Marisa de Picker

Over mijn lijk

Forensisch labo archeologie, München, 1947.
Neonlicht hult het roerloze lichaam in witte nevels. Een fijn lichtspoor speelt met de glimlach om zijn lippen en verdwijnt daarna in hagelwitte lakens. Bloedrode nevelspatjes schuilen in zijn mondhoeken. Het tafereel heeft iets surrealistisch waardoor Dr. Kepler zijn ogen er maar niet van kan afhouden. Telkens weer wordt zijn aandacht getrokken door de lege blik die hem van op de tafel aanstaart. Met moeite richt hij zich terug op het verslag dat hij in zijn handen houdt.
Hij kijkt verbaasd naar de lichtbak waarop enkele röntgenplaten staan. In de maagstreek bevinden zich donkergekleurde vlekken die op de aanwezigheid van metaal wijzen.

Antwerpen, 2009
“Opa?”
Behoedzaam opent Joakim de deur van de woonkamer, maar er is niemand te bespeuren.
In de verte bemerkt hij een schim die in gebukte houding zaadjes rondstrooit. Er staan in de zomer weer veel groenteslaatjes op het menu, constateert Joakim glimlachend.
In afwachting tot opa klaar is, vist de jongen een boek uit de kast. Hij deinst verschrikt achteruit wanneer een groene map plots van de plank dondert. Zijn ogen worden zo groot als schoteltjes. Vergeelde krantenkoppen en zwartwitte oorlogsfoto’s liggen over de vloer verspreid. Hij krijgt er kop noch staart aan. Waarom zou opa zulke gruwelbeelden bewaren? Hij schrikt wanneer hij voetstappen hoort naderen. In paniek graait hij de knipsels bij elkaar. Bliksemsnel zet hij de map terug op de plank.
“Joakim?”

Experimente zu unterkühlung, Konzentrationslager Dachau, 1944.
Wezenloos staar ik voor me uit. Onder mijn blik ligt een bibberende, blauwe diepte. Bij elke rilling gaat er een schreeuw door mijn lichaam. Mijn hartslag ramt tegen mijn slapen.
Hoelang ik hier al drijf, weet ik niet meer. Er ligt een mist over mijn gedachten.
Plots word ik dwars door het water naar boven gezogen. Het oppervlak beeft wanneer ik er met mijn handen doorheen klief. Eindelijk lucht. De rubberen slang aan mijn lichaam wordt afgekoppeld en ik word razendsnel van mijn vlieguitrusting ontdaan. Voor ik het goed en wel besef, lig ik weer in het water. Ik bijt op mijn lip tot ik de weeïge smaak van bloed proef. Gloeiend heet water brandt tegen mijn huid. Net zoals daarstraks piept het radiotoestel achter mij onophoudelijk. Een man in groen uniform glimlacht tevreden, want mijn temperatuur stijgt weer. Het was een geslaagde proef, ik leef nog. Maar hoelang houd ik dit nog vol?
Ik verlang ernaar mijn vrouw terug te zien die in het vrouwenkamp verblijft. Ze is nu negen maanden zwanger. De grote dag nadert en het maakt me bang. Ik wil niet dat mijn kind geboren wordt in dit gruwelijke kamp. We blijven hier niet. Geen sprake van!
Voor mijn ogen dansen spottende letters: “Es gibt einen Weg zur Freiheit”.
We moeten zo snel mogelijk weg. Weg uit Dachau, weg uit Duitsland.

Forensisch labo archeologie, München, 2009.
In het midden van de ruimte ligt ze daar, omringd door twintig lijkwitte jassen. Aan haar vingerkootjes kleven enkele plukjes gras. Enkele uren geleden werd ze opgegraven uit een tuin in Dachau, hier niet zover vandaan.
Alle ogen zoomen in op een precaire constructie in het geraamte. Tussen haar ribben zit een trouwring geklemd. De opening is net smal genoeg om het juweel een halve eeuw te kunnen opbergen. Met een tangetje prutst een handschoen het kleinood ertussenuit. Aan de binnenkant staat enkel een datum gegraveerd: 6 juli 1943.
Achteraan in de zaal fronst een jonge vrouw bedenkelijk en na enige aarzeling gaat er bij haar een licht op.

Antwerpen, 2009
Vol enthousiasme ratelt Joakim over zijn schoolreis naar Duitsland. Intussen stopt hij opa ook de krant die hij had meegebracht, in handen. Hij begrijpt nog steeds niet waarom hij absoluut een Duitse krant moest meebrengen. Hij had er eens vlug in gebladerd en er was niet veel bijzonders aan.
Opa knikt geboeid, maar echt luisteren doet hij niet. Zijn gedachten dwalen af naar zijn jeugd die hij in Duitsland doorbracht. Hij veert op wanneer Joakim op zijn arm tikt. Betrapt ontwaakt hij uit zijn nostalgische roes. Van de vraag die Joakim net gesteld had, heeft hij nog net de flarden interview en Tweede Wereldoorlog opgevangen. Grootvader en kleinzoon reizen zestig jaar terug in de tijd. Voor het eerst in al die jaren spreekt opa over de oorlog. Over een wereld waarover zijn ouders hem in zijn kindertijd urenlang vertelden.

