Nena de Keersmaecker

Blauwe Rus

Het klootjesvolk wordt uitgelaten. Met veel moeite klauter ik vanuit mijn ingezakte fauteuil op de vensterbank en verdwijn achter mijn jaloezieën. De straat staat weer volgeparkeerd en een felrode Smart ForTwo verspert de helft van mijn dagdagelijkse zicht. Met grote zakken bulkend van fonkelende kersballen, schijnheilige engeltjes en nog meer van dit leuks bewegen ze zich sukkelend voort. Pas eind november en de kerstbeurs lokt al honderden barmhartige domkoppen.

In de verte zie ik een gigantische draagtas een klein, mollig wijfje met zich meesleuren. Traag maar bijzonder krachtig nadert het dikkerdje mijn venster. Zich onbewust van mijn scherpziend oog ploft ze haar net aangekochte gezelligheid vlak voor het gedrochtelijke autootje neer. Ze zeggen dat baasjes op hun honden lijken, maar de gelijkenis tussen het vrouwtje en haar auto past ongetwijfeld beter in dit geval. Nog op adem komend van haar ongelooflijk zware inspanning komt ze tegen mijn venster aanleunen. Het arbeidszweet druipt van haar knalrode smikkel en ze ademt alsof haar leven er nog meer dan gewoonlijk van afhangt. Ik blijf netjes op mijn vaste plek zitten en hoop dat ze me niet opmerkt. Stokstijf en muisstil. Na enkele minuten heeft ze genoeg zuurstof gespaard om de volgende vijf door te komen en schijn ik een kleine beweging op te merken. Dit zou toch moeten volstaan om zich in haar statusblik te proppen en weg te rijden? Hup hup! Ja, ze schiet in actie… Kat in het bakkie. Of toch niet?

Met argusogen houd ik het bizarre, maar lachwekkende schouwspel in de gaten: haar korte worstarmpje probeert tevergeefs de sleutelbos tot bij het kleine gaatje te brengen, deze begeeft het natuurlijk al na enkele pogingen. De sleutels vallen achter haar op de grond en ze is genoodzaakt door haar kwabberknietjes te zakken. Ik wacht bang af. Minuten gaan voorbij. Terwijl ik fantaseer over hetgeen er zich vlak voor en onder mij afspeelt, komen plots twee varkensoogjes tevoorschijn. Te laat. We kijken elkaar al recht in de ogen. Daar heb je het. Kirrend als een roze, volgroeide baby begint ze met haar dikke stompjes van vingers mijn ruit te bevlekken. Haar lippen, die daarnet nog een fijn streepje vormden, beginnen plots van elkaar te floepen, steeds dezelfde ronde bewegingen makend. Ik deins achteruit en aanschouw de pruttelende knalbonbon. Poe-oe-oe. Vanuit haar mondhoeken springen kleine speekselbelletjes kapot en omwille van haar uitgeademde waterdamp wordt mijn zicht steeds waziger. Ik begin te grommen, maar het dikkerdje weet van geen ophouden. Een woedende krijs ontsnapt uit mijn keel. Ik spring als een dolle hond tegen het glas en druk mijn hoofd ter hoogte van haar kop. Nu ploppen haar zweethandjes van mijn ruit, deinst ze achteruit, valt recht op de kerstzak en onthoofdt drie engeltjes. Als een hysterisch varken ploetert ze door het niets tot aan haar auto, werpt nog een kwade blik over haar vlezige schouder en beslist om er nooit van haar leven eentje in huis te nemen.

***

Ik ben er een die kijkt, bewegen doe ik zelden. Mijn laatste energieke drang zal me altijd bijblijven. De geur van versgebakken gehaktballen lokte me naar de keuken. Aangezien ik toen al kampte met ernstige obesitas, is het me nog steeds een raadsel hoe ik in godsnaam bovenop het aanrecht ben geraakt. Lekker, ze waren nog warm. De zeshonderd grammen vers vlees kon ik wel appreciëren, maar een maag met ongeveer de grootte van een voetbal kan daarom nog niet alles aan. De vleesballetjes begonnen hun tol te eisen. Ik had dringend nood aan frisse lucht, maar besefte algauw dat ik door van het aanrecht te klauteren gelijk mijn eigen doodvonnis zou tekenen. De brei van warm gehakt en de brokjes van die ochtend, vorige avond en middag (ik heb een vrij traag metabolisme) begon al indrukwekkend snel een weg naar boven te zoeken. Gelukkig vond een kind mij op tijd, anders was ik wellicht in mijn eigen kots gestikt.
Sinds het ongeluk van Grace Kelly, het pronkjuweeltje van de buren, waag ik me zelfs niet meer buitenshuis. De laatst geziene op-tafel-dansende muis dateert van het jaar 1998. Grace Kelly was een echte Siamees: poesmooi en geen gebrek aan pretentie, maar jammer genoeg ook niet aan dwaasheid. Zo vertelde ze mij op een dag dat ze in ‘Dieren in nesten’ gezien had dat de gemiddelde Siamees een hevig temperament heeft. Het verwend rotjong, slechts enkele maanden oud, was zowaar eventjes van plan de straat over te steken. In plaats van te wachten tot autovrije zondag, die slechts een week later viel, besloot het magere mormel de buitenwereld te exploreren op de dag van de jaarlijkse tuningbeurs. Opgefokte auto’s in de felste kleuren met de meest laaghangende bumpers. Zoals gewoonlijk zat ik ook toen in mijn kraaiennest terwijl ik de mens van de dag nauwlettend in de gaten hield.

