Kalle Nijs

De Nieuwe Vijftigers / een moment van eenheid
Wrok en Wroeging tussen werelden in een Wereld

Zoete verwarring. Woelige poel van zomerregen waarin hij verdrinkt en zich verslonden voelt, doch weet dat het zomer is, en verdrinken in lauwwarm water een voorrecht.
-Snak adem. Ogen half dicht terwijl de eerste spieren zich al spannen. Veters strikken, schiet op! Wakker worden in een verstrengeling van veters en vingers is niks voor Ernst. Hij kijkt op en struikelt: struikelend, hotsend en botsend de trap afstuiterend. Hoofd, en dan voornamelijk oog, tegen de muur. Gemengde kreun van onmacht en verlichting wanneer de onhandige schoenslingers zich los in sokken laten proppen, voeten de laatste trede en begane grond vinden. Nu al warm, heet, zwetend; de deurklink voelt koud. Even vasthouden en afkoelen.
Woelige, zoete poel. Afkoelen en weer wegzakken; ooit wist Ernst niet anders. Ondergedompeld in sussend rood en lyrisch oranje, binnenkant van verlichte oogleden waar alles veilig was en veilig bleef. Eeuwig verdrinkend in lauw. Nu, echter, amper wegzakkend, langzaam de kleuren terugvinden, de smaken weer op het spoor komen. Woorden prikkelen het puntje van zijn tong, gedachten schreeuwen het al lang uit, vechten om overheersing. Geschapen hemel.
‘Sta je weer..’ schrik, moeder die langs wil. Loop langs dan! ‘..o, sorrie’. Ernst een slungelige stap opzij, zij een zucht, vroeger kon ze zich hier nog over opwinden. Terwijl toen haar tirades hem niet hadden gewekt, sleept nu zelfs haar zucht zich als ijzige adem zijn rug af. Deurklink klam en nat; draai, ruk, deur door en loslaten. ‘Je komt te laat!’ bonzend in zijn voorhoofd, handen tikken jas en broekzakken af, tot het rinkelt. Rinkel? Graai, sleutelbos gevonden. ‘Gaat lekker’ garagesleutel geselecteerd, ‘kan sneller’ steekt het voorhoofd toe, trillende handen steken blind met sleutel op slot. ‘Sneller, voort!’ steken en schrapen tot de verlossende penetratie. Het slot klikt en de garagedeur opent zich. Tergend. Langzaam.
Ernst voelt zijn ogen gevangen, geplakt aan de opening. Doch na enkele momenten lijkt de verwoede kreun van de deur meer een gaap. Deur op kniehoogte, hij ziet fietswielen. Hypnotiserend gezoem van elektrische motor achter houten panelen. Heuphoogte; trappers, versnellingen en tuingereedschap in de hoek. Hij weet wat er verder staat, waarom kijkt hij überhaupt nog? Ogen dwalen. Deur zweeft naar hoofdhoogte, alles is te zien, hij kan naar binnen. Maar Ernst ziet enkel nog rood en een zwak, zacht oranje.

