Celine Vervaet

Een vrolijk verhaal / verwarring

Hij wil leven als een lied. Hij wil alles kunnen. Hij wil alles doen. Of het minstens geprobeerd hebben! Wanneer Lode de straat op gaat, heeft hij muziek in zijn oren – niet te luid – en kijkt. De klanken en stemmen die zijn hoofd binnensluipen maken hem zowaar high. Er is zoveel te bekijken! Dagdagelijkse situaties kunnen zo ontzettend charmant zijn. De overbuur veegt de stoep terwijl zijn vrouw de ramen lapt. Ze laat haar spons in de emmer vallen, het water spat in haar gezicht. Ze lacht verstrooid. Iets verder wankelt een kind op zijn kleine fietsje waar achteraan een stok uitsteekt. Zijn vader heeft geduld, grijpt steeds opnieuw naar de bezemsteel. “Ge moet u stuur recht houden”. Later wordt hij wielrenner! Om de hoek scheuren de auto’s op de drukke baan. Aan de overkant fietst Lode langs een sloot. De eenden versperren het fