Roel van Meerendonk

Oma moest maar eens dood

‘Oma moet maar eens dood.’, zei ik terwijl ik een greep naar de hagelslag op tafel deed. Ik schudde de chocoladeregen over een boterham en schoof het bord onder haar neus. Het bracht haar nog geen seconde uit haar trance. Ze bleef ons almaar tonen waar ze nog beter in was dan die hagelslag. Het verstrooid zijn.

***

Ooit was het bijna zo ver geweest. Ik was zes jaar en de tijd was half twee ’s nachts. Ik werd wakker van de telefoon die op de benedenverdieping overging. Het rinkelen bleef maar aanhouden, maar de vloeren waren ijzig en ik had mij eens laten vertellen dat het hebben van koude voeten hetgeen was dat je lang uit je slaap kon houden.
De volgende ochtend hoorden we het gekrijs van mijn oma op het ingesproken bandje.
‘Ik ga dood! Jullie moeten mij naar het ziekenhuis brengen!’
Voor iemand die kapot ging had ze nog behoorlijk wat eisen.

Die avond zochten we haar op in het ziekenhuis. Kamer 336 was geheel voor haar bestemd en het viel dan ook niet moeilijk te achterhalen wie verantwoordelijk was voor de onhebbelijke strontgeur aldaar.
Mijn ouders startten een gesprek met de chirurg die mijn grootmoeder onder handen had genomen. Ondertussen nam ik op de vensterbank plaats en bekeek mijn oma. De teruggeslagen dekens toonden mij een gat in haar buik waar waterige ontlasting uit kwam lopen. Het was de stank die mij op afstand hield, want verder was het een zonder meer interessant uitzicht. De dunne, bruine drab begon juist in de richting van oma’s navel te kruipen op het moment dat een zuster de kamer binnendrong.
Nieuwsgierig sprong ik op van de vensterbank en ging aan het bed staan. De zuster hield een plastic zakje in haar handen en bezag mijn oma’s buik. Bedenkelijk tuitte ze haar lippen, waarna ze smakte als bij het geven van een natte zoen.
‘Wil jij dit misschien even vasthouden?’, vroeg ze me het zakje voorhoudend.
Gretig nam ik het ding van haar over. Het was stug plastic, als van een opblaaszwembad. ‘Wat is het?’, vroeg ik terwijl ik uitzocht hoe elastisch dit voorwerp was.
‘Een stomazakje.’, antwoordde ze en ik knikte zonder haar werkelijk te begrijpen.
Nadat ze de verplaatste anus van mijn oma schoon had geveegd nam ze het zakje weer van mij over en plakte er het gat mee af. Zacht pruttelend liep het smeuïge goedje in het zakje over.
Alvorens weg te gaan lichtte de verpleegster oma’s bovenlichaam op om de onderliggende kussens wat op te kunnen schudden. Eenmaal terug op het bed gelegd rochelde ze schokkend het vocht uit haar longen.
Nadat ik een zeker vijftien minuten durend symfonisch reutelen van oma’s lichaamsopeningen had beluisterd, kwamen mijn ouders me halen. Klaarblijkelijk was het gesprek dat ze met de chirurg hadden gevoerd uitgebreid genoeg geweest om oma in ieder geval niet te bekijken.

Volgens de chirurg had oma zo veel gezopen dat haar alvleesklier een tegenoffensief was begonnen in de vorm van suikerziekte en een ontsteking. Dat alcohol een ontsmettingsmiddel was mocht in haar geval dan ook niet baten.
Ze lag nu ruim drie weken in kamer 336 ondergedoken en de doktoren zagen geen vooruitgang in haar labiele toestand. Haar buik, die ongeveer de wekelijkse grabbelton voor de chirurgen werd, was om die reden nog altijd voorzien van een ritssluiting.

Juist op kerstavond kwam oma op de intensieve zorg terecht. Alles was piekfijn geregeld. De slangen en snoeren pompten haar van alle kanten vol. Haar longen met lucht, haar bloedbaan met morfine. Kosten noch moeite werden gespaard en toch weigerde haar gelaat elke kleur die op doorbloeding kon wijzen aan te nemen.
Vader tilde me op en wees op oma’s gezicht. ‘Kijk Roel, het is je eerste witte kerst.’

***

Na mijn uitspraak heerste er een grootse stilte aan de ontbijttafel. Vader wilde niet opkijken van zijn krant en mijn moeder bleef maar roeren in haar koffie, ondanks dat het niets oploste. Ik keek hoe oma haar theekopje met een trillende hand naar haar mond bracht. Het lepeltje rinkelde overvloedig op het porselein.

Oma was geen mooie vrouw meer. Je zag aan alles dat ze dwaas was. Haar kapsel was door maandenlange verwaarlozing uit model geraakt. Op haar bovenlip stond haar. Niet zo’n glimmend donssnorretje in de ochtendzon, zoals bij om het even welke vrouw te zien is, maar stevige donkere haren die zich aan de buitenwereld opdrongen.
Vanaf het moment dat oma zich niet meer aan kon kleden, stak ik haar samen met mijn moeder dag in dag uit in dezelfde vreselijke kleding. Mijn vader zag de noodzaak gewoonweg niet om een deel van zijn toekomstige erfenis uit te geven aan de haute couture van zijn schoonmoeder.
Het aankleden van mijn oma mocht als tamelijk ondankbaar werk bestempeld worden. Iedere morgen stonden we voor dezelfde rotklus naast haar schamele ledikant. Steevast begonnen mijn moeder en ik met het opgooien van een muntje. Was mijn keuze tussen kop en munt juist, dan zou ik oma onder haar kleffe oksels vast moeten nemen om haar staande te houden. Verloor ik de loting echter dan was ik gedoemd om oma haar papieren luier aan te doen in regionen van het lichaam waar de urinegeur niet te harden was.