KZ Dachau, 1944.
In een donker hoekje laat ik een paar voorwerpen op mijn handpalm balanceren. Een ring en vier gouden knopen, dat is alles wat ik nog bezit. Ik had ze ingeslikt toen we nog in België waren, net voor onze deportatie.
Een schim geeft me een klopje op mijn schouder. Lars, mijn vriend en lotgenoot. Trots zwaait hij met een rinkelende ster voor mijn neus. Bij onze ontsnapping zal hij ze weer dragen.
Alles is voorbereid. Samen met mijn vrouw wachten we gespannen tot de dag aanbreekt. Zodra mijn kindje het levenslicht ziet, gaan we zo snel mogelijk weg van hier. Heimelijk hoop ik op een flinke zoon. Ze zullen hem geen haar krenken, dat heb ik Hanna beloofd.
De appèlsirene loeit in onze oren. Gedwee hotsen mijn klompen naar de binnenplaats. In het waaien van de wind weerklinkt een huil naar het leven.

Forensisch labo archeologie, München, 2009
Een patholoog leest met een monotone stem het onderzoeksrapport voor. De vrouw achteraan in de zaal glimlacht tevreden. Haar voorgevoel klopt. Ruim zestig jaar geleden ontdekte haar vader, Dr. Kepler, een mysterieus lijk. Zijn maaginhoud bevatte een trouwring en twee gouden manchetknopen.

Antwerpen, 2009
Zwijgend slurpt Joakim aan zijn rietje. De vraag ligt op het puntje van zijn tong, maar hij krijgt ze niet over zijn lippen. Met argusogen bestudeert opa het gedrag van zijn kleinzoon. Joakim haalt diep adem en hakkelt wat er op zijn lever ligt. Zonder te verpinken staart opa naar de versleten map in de boekenkast. Nu hapt ook hij naar lucht.
Weer rakelt opa het verleden op. Nu keert hij terug naar de gebeurtenis waarover zijn ouders pas spraken toen hij achttien werd. Nooit eerder had hij zich zo bedrogen gevoeld. Nog geen twee dagen na zijn verjaardag vertrok hij naar een klein naburig landje, op zoek naar zichzelf.

KZ Dachau, 1944.
Weifelend volgen onze sluipende schaduwen in het kielzog van een kakigroen uniform. Met een stevige tred benen zijn soldatenlaarzen doorheen de kampstraat. De ster aan zijn linkerlaars rinkelt bijna geruisloos. De silhouet naast mij verschuilt zich volledig achter een zinken waskom. In de teil ligt een kluwen van vuile lappen. Ze legt een beschermende hand op het vale hoopje dat langzaam in- en uitademt. Zachte pufjes kriebelen haar handpalm. We naderen de hoofdingang. Bloednerveus loopt Lars op de poortwachters af. Hopelijk zien ze niet door zijn vermomming heen.
De poort wordt tergend traag opengedraaid. Aarzelend zetten we onze eerste passen naar de vrijheid. Langzaam verlaten we het nest van de Arische adelaar. Hoog op de wachttorens waakt hij over zijn prooien, zijn scherpe klauwen al in de aanslag.
Nu of nooit.
Als een gek beginnen we te rennen. Natte halmen striemen langs mijn benen. Achter mij hoor ik Hanna’s voeten ploeteren door het veenmos. Het pakketje lappen drukt ze veilig tegen haar borst. Schril gekrijs dondert door mijn hoofd.
De jacht is open.
Met een duizelingwekkende snelheid haalt de adelaar ons in. Venijnige klauwhalen suizen langs mijn oren. Een ijzingwekkende gil verlamt me. Doodstil ligt Hanna daar, met een gulpende beet in haar rug. Liefde weerspiegelt in haar ogen. Ik bevrijd mijn zoon uit haar armen. Kromme nagels graaien rakelings langs me heen en ik voel een kille adem in mijn nek. De opengesperde bek achter mij zuigt me naar zich toe, slokt mijn moed langzaam op. Vaderliefde stuwt me voort doorheen het grasland. Steeds maar sneller, rennen, sprinten, zweven. Een gelukzalige roes bedwelmt me. In een vlaag van euforie scheren mijn voeten over de grastoppen. Een vlijmscherpe bek boort zich plots in mijn nek. Ik ben verloren. Met trillende vingers laat ik twee gouden knopen tussen de doeken in mijn schoot glijden. Mijn trouwring en de andere twee knopen slik ik in, net zoals Hanna mij al voordeed.
Schel gehuil wekt voor de laatste keer het leven in mij. In een waas nemen laarzen mijn kindje mee. Een zespuntige lichtweerkaatsing verblindt mijn ogen.

Antwerpen, 2009
“Heb je die knopen nog opa?” Hij knikt instemmend. Tranen wellen op in zijn ogen. Bruusk staat Joakim op. Schichtig doorbladert hij de krant die hij voor opa meebracht. Had hij niet ergens een foto van een lijk zien staan? “Leiche aus KZ Dachau aufgegraben.”
Alle puzzelstukjes passen in elkaar. Vlug zet hij de tv aan. Misschien is de Belgische of Nederlandse pers intussen ook op de hoogte.

... vermoedens dat het lijk van de man in een massagraf in München ligt. Het forensische labo van de faculteit archeologie heeft een aanvraag ingediend om het massagraf te openen, maar de bondskanselier weigerde resoluut. Zonder het akkoord van mogelijke nabestaanden, zijn dergelijke praktijken in elk geval verboden.
Uit grondig onderzoek blijkt dat de vrouw net voor haar dood een kind baarde. Of het kind nog in leven is, weet niemand. De Duitse regering heeft een opsporingsbericht verspreid.
Er bestaat geen concrete wetgeving over massagraven en dit leidde al tot heel wat problemen. Vorig jaar weigerde de Spaanse regering nog om een massagraf uit het Franco-regime te openen. Ons Belgisch Federaal Parlement wil onderhandelen over een wetgeving en zet dit pijnpunt alvast op de agenda.

Joakim knijpt bemoedigend in opa's hand. De oude man slaakt een zucht van opluchting.