Tim van Remmerden
Vliegen met de bonte specht
Er staan vandaag tulpen op het nachtkastje. Zien kan ik het niet, maar zelfs ziekenhuisbloemen hebben een onmiskenbare geur, en bovendien vertelde de chronisch schorre zuster het toen ik wakker werd. Wakker is een lastig begrip. Voor de rest van de wereld slaap ik, al zeventien jaar lang. Maar voor mijzelf ben ik klaarwakker.
In het begin kon ik niets. Niet bewegen, niet zien, en niet huilen om dat te verwerken. Maar langzaam kon ik meer. Ik leerde te voelen of het raam op een kier stond. De wind laat mijn neusharen dan bewegen. Dat jeukt. Kriebelen kan ik niet. Daarom had ik liever dat het dicht was, maar elke dag zet de zuster met het Groningse accent het toch open, net als papa. Mama en de schorre zuster laten hem dicht. Verder heb ik weinig bezoekers. Invalkrachten, zij die de geur van haast en onzekerheid met zich meedragen, doen het raam niet open. Dat vergeten ze, zoals ze vergeten dat ik geen televisie wil, of radio. Die vreselijke jingles.
Als het raam open staat en er verder geen geluiden zijn, zoals gekakel uit de personeelskamer, gehuil na een overlijden op de Eerste Hulp, of een vergeten tv, kan ik de vogels horen. Ik heb geleerd hoe de koolmees klinkt, en hoe een groenling. En hoe ze zingen van geluk, en hoe bij een gebroken ei. Nu heb ik liever dat het raam open staat.
Dan zie ik voor me hoe de vogels naar binnen vliegen. De bonte specht als leidster. Hoe ze uiterst voorzichtig, veel secuurder dan beide zusters, het laken oplicht. Hoe ze op mijn borst komt zitten en fluistert dat ik mee vliegen moet. Geen twijfel. Ik vlieg weg.
Papa’s voetstappen produceren meer decibellen dan de afgelopen jaren. Ik schrik ervan. Andere schoenen zijn het niet, want de veters tikken met het bekende ritme tegen de hak. Hij is vrolijk, en daar kan maar één reden voor zijn, al heb ik vaak gewenst, en er stiekem zelfs voor gebeden, dat het verdriet hem zo te zien in een psychose van vrolijkheid zou storten. De rode stoel – hoe rood eruit ziet ben ik al jaren kwijt – kraakt als hij zijn zware lichaam neerplant. Elk jaar kraakt de stoel wat harder.
Een klamme hand pakt de mijne. Papa heeft gerend. Gedachten aan het joggen met hem, gesteund door zeewind in de rug en een ijsje in het vooruitzicht, schieten voorbij in mijn hoofd, een hoofd dat teveel tijd kreeg om te denken. Filosoferen is zwaar als er niemand is om je ongelijk te geven. We zagen er professioneel uit. Dure schoenen met spikes en zonnebrillen die een toevallige passant het idee konden geven dat daarachter talentvolle atleten schuil gingen. De klamme hand waarmee papa het briefje in mijn hand duwde om de ijsjes te bestellen voel ik nu weer. Hij fluistert wat over conservatieve en achterbakse politici, en nog meer van hetzelfde maar mijn aandacht glijdt weg.
Ik heb gemerkt dat mensen fluisteren omdat ze bang zijn dat ik kan verstaan wat ze zeggen. De Groningse zuster slaapt met de vriend van een vriendin. Toen ze dat vertelde moest ik lachen bij woord slapen. Zij kon dat niet weten, maar lachte zelf ook. ‘Als je nou zeventien jaar zo “sliep”’, fluisterde ze. Ik kan haar toch niet verstaan. Denkt ze. Denkt iedereen. En toch fluisteren ze.
Woorden als ‘eindelijk’ en ‘gewonnen’ verruïneren mijn gedachten. Ik vind het niet fijn om te luisteren naar wat papa zegt, want hij stelt altijd vragen. ‘Waarom toch?’ vooral. Na vijf maanden liggen, of misschien zes – er kwamen sneeuwvlokken door de kier – ben ik de wil te antwoorden verloren. Sindsdien geniet ik van de zangerige klank van zijn woorden. De betekenis is ondergeschikt. Maar ineens komt er een zin volledig door. Het echoot nog minuten na. ‘Over twee weken mag je eindelijk uit bed.’
Of hij het voelen kan weet ik niet, maar mijn handen worden klammer dan de hand die er op rust. De tulpen verliezen hun geur, de stoel zelfs zijn rood. De vogels zijn stil. Stilte voor de vlucht.
Twee dokters met onbekende stemmen en geuren staan aan mijn hoofdeind als ik wakker word. Ze gebruiken dezelfde deodorant, maar bij de een mengt het zich opmerkelijk beter met het zweet dan bij de ander. Ik heb medelijden met de collega’s van de ander. Papa is er, en mama, en ik hoor Jetske zelfs. Drieduizendzevenhonderdtweeëntwintig dagen is ze niet langs geweest. Een nieuwe vriend vond ze, zelfs getrouwd. Henk dacht ik. Schuifelende voeten bij de deuropening. Hij is er ook.
Beide zusters aan mijn linkerkant. De schorre weent. De ander gooit het raam open. Verder dan ooit mocht. Wat maakt een longontsteking nog uit, moet ze denken. Een kus op mijn voorhoofd. Twee op mijn mond. Eén van Jetske? Tranen landen met kabaal op de linoleum vloer. Langzaam glijdt het bed onder mij vandaan. Ik vlieg.