Nelleke Honcoop

Kinderkistje

(Plankenhuis, flinterdunne lattenmuur. Hier en daar splinterende
meubels: ze zijn gladgeschuurd. Bestek: is monddood gebeten.
Servies: is een kopje kleiner gemaakt.)

Kom naar huis, Solveig, je hoeft geen draak meer te verslaan.
Je berkenblonde haar heb ik al gladgestreken. De ramen zijn
blind gemaakt. Ik heb een lied voor je verzwegen, dat gaat:

de winter, lente, zomer die zo zijn vergaan /
maar mijn handen trekken langzaam krom.

(Buiten: de wind temt hoge bomen, als een regiment soldaten
staan wilgen met hun afgeknotte ledematen. Rivier: stroomt op
hoge poten de uiterwaarden over.)

Kom terug, Solveig, en trek je regenlaarzen aan-

(Deur: op een kiertje gelaten, grintpad, grasveld: kaalgevreten.
Erboven: jagen stapelonweerwolken laatste restjes luchtigheid
de stuipen op het lijf.)

Kom terug, Solveig, en trek je regenlaarzen aan. In mijn droom
blijf je drijven met je haren vol slijk. ( ) Millais' Ophelia
gelijk. ( ) Ik sla dagelijks een figuur met een ruggengraat
die ik niet heb.

(Laatste tafereel.)

Kom dan bij, Solveig, en weet: die draak heeft nooit bestaan.
Je berkenblonde haar heb ik al grijsgezwegen. De gordijnen
zijn vermaakt. Ik heb een lied voor je versleten, dat gaat:

of zomer, lente, winter zo zullen vergaan /
maar de planken trekken langzaam krom.


De miraculeuze vondst van wat platgestampte pijnboompitjes vóór de provisiekast

is natuurlijk niet iets om over naar huis toe te schrijven, dus
doe je dat niet. In plaats daarvan noteer je één twee eenden
drijven weg in een rieten mandje (is niet correct); twee één
rode LONDON dubbeldekker - TRAFALGAR SQUARE
rijdt te hard over de dijk (alsof er iets te sightsee-en valt in
dat rotdorp van je), drie hoeveel helden passen
er in één gedicht. Je legt je pen neer. Je krabt 'ns aan je neus.
Als de inspiratie ver te zoeken is loop je naar de buurtsuper
voor wat instantmuze, per blik, in sixpack of een hele krat, je
bedenkt je vier een heel flatgebouw aan waarnemingen vijf
de terloopsheid der dingen die soms zomaar een loopje met
je kunnen nemen zes je bent nog nooit in Londen geweest.
Zeven. In Londen. Acht wat was je punt ook alweer? Negen
soms is de logica ver te zoeken (...) et cetera. Punt zoveel.
En om nou de vrouwvandebroervanjemoedersmoeder nog
'ns te citeren: iets met veel ellende in deze wereld bla bla,
MAAR / niets duurt je leven lang.


dit is GEEN STAD, groningen

die er ligt maar staat, roodomlijnd, steenbestraat, gebiedend.
er is hier ook niemand- of IK, laten we zeggen, die de paden
behield en beteende, ze beliep waar ze er niet waren. nu iets
hoger kijken kerken torens spitsen uit het zicht en prikken
DAAR venijnige blauwblaren tussen lamlendig laffe wolken,
witte NOTE IT's: ik ben van god-
los en ongebonden. de huizen HIER lijken me bebouwereerd,
bestaand, gegeveld, als rotsvaste kolossen bedoeld en ont-
worpen, niet te ontkennen. en ergens tussen DAAR&HIER
ben ik ook nog onnodig, wimper mij maar weg van mislukte
foto's, IK&DE STAD, waar mijn schaduw al gewist en het
contrast vertroebeld is- mijn god! maar bewaar die negatieven


te ruim

groei op - elleboog je over volwassenen heen en
weerleg dan hun lijvige duimen, wring je uit hun
onmogelijke bochten en de spijtige kronkels van
de stompzinnig bekrompen geboden -

hee, groei nou eens uit die peterpan(syn)dromen
en zo

maar wat ik wil, ik slaap gewoon verder of behang
mijn bovenkamer met flarden van verlangens als:
later word ik astronaut of zoiets dergelijks zonder
oogkleppen op lijkt het perspectief je onbeperkt, je
verrekijkt je slechts op luchtgeruis en rondsuizend
gruis en verschuift - maakt de beelden loepzuiver,
regelmatig - je kijker, je knijpt je ogen wat fijner
maar je ziet maar niets want 's nachts is het kouder
dan buiten, ja verzuchten ze dan -

je ziet alles immers nog in onverstandigenoptiek
en zo

word je langzamerhand getooid met hun gesloten
ogen, hun manier van krimpen en vooral niet groeien:
later word ik (astronaut of) iets degelijks en stippel ik
op platte kaarten wegen naar al bekende dimensies uit

en hoe dan nog te groeien - in de lengte, in de breedte
of in de hoogte? - als je ogen geloken zijn en bestaan
enkel met vergaan te rijmen valt - hoe nog te groeien
- in alle hoeken? - als het heelal je veelal te ruim is.


