Bram van Leeuwen

‘Ben je levensmoe?’ Wat? Wat is dat nou weer voor een vraag? Ik zag twee intens lelijke, goedkope schoenenreus-stappers, onmisbaar in de garderobe van iedere agent, een centimeter of dertig bij mijn gezicht vandaan staan. Levensmoe? Ik lig gewoon even lekker met m’n bek op het koude asfalt. Net toen ik op wilde staan om de agent eens even flink de waarheid te vertellen, voelde ik dat ik aan m’n armen opgehesen werd, hup, zo weer op m’n pootjes terecht. En toen stond ik daar maar, tegen het verblindende licht van z’n zaklamp aan te grijnzen. ‘Jezus…’ mompelde de agent en ik hoorde ik z’n collega een vrouwelijk, verafschuwd kreetje inslikken. Mijn smoelwerk moet op z’n zachtst gezegd niet om aan te gluren zijn geweest. Een hoogst onappetijtelijk samenspel van blauwe ogen, losse tanden en een fikse snee van m’n voorhoofd tot halverwege m’n kin, dat nog enigszins de indruk probeerde te wekken ooit een gezicht geweest te zijn.

Ik voelde me eerlijk gezegd fantastisch. Ik had me door twee uitsmijters de kroeg uit laten jonassen en was direct daaropvolgend vijf gasten te lijf gegaan, waarvan er één had geroepen dat ik een kutkakker was. Ofzoiets. Ik wist natuurlijk niet precies welke van de vijf het had geroepen, maar zoals mijn vader altijd zei: better safe than sorry! Dus alle vijf een fikse tik op het snuitje gegeven. Het is verstandig om je vervolgens vrij haastig uit de voeten te maken, maar dat had ik verzuimd. Lekker met m’n handen in de zakken van m’n overjas luidkeels zo’n flikkerlied van ABBA ingezet, en dan maar kijken hoe lang je kunt blijven staan.
Het is vreemd hoe de pijn van de ene doffe klap na de andere juist zo verdovend kan werken, en je tegelijkertijd zo goed kan laten voelen dat je leeft. Heerlijk! Hier had ik weken op gewacht. Op een gegeven moment hoor je alleen nog maar gesmoorde tikken en een oorverdovend gesuis van het bloed dat door je hoofd raast en langzaam je mond vult.
Bloed is één van de weinige dingen die je met al je zintuigen tegelijkertijd kunt waarnemen. Dan wordt het pas echt intens. Bloed. Je hoort het, proeft het, voelt het, ruikt het, en als je even je hand onder je neus houdt, sta je binnen no time naar een handpalmpje vol te staren.
Ze hielden pas op met slaan toen ze doorkregen dat ik niet ging ophouden met lachen, en ze keken alsof ze moesten kotsen toen ze hun gezamenlijke creatie in het licht van een lantaarnpaal zagen.

‘Levensmoe?’ vroeg ik aan de zaklamp. ‘Hoe kan ik nou moe zijn van iets wat me tot nu toe geen druppel energie heeft gekost? Ik ben nog lang niet levensmoe, ik ben juist de hele avond bezig geweest om levenswakker te worden!’
De zaklamp keek me aan als koning eenoog in het land der duisternis. Het was een paar seconden doodstil en toen knipte de zaklamp uit. Eindelijk kon ik weer zien wat er om me heen gebeurde en waar ik was. Eerst maar eens een sigaret. Met m’n bebloede vingers frommelde ik een platgedrukt pakje uit m’n binnenzak en propte een sigaret ergens tussen een snee en een zwelling tussen mijn lippen. Ik stond midden op een kruispunt. Vlak voor me stond een politieauto en op de plek waar mijn gezicht had gelegen lagen een paar mooie ronde bloedspetters. De vrouwelijke agent zag ik in de auto zitten en de agent met de zaklamp stond achter het geopende portier iets tegen haar te fluisteren. Ik ben zelf iemand die nooit fluistert. Het tegenovergestelde van nooit fluisteren is altijd schreeuwen. Is iemand die nooit fluistert, automatisch iemand die altijd schreeuwt? Nee. Iemand die altijd fluistert, is wel per definitie iemand die nooit schreeuwt. En iemand die altijd schreeuwt is iemand die nooit fluistert. Maar andersom geldt dat dan weer niet. Gek he? Maar goed. Toen ik wel weer uitgespeeld was met die gedachte, besloot ik dat het waarschijnlijk het slimst was om er maar weer eens vandoor te gaan. Ik begon me behoorlijk te vervelen. Waar was ik gebleven? Het ‘levenswakker’ worden was een redelijk zware opgave voor me geweest. Écht voelen dat je leeft is zo makkelijk nog niet. Ik moet u vertellen dat de weken die de aanloop vormden naar deze avond nogal vreemd waren geweest.
Ik was zeer succesvol in het schrijven van reclameteksten voor de nieuwe geuren en parfums van grote modehuizen, en die stukjes schreef ik in mijn kantoor op de bovenste verdieping van het kasteel van kapitein Haddock. Van Kuifje, u kent ‘m wel. Ik verdiende bakken met geld en voelde me op alle fronten totaal overgewaardeerd, totdat ik doorkreeg dat het allemaal te lang duurde om een grap te kunnen zijn, waardoor ik wel tot de conclusie moest komen dat ik daadwerkelijk fantastisch was. Vanaf dat moment besloot ik om in ieder geval overal te laat te komen. ‘Ja sorry dat ik wat later ben, ik stond nog even een kwartiertje met de spiegel te tongen.’ Maar er gebeurde niets. Niemand werd boos. Thuis hadden ze zonder morren een wachtkamer moeten inrichten en ik dacht dat het dan wel leuk zou zijn om daar dan een levensecht wassen beeld van mezelf neer te zetten dat iedereen hartelijk welkom heette.
Na een tijdje gingen mensen steeds minder bellen. Ik belde überhaupt nooit iemand, dus dat werd al gauw lekker rustig. Uiteindelijk werd ik ook nergens meer uitgenodigd en had ik, behalve mijn werk, niets meer te doen. Werk was ook nietsdoen, want ik schudde die tekstjes zo uit m’n mouw. Dus dan maar drinken! Alles de vernieling in! Ik sliep niet meer, at nauwelijks meer. Ik veranderde in een eenzame gek die ’s ochtends vanuit de kroeg z’n kantoor binnenstruikelde en ’s avonds vanuit kantoor de kroeg binnenzwalkte. De liters wodka waren niet aan te slepen. Ik maakte met iedereen ruzie, foeterde het personeel uit en ik vond het leuk om de hele tijd over de bar te lopen als ik naar de plee ging of ruzie ging maken met willekeurige aanwezigen. En aan het eind van de avond liet ik me steevast de kroeg uitsmijten. Wat ik heel leuk vond om te doen, als ik geen bier meer kon drinken, was met een meisje gaan praten en dan telkens als zij aan het woord was een dikke straal pils in haar decolleté spugen en dan kijken hoe lang ze bleef staan. Ik had me voorgenomen om een meisje te versieren door simpelweg honderd recepten met guacamole op te dreunen, en mijn favoriete openingszin voor suffe wijven was: ‘Hé schat, kan ik jou misschien blij maken met een dooie mus?’

