Judith van der Wel

Het was honger

Ik vond je middenin een wei.
Je zei om weg te zijn.
Ik moest je zien, het was honger.

Ik wilde samen eten en je ogen
zouden de thee wel zouten maar ik
kon me vouwen als een zakdoek.

We liepen door het koude land
te lachen, dat vergat je. Niet het
dorpscafé, het prutsen in de kaars.

Ik begreep je afgebeten nagels,
klemde je blik vast, dichterbij.
Je vertelde van alles teveel

zei je later. Nieuw broodje,
nieuwe thee, tong verbrand.
Langzaam schoof je achteruit.

Dat kun je niet doen, riep ik.
Je keek op en zette de kop neer.
Hap zei de horizon en je was weg.


Jefta’s jong

Ze droeg haar witte jurk van maanden
werk als een geplukte kip. Er zat zand
in haar haren, de tamboerijn was stuk.

Ga je mee naar de bergen voor ik doodga?

Ik duwde mijn was onder water
en zei je vader is net terug.
Waarom zou je doodgaan?

Er stonden stenen in haar ogen.
Ik wrong mijn was zo hard ik kon.
Wat neem je mee? Ze wees:

water, kleren. Maak je niet mooi,
maak het niet zwaar, haast je.
In de lucht vloog een adelaar

onder zijn jongen om de pluizen
op te vangen. Wij klommen op.
Er was geen vader te bekennen.
Je kunt een knoop verliezen
Ik weet niet waar
ik ben en of je zoeken moet.

Je kunt een knoop verliezen
en dan doorlopen en ook
je planten kunnen bijna dood
voor je water haalt.

Het geeft niet, het beweegt niet.

Op de muren hier zijn muggen
doodgeslagen. Ik staar ernaar
en zoem, zeggen zusters,
de woorden die ik wilde vormen.

Het zegt niets, het doet niets.

Ik bloed voor de muggen,
zuig mijn rietje, zuig mijn brood.
Ik ben mooi met rode lippen,
heb een fruitmand, ruik het bos.

Het lachen ligt vlak als huilen.

Ik wil niet horen vragen wat dit is.
Dit bestaat, een plek waar je niet komt.


Arachne

Ze spon zich uit zichzelf
tot steeds dunner draad
en glinsterde lichter
dan ze ooit geboren was.

Ze sliep te diep voor dromen, gevallen
uit het bed, de kleren om haar heen.

Ragfijn lag ze op de grond
prinses tussen de spinnen
die weven wat ze weten
maar hoger zonde vinden.

Er lag rijp op haar lippen
en we bliezen haar warm
en sloegen haar rood. Sorry,

zei ze. Boven zich zag ze hoofden schudden.


Dijkland

Het ligt er nog hetzelfde bij,
oud land met zwakke dijkjes –
veteranen die de zee al niet meer zien.

Mijn moeder heeft de pijpenkoppen
in mijn tas gestopt van de monnik
die in onze tuin heeft staan roken.

Hij wierp dijken op. Achter zijn schouder
trokken mijn knuistjes witte koppen
uit de klei en ik riep kijk! in een nieuwe wereld.

Vroeger was ik achter de dijk gehouden,
tussen spartelende vis gedrukt: schoonmaken!
Nu ga ik, bijna zomaar. Ik heb het gezegd.


Dus

Vroeger was ik bang voor je
sigaret, losse armen in zakken
en die verveelde ogen
in het groepje op de hoek.

Ik moest erlangs, op het gelach af
schuifelen: heb ik wat van je aan,
trut? Je droeg een trainingspak
en kleedde me met je ogen uit.

Je pak is zwart geworden. Ik sla
mijn wimpers niet meer neer, smoor
me in je sigaren, trek je aan je das
dichtbij tot je aan mijn lippen komt:

duss…

We dansen. Alles draait zoals het moet.
Ik leid en lach je uit tot buikpijn toe
en adem op. Koud sta ik in mijn zweet
en hoor mij iets zeggen.


Hoe u staat

Het is hoe u staat
hoe moet ik het zeggen
niet mooi deze woord
het doet niet goed.
Zet u toch opnieuw neer,
recht. Verbeeld u een boek
op uw hoofd en steek uw nek
uit tot u erin zit.

U zou uw armen anders
moeten laten hangen,
even lang en evenwijdig
gracieus en gelijkzijdig

zoals wij. Het is niet
dat ik zeg dat uzelf,
maar uw beeld stoort.
Niet erg, geen kritiek, maar

het is goed dat ik het zeg,
u staat beter authentiek
bij uzelf vandaan.

O, u kunt er net niet bij.