Ze was klaar met eten. Althans zo hadden wij besloten. Oma sloeg al jaren geen verstaanbare klanken meer uit. Bracht ze geluid uit dan was het brabbeltaal of een ijzige gil, wanneer de postbode met zijn rode postkarretje het grindpad opgereden kwam en onze brievenbus hevig liet klepperen. Van de zelfvoldane grimas op zijn gezicht viel dagelijks af te lezen hoe content hij ermee was dat hij dat oude wijf keer op keer een posttraumatische reactie kon bezorgen.
Mijn moeder stond op van tafel en liep op oma toe. Met een stevige ruk aan de arm attendeerde ze oma erop dat het gedaan was met mijmeren, dat ze die nat gezeverde broodkorst in haar schoot kon laten voor wat het was en op moest staan. Geduld was aan mijn moeder niet besteed en de op krakende wijze om hulp schreeuwende gewrichten van mijn oma deden haar het lijdzaam toezien bepaald niet vergemakkelijken. Met één hand trok mijn moeder haar aan haar broek overeind.
Ik bezag het schrijnende tafereel. De licht knisperende luier rees op boven oma’s afzakkende pantalon en ze ging welhaast verloren in de slobberende hemden met bloempatronen. Het enige strakke aan oma was de vermoeide uitdrukking op haar gezicht, als een constante laatste zucht.

Na enig geschuifel van de eettafel naar de sofa zeeg oma neer. Het was een raadsel hoe een mens zo imbeciel kon worden. Alle dagen deed ze niets anders dan het maken van tripjes tussen haar bed, de eettafel en de canapé. En toch keek ze rond gelijk ze nooit plaats had genomen in deze huiskamer.
Haar ogen bleven maar ronddwalen over de muren en de vloer op zoek naar iets van herkenning. Tenslotte verhielp mijn moeder de eindeloze zoektocht door oma een fluorescerend roze knuffelrups in de handen te drukken. Zolang ze de dag maar door kon brengen met dat afzichtelijke beest in haar armen was alles prima.

***

Op het moment dat de doktoren je brein voor onwerkzaam verklaren heb je geen reden meer tot spreken. Integendeel, alles wat je nog uitslaat wordt tegen je gebruikt.
Geen mens die je nog serieus neemt. Ieder voorwerp dat je vastpakt wordt je weer met sussende bewoordingen afgenomen. Het liefst zouden ze zelfs zien dat je je de godganse dag slapende hield.
Toen oma haar hersenbeschadiging opliep was het vanzelfsprekend dat mijn ouders zich over haar zouden ontfermen. Mijn vader rekende zich rustig rijk met de fortuinen die oma hem na zou laten. Zeker nu haar dagtaken uit niet meer dan slapen, eten en het produceren van ontlasting bestonden, mocht hij er zeker van zijn dat het bedrag nauwelijks in omvang af zou nemen.
Een alleszins mooi vooruitzicht zou je kunnen stellen, maar het duurde nu gewoonweg te lang. Twaalf jaren achtereen waren we het slachtoffer van onze hebberigheid.
Nu was het niet zo dat we er niets tegen ondernamen. We hadden de antislipmat al uit de douchebak gehaald, het hekje bij het trapgat verwijderd, wasmiddel voor haar uitgeschonken in de bijgeleverde, paarskleurige dop, maar het bleek allemaal tevergeefs te zijn geweest.

Op een fraaie winterse dag echter hadden we de open haard in gebruik genomen. We hadden de lunch juist achter de kiezen en mijn moeder had oma weer op de gebruikelijke wijze naar de bank weten te verslepen. Het was enkel nog wachten op het officiële moment waarop de fluorescerend roze knuffelrups overhandigd werd.
Oma’s ogen waren gericht op het pluche beest dat mijn moeder in handen had genomen. Nauwlettend volgde ze de verplaatsing van het roze object door de ruimte. Tot mijn moeder het om onverklaarbare redenen in de schouw wierp. Wellicht kon ze zoveel afzichtelijkheid niet meer trekken in haar huiskamer of was het de overgang. Je weet maar nooit wat vrouwen gaan doen als ze plotseling niet meer maandelijks leeg kunnen bloeden.
Hoe dan ook, wat volgde was iets waar ze in ieder bedevaartsoord een moord voor zouden doen. Een waar godswonder, een immobiele vrouw die plots een snoekduik maakt voor de redding van haar geliefde knuffeldier.
Het was een aparte vertoning kan ik u vertellen. Je eigen oma tot haar middel opgaand in een zee van vlammen. Zelfs mijn vader, die normaal gesproken de zaterdageditie van de krant niet weg kan leggen, stond binnen drie seconden in de nabijheid van het haardvuur.
Het spijt me dat ik u niet exact vertellen kan of oma het uitschreeuwde van pijn. U zult begrijpen dat sommige dingen je nu eenmaal zo extatisch kunnen maken dat je pas beseft dat het je overkomt op het moment dat het beste gedeelte alweer voorbij is.
Inmiddels had mijn vader de pook gepakt en begon hij oma’s bovenlichaam verder in het vuur te drukken. Zoetjesaan begon de suikerzieke bejaarde op te branden.
Nog zeker twee weken na de crematie in huiselijke kring hing de geur van karamel in de zitkamer.