Maar vandaag was alles ineens anders. Ik voelde me al de hele dag alsof ik in een aquarium zat. Alles klonk dof, ik zag alles alsof ik achter matglas zat. Niets drong echt meer tot me door. Ik voelde niets meer, behalve de pijnlijke steek van een enorme, onzichtbare injectienaald vol eenzaamheid die langzaam in me leeggespoten werd.
Ik had mijn benen over elkaar geslagen op mijn bureau liggen toen het besef me te binnen schoot als een kogel door m’n kop: ik was de meest verloren persoon op aarde. Ik weet niet meer waarom, maar ik pakte een pen en tekende een koekenmannetje aan de binnenkant van mijn linkerhand, compleet met knoopjes op z’n buikje en hele lieve oogjes en ik tekende een klein tekstwolkje naast z’n gezichtje en hij fluisterde heel lief ‘I love you…
Hup! De kroeg in, godverdomme! We maken ter plekke een einde aan deze ellendige eenzaamheid! Ik kwam er al snel achter dat niemand meer bij me in de buurt durfde te komen en dat er niet tegen mijn eenzaamheid op te zuipen viel. Bij wijze van afscheid klom ik maar weer op de bar om de spoelbak vol te pissen en toen was daar het moment waarop de uitsmijters me eruit jonasten, puur als variatie op de 101 andere keren dat ze me eruit geslingerd hadden. Ik had de vijf jongens die bijna moesten kotsen van mijn gezicht in het licht van de lantaarnpaal vriendelijk uitgezwaaid met mijn koekenmannetje. Toen ik de binnenstad uitliep, moest ik ineens zó hard lachen dat ik ervan moest huilen. En toen keek ik door mijn tranen naar het koekenmannetje (I love you…) en toen moest ik zó verschrikkelijk hard huilen dat ik er weer van begon te lachen. Heel verwarrend allemaal. Op een gegeven moment waren alle lichten enorme wazige rode en gele stippen geworden en ik kreeg ik weer een overweldigende slappe lach die tegelijkertijd een onstelpbare huilbui was, zodat ik niet meer op mijn benen kon staan en mijn gehavende gezicht op het koude asfalt vlijde.

‘Ben je levensmoe?’ Ik had zojuist het absolute dieptepunt aangetikt dat je als mens kunt bereiken, mezelf met hart en ziel ondergedompeld in honderd procent pure, onverdunde eenzaamheid en was er bijna in verdronken. Maar in plaats daarvan voelde ik me voor het eerst in weken weer springlevend en klaarwakker. Ik had gelachen en gehuild, ik was weer een mens! Ik voelde me als genezen van een enorm, ijskoud gezwel dat een algeheel gevoel van liefdeloosheid door mijn aderen joeg.
‘Hé, ik ga er vandoor,’ zei ik tegen de agent bij het geopende portier van de politieauto.
Hij keek me nogal vreemd aan. ‘Is er iemand die je thuis kan brengen?’ vroeg hij. ‘Jazeker!’zei ik, en zwaaide naar hem met het koekenmannetje. Ik stapte uit het licht van de koplampen en liep hand in hand met het koekenmannetje, vol levenslust op weg naar huis.