Grace Kelly, ik vervloek de aap die haar tot een leven met deze naam gedoemd heeft, verscheen plots op straat. Geen kat die geweten had wat ze van plan was. Ik sprong recht, observeerde haar en liep met haar mee langs mijn raam. Wetende dat ik haar in de gaten hield, trippelde ze tot op het midden van de baan en keek me uitdagend aan. Beiden hoorden we plots het onheilspellende gezoem van een optrekkende, hongerige motor. De pretentie begon nu al plaats te maken voor haar ongelukkige onhandigheid: haar vier donkerbruine pootjes probeerden ieder voor zich een andere kant uit te spartelen. Verblijd nam ik afscheid van de ter plaatse trippelende lompheid en begon zacht te spinnen. Omwille van zijn loeiharde muziek, merkte de piekjeskop pas enkele meters later dat de bumper van zijn Low Rider Ibiza 2000 zich abnormaal gedroeg. Exit Grace Kelly.

***

Opgelucht dat de dikke dame me verlaten heeft, concentreer ik me weer op het straatgebeuren. Het wordt al donker. Binnen een klein uurtje kan ik enkel nog de lumineus flikkerende hertjes in het schrale voortuintje van de overburen in de gaten houden. Een donkergrijze monovolumewagen rijdt de straat in. Ze zijn gearriveerd. Gedaan met de rust. De man parkeert zoals gewoonlijk de auto op de oprit en de drie buitengewoon wrede nazaten stappen samen met de vrouw uit. Maar wie is die zesde mens in de auto? Aangezien ik de man een paar Scapapantoffels met levensechte poesjesprint uit de autokoffer zie halen, besef ik dat het vandaag zondag is. De pletwals komt op visite. Tante Jacoba, also known as de kattenliefhebster, wordt door menig huiskat omzeild. Elke kat die haar pad kruist loopt hoogstwaarschijnlijk een trauma voor haar negen levens op.

Zo snel als ik kan sleep ik me voort tot onder de kerstboom. Geagiteerd door de naalden die in mijn steeds schaarser wordende vacht prikken wacht ik kansloos mijn noodlot af, verdoken voor de pletwals die reeds een kind gecommandeerd heeft mij te zoeken. Keer op keer verraad ik mezelf door het grommen van mijn buik, en ook nu treedt deze in werking. De kop van de pletwals verschijnt vrijwel onmiddellijk naast het kerststalletje en Melchior moet eraan geloven. Na enkele grijppogingen heeft ze me te pakken: dolgelukkig wiegt ze mij in haar armen als was ik een baby en zingt kneuterig hoe knus en gezellig ik wel ben.

Dit kan zo echt niet verder.

Ik kalmeer en begin te ronken, opdat de pletwals een reeks onheilspellende vreugdekreetjes begint uit te slaken. Mijn nagels verdwijnen diep in haar zelfgebreide trui en beginnen zacht met het bewerken van de prikkelende wol. Nu overladen haar samengeperste lippen, die naar mijn mening eerder iets weg hebben van mijn eigen achterwerk, mij met plakkerige smakkerds. Ik mag dan wel lui, vadsig en hulpbehoevend zijn, maar mijn laatste restje trots pakt niemand mij af. Zoals verwacht wordt van een echte kater, begin ik te urineren.

Nu volgt de straf. Een nacht op de buitendeurdrempel doorbrengen, als ze het al over hun hart krijgen mij nog maar een half uurtje buiten te zetten. Van zodra ik mijn melige maskertje opzet, smelten ze gegarandeerd één voor één weg. Ik ben er zelfs tweehonderd procent van overtuigd dat arme tante Jacoba als eerste zal zwichten. Zulke naïevelingen verkeren namelijk in de waan dat zij mijn baasjes zijn, maar katten worden nu eenmaal in zakken verkocht: ik gehoorzaam en vlei enkel en alleen wanneer het mij past.

Momenteel komt het mij zelfs heel goed uit, want ik heb rammelende honger en het wordt hoog tijd voor mijn jaarlijkse spuit tegen kattenziekte.