Herfstg oud

Later, als onze monden broos zijn
en onze lippen staan op breken dan
poetsen we onze gebitten op en be(s)-
preken elkanders gebreken.

We rakelen onopgeloste zaken weer op
/ joan of joni, wie is er beter?, aborteren de
onvervulde kinderdromen / mogen ze
voor eeuwig zweven in een denkbeeldige
dromenhemel, en we smeren met pek
of poedersuiker / deze keer is het menens-

maar we gaan eraan voorbij dat onze botten
koud zijn en de herfst rauw is, we kunnen er
niet meer bij - niet meer onderuit niet meer
over uit hoe het groen in geel en (g)oud vergaat -
ook de goten gruwelen ervan over.

Misschien leggen we ons te zijner tijd neer op
de koud bevroren bosgrond, waar we de wind
met onze tenen laten spelen, en luchten we onze
schedels wijdopen en bloot en kunnen we dan

eindelijk zeggen: laat de winter komen, ik ga
voorbij en leg me te rusten?


Großer Tiergarten, Berlin

Een magnolia, deus ex machina.
De Grote Geschiedschrijver zag
er toch een oplossing in:

Verstikkende dag. Ze zochten schaduw.
Der Tiergarten bood hen geborgenheid.
Je zag ze zorgeloos slenteren door het
laatste gekoesterde groen in (nog niet)
kapotgeschoten tijden of wijken

we uit naar een:

Andere tuin in een andere straat

Een bleek-roze explosie
streelde zijn ogen dicht, wimpervast
zodat wij niet konden zien hoe daar
onder Berlijn kromp en pupillen zich
verwijdden.

Een meisje hing zijn armen vol
verwijten: “zusammenbleiben,
wir soll'n ewig zusammenbleiben”
haar breekbaar kinderlijfje schurkt
het ruggetje, de schouderblaadjes
en spierwit vel-
over benigheid werpt de zon
sporadisch haar stralen.

Donkere jongen met de neus (kucht):
“sehen wir schon Schatten im Garten, Martha”
de stem snijdt vragend

een luchtbel open. Haar ogen
kiezelen, nemen op, ze zucht
in zijn hals. Het grind kniezelt
en de straat kraakt van ijzer op
zolen van woedende schoenen.
Ze kermt. Een tuinhek knarst
en ergens

Mitkomm'n! Sofort! Mitkomm'n!
ze knerpt klagend en knelt zijn
hals wat steviger, lawaai, ge-
onweer, geweerschoten, gedaver
Mitkomm'n! Du! Mitkomm'n!

gekrijs en verwarring, ze klemt
(hij rent)

maar moet loslaten.
Berlin, Ausgangssperre, etwa 22 Uhr bis-

De stad is hol en oorverdovend stil
geleegd, verlost of neergeschoten.

Martha's schaduw is zojuist
verruild voor definitieve
duisternis.

Ze sterft,
het kopje haaks op de schouders,
het nekje knakt als een brekend takje.
Ze kleurt
zo mooi solidair met het maanlicht,
haar wangen bleek-roze, bleek-wit.
Magnolia
kijkt en breekt want ze blijkt lijkwit.
De boom. De jongen. En ook Martha.

Wiens armen zijn er leeg vannacht?


andere ogen, ansichtkaarten in arles

de cornflakes staan hoog in zomervelden
en vincent van gogh plant zonnebloemen
op doek

mijn veertigstuiver-zonnebril ontwikkelt
de wereld op polaroid ik zie instant kleur
als zand tussen de tenen golven op de huid
vuurrood verbrande schouders dat zeker

want factor-zoveel is hier niet overdreven
en de aarde op vakantie voelt zo zwaar als
of ze dramt 'kijk hier ben ik dan!' maar ja
jij was degene die er kwam op je flip flop-
slippers jij woelt stoffige grond om en om

jij klettert de klank van stappen op kasseien
en vincent van gogh plant zonnebloemen
op ansichtkaarten in arles


Een ligstoel ligt te wachten tot het zomer wordt.

Buitenshuis
kwelt een vroege maartstorm heftig met geweld
en water de pasgeboende verandavloer en woelt
synchroon door in mijn hoofd, kraakt de holten
en kassen. Het is hersenverdodend.

Binnenshuis
haal ik mijn noorse trui uit want ik ben de draad
kwijtgeraakt. Die V-tjes werkten toch averecht
aan de achterkant of veerden te vroeg op vanaf
de velden. Herfst was vertrekken,

wieken en massaal zwenken, maar ik heb slechts
armen of verwelk. En nu: tot op mijn grondvesten
kan ik het schudden.