In dit hoofd is het vrede, is het rust, is het dood. Daar buiten speelt het leven en voert Ernst zijn oorlogen, botst alles met elkaar en is chaos. Ernst voelt dit elke dag meer; het verschil tussen zijn en hun wereld, wanneer zijn lyrische overpeinzingen van het ochtendritueel bruut verstoord worden door zoute steken van aangebrand ontbijt op zijn tong. Ernst heet overigens geen Ernst, maar zo te zien hebben we wel even tijd voor een kleine inleiding?
Laat het wel niet te lang duren, er wacht een Mensenleven op ons. Vooruit.
Zijn echte naam (zijn originele naam, in zijn woorden) is Ernesto vanwege zijn (pseudo-) Hollandse moeder. Op een typische Pindakaascamping aan de Spaanse kust wist ze toentertijd een jonge exoot te strikken. Hij stelt zich zijn verwekking wel eens voor; zij vastgeklampt aan zijn hark, de dorre rode bladeren knisperend in de tot aan haar navel opgetrokken blauwe bloemetjesjurk, wanneer zich twee vruchten uit Vennep en Pontevedra ontmoeten -
Maar dat is weer een héél ander verhaal.
Een emotioneel uitputtende acht-en-een-halve maand later oogstte ze het bewijs van de daad waarin haar vriendinnen maar niet wilden geloven. Menig ander zou proberen het verhaal van de lichtgewicht-bastaard te verdoezelen. Zij, echter, noemde hem triomfantelijk naar zijn vader. Een stempel waarvan ze de echtheid niet kon bewijzen. Dichter bij exotisch bloed zou ze nooit meer komen, in die vroege maanden waar Ernesto nog brons zag en enkel huilde.
Goed, baby’s kennen we allemaal wel.
In de jaren die volgden waren alle zon-zeevakanties en mediterrane slaapliedjes aan hem verspild. De getintheid van zijn huid was omgekeerd evenredig met de hardheid van zijn ‘G’, die gestaag steeg, en tegen de tijd dat Ernst (zo besloot hij vroegtijdig) leerde lezen en schrijven deed alleen nog zijn gitzwarte haar afbreuk aan zijn klompengezichtje. Zwart haar, dat zijn moeder krampachtig krulde en in zoete, kruidige shampoos bleef dompelen. Zwart haar, pittige rode bladeren, op een gezicht bleek als een bloemetjesjurk.
Enfin, ik neem aan dat moeders’ aard nu wel is doorgedrongen.
Het dringt hem door.

Koude rilling langs zijn rug; het begint guur te worden. Ernst kijkt verward om zich heen. In de derde persoon was hij iemand, een verhaal, met een inhoud. Rillend duikt hij de garage in, enkel nog de prooi van een opstekende wind. Grissende handen als verdwaalde hoop vlees die zijn fiets uit het lastigste hoekje, onder de oude kranten en plakkerige verfblikken, uit proberen te wrikken. Zijn horloge spreekt in tongen. Ja, hij moet haast maken, door de regen. Maar nee, het maakt niets uit, want weinig tijd betekent dat alles mag.
De regen zwakt af en Ernst voelt de rubberen handvaten opwarmen in witgebalde vuisten. Na regen komt zonneschijn en Ernst moet er altijd bij zijn; fietst nog net op tijd naar buiten om de laatste druppels te proeven voor de wolken langzaam door goud licht worden opgespleten. Hij zou er woorden voor hebben, hij zou er over door kunnen gaan, maar niet nu. Nu is het simpel en is er beweging, beweegt hij, doet hij. Hij voelt het verhaal vorderen terwijl achter hem de lelijke Opel van Richard - de pseudo-vriend van z’n moeder, stipt voor de salsalessen - de oprit bestijgt, sloom en moeizaam, alsof alles dat Ernst achter zich laat in vertraging geraakt.
Woonwijken en weides flitsen voorbij zonder enkele ode of gedachte; alleen als een van de hang-Marokkanen zijn oog vangt vraagt hij zich weer even af wat voor wereld door hun volle, ronde klanken wordt geschetst. ‘Wat, homo?’ herinnert hem dat hij niet had moeten staren, en moet blijven bewegen, maar dat die jongens toch ook in het Nederlands graag in volle, ronde woorden vloeken.
Zo mis je dus een afslag! En dan kijken ze je na ook, en ze zien je als een klungel, of iets veel erger, waar alleen in hun taal woorden voor zijn. Kijk asjeblieft vóór je nu, en fiets door.
Zijn al warm geracete wangen gloeien met schaamrood wanneer Ernst omdraait en de andere straat in schiet. Haast, vindt Ernst, is tegen al zijn geliefde spreekwoorden in een gelukkige toestand. Buiten het zicht van de hangjeugd en de wereld is zijn wereld weer verminderd tot twee dingen, asfalt en fietsrubber, en tijd voor gedachten en dwalingen is er niet. Het liefst had hij altijd haast, jaagde hij bij voor en tegenspoed haar ongrijpbaarheid achterna.
Ernst jaagt de laatste heuvel af, het grijze asfalt maakt een scherpe bocht naar links in een landschap van nog grijzere bermen en voortuinen. Alles, van de uitnodigende rode fietsstrook tot het afstotelijke straatnaambord in de bocht, smeekt hem om af te buigen. Alles, behalve de lauwwarme poel, die fluistert waar het heen gaat.
Hij maakt de bocht niet, Ernst wil rechtdóór, ziet zijn pad uitgesneden tussen drassige bladerhopen en stervende bomen in de berm. Twee momenten later, een voorband en een te hoge stoeprand verder, ligt zijn gezicht midden in zijn beoogde route. Eenmaal grijnzend herrezen, mompelt hij een bedankje aan de echte wereld, maar hinkt rustig verder volgens het pad in zijn hoofd. Bomen willen nog stééds niet wijken en doorns blijven gretig haken aan de enkeling die dagelijks langskomt en zijn struikelende voeten van de vorige keer nauwgezet volgt. Ja, de bomen; zij vechten terug. Maar de voetsporen van gister zingen dat het al uitgevochten is.
Na de laatste laaghangende tak te hebben gekust met schrale, licht scheurende lippen, stapt Ernst uit de berm het grove grind op. De obstakels maar ook de voetsporen achter hem; enkel nog vrijheid en een treinspoor voor zijn neus. Een klein stukje rauwe wereld dat wel op zijn eigen wereld lijkt. Voorzichtig likt hij de mossige berm van zijn lippen en glijdt verder zijn wereld in, de echte wereld in, en wanneer zijn zware hoofd eindelijk op een spoorbalk rust weet niemand meer of hij nog waakt of droomt.

Het spoor begon niet onheilspellend te grommen, enkel een koele trilling waarschuwde voor een gevaarte honderden meters verderop. De trein ging ook niet van ‘Kedeng Kedeng’, geen tromgeroffel en geen ‘Tjoe Tjoee’ om zijn komst in te luiden, maar bij gebrek aan dramatiek had Ernst hem zelf al ingeluid. Tussen zijn oren een gefluisterde ode aan de NS; een gebed dat hij weinig vertraging zou veroorzaken vandaag; een korte verontschuldiging aan de rest van de wereld. Zijn ogen waren gesloten omdat de lucht vandaag niet bij Zijn lucht paste, maar zijn handen waren zoals altijd om zijn buik geklemd, nog zo’n klein plekje waar de wereld precies was zoals hij hoorde. Wakker dromend overstemde de naderende trein nu al zijn gedachten en Ernst voelde dat het moment dichtbij was. Toen hij, na een diepe adem, begon te schreeuwen, schoof het gevaarte zich over hem. Krijsende longen trilden in eenheid met zwarte motoren. Ogen en pupillen gesperd, de oneindigheid in starend, die maar centimeters verderop lag. Secondes van schokken en huilen, het genot om het einde aan te staren, en het schrijnende verlangen haar te omhelzen. Een laatste snuif diesel was de laatste slok wilskracht en Ernst sloot zijn ogen, tuitte zijn lippen, en zette zich hard af van de grond. Het einde omhelzend.

Oude handen om een slanke nek. Had God oude handen? Verrek, dat is míjn nek, denkt Ernst. En zou God mij zo durven schudden..? Hier- hier is iets mis! Go…
‘..dverdomme, kind! Word wakker!’
Koud speeksel op zijn kin, even scherp en ontnuchterend als een emmer ijswater op zondagmorgen. Roodgehuilde ogen sperren open, staren terug in een paar oude uitgehuilde. Een rimpelige mond, zonder speeksel, die ademloos openhangt terwijl de handen doorgaan met schudden en trekken, hijgt dat hij verdomde gek moet zijn. Ernst klimt op zijn voeten, laat zich van het spoor afslepen, en laat de te felle zon hem om de oren slaan.

De zachte warme poel in zijn hoofd was nog nooit zo ver verwijderd van de warme tintelende straal langs zijn rechterbeen.