Varenca Shiro Vis
De dagen na die dag
Vandaag zag ik langs de weg weer die dode eend liggen. Ik vertraagde mijn trapbewegingen en duwde zachtjes de handremmen in. Waarom ik zo lang staarde naar het dode beest weet ik niet. Hij had geen hoofd meer. Het bloed dat ooit uit zijn hoofd heeft gegutst kleefde bevroren aan het wegdek. Ongemerkt was ik gestopt. Mijn fiets viel in de bosjes, door mijn knieën heen zakte in naast het stukje roadkill. Op zijn oranje poten glinsterde een klein laagje ijs. Uit mijn mond kwamen ademwolkjes. Ik zocht naar maden in zijn lichaam, naar een teken van de vertering van de natuur. Ik weet niet zo goed waarom, volgens mij ben ik onnatuurlijk nieuwsgierig.
De gierende remmen van een auto lieten me opspringen. Geschrokken viel ik om en mijn hand verschoof het koude karkas. Mijn vingertoppen raakten de veren, maar pas toen ik weer op de stoep stond en ik mijn eigen reflectie zag, merkte ik de onthoofde eend op in mijn armen.
Die avond nam ik een omweg. Ondanks mijn uitgeputte ziel en voeten, fietste ik langs de grauwe laan met kale bomen waar elk huis hetzelfde oogt. Ik wilde mijn thuiskomst vertragen door te dwalen in het duister. Er is niets waar ik meer van houd dan het duister. In het donker spelen schaduwen geen rol, alsof de eeuwige zon je leven verblijdt in de vorm van een warme zwarte deken van de nacht.
Ik vertraagde mijn thuiskomst om de realiteit te ontkennen die ik in mijn tas verborg.
We hielden een staarwedstrijdje, de dag na het gisteren van vandaag. Ik won. Na een eentonige stilte zette ik de tv aan. Zonder op te letten volgde ik de flitsende beelden. Pas na twaalven hoorde ik de voetstappen van beneden verhuizen naar boven. Even werd mijn deur nog op een kier gezet, maar ik veinsde een rustige ademhaling en gesloten ogen. Slechts tegen het middernacht van onze zielen klommen we naar het dal van de kelder. In de instant kou van de vriezer legde ik hem voorzichtig, en kuste ik hem goedenacht.
Dag mijn lief, ik zie je morgen. Gebruik die vleugels goed en vlieg je dromen tegemoet.
Het duurde een week, ons grenzeloze en absurde samenzijn. Maar het gillen van mijn moeder doorbrak ruw de essentie van onze liefde. Onze realiteit.
Zes dagen na het gisteren van verleden week, en mijn knieën raken onbekende gronden. Zonder dat ik het wil huilen mijn ogen. Nooit heb ik de blikken en vragen die ik kreeg gesnapt. Het onbegrip. Maar vandaag hebben ze het uitgelegd. Tergend geduldig.
Dode eenden knuffelen mag niet.