweg van het park joggen mannen en vrouwen met of zonder mp3-speler op. Aan een picknicktafel bij de speeltuin praten enkele zwartgesluierde vrouwen druk met elkaar. De ene zegt iets, de andere schudt het hoofd. Op de picknicktafel staat een hele boel eten. Vliegen zwermen er omheen. Sophie wandelt voorbij de vijver waar grootmoeders met kleinkinderen niettegenstaande het verbodsbord de eenden voederen. Na een voetbalveld en een korfbalterrein te passeren, verlaat ze het park aan de andere kant van waar ze binnen is gekomen.

 

Sophie wil gaan zitten waar ze staat en alle besef van tijd verliezen. Omdat de voetgangers gehaast zijn en omdat het verkeer op de weg zenuwachtig is, denkt ze dat de werkdag ten einde loopt. Ze heeft er moeite mee zich voor te stellen wat dat is, een werkdag. Ze kan zich eveneens moeilijk voorstellen dat al die licht mankende mensen op de steenweg waarover ze huiswaarts loopt, iets nuttigs doen. Mensen die manken vanwege de krampachtigheid waarmee ze zich definiëren in pleonasmen en tautologieën, in een poging te verdoezelen dat hun rol in de epiloog waarin ze wandelen, winkelen, eten en plannen volkomen overbodig is. Wat proberen ze te handhaven, vraagt Sophie zich af. Ze wil weten waaraan zo vastberaden wordt vastgehouden en terwijl het werkwoord ‘vasthouden’ uit haar mentale lexicon wordt geplukt en vervoegd, versterkt ze haar grip om de hengsels van de boodschappentassen.

Sophie steekt de straat over en opent bij haar appartementsgebouw moeizaam de afgeleefde, glazen voordeur die ietwat verloren tussen een overdag geopende nachtwinkel en een kapperzaak ingesloten zit.
In haar studio zet Sophie de inkopen op de eettafel die ook bureau en salontafel is en gaat met haar ogen reeds gesloten voor haar rug de dons voelt, languit op het bed dat ook zetel is liggen. Honger en koude doen Sophie twijfelen of ze weer op gaat staan om onder de deken te kruipen of om de groente voor de spaghetti te snijden. In die besluiteloosheid opent ze haar ogen helemaal en haar mond een beetje. Het plafond is voornamelijk wit met af en toe een vale plek. Een vlieg tekent rechte hoeken rond de luster. Sophie draait zich op haar rechterzij, zodat ze de naderende vlieg in haar linkeroor hoort zoemen. Haar keel is droog en door de neus ademen gaat moeizamer dan gewoonlijk. Na nog een kwartdraai begraaft ze haar gezicht in de klamme hoofdkussens. Haar armen liggen levenloos langs haar heen terwijl ze met de hielen haar schoenen uitduwt. Een vlieg, waarschijnlijk dezelfde, zet zich kriebelend op haar voetzool, waarop Sophie in een reflex haar knie wat plooit en kort in de matras trapt. ‘Judith,’ fluistert ze. Haar handen graaien nerveus in de deken. ‘Judith.’ Zo hard als ze kan duwt ze haar voorhoofd in de hoek die het bed en de muur maken. Sophie trekt nu aan de deken, worstelt ermee en trapt nog een keer en nog een keer en dan razend, de benen schuddend uit haar bekken, in de matras. Bijna buiten adem schreeuwt ze nog een keer uitzinnig de naam van het kind de hoofdkussens in: ‘Judith!’
Happend naar adem veert Sophie op. Omdat ze recht zit, is het bed nu zetel. De vlieg trekt weer rechthoeken rond de luster.
Uit de lade onder de microgolfoven haalt Sophie het grootste mes. Alvorens de groenten te snijden zet ze de radio aan. Een opgetogen lied vult de kamer. Zachtjes neuriet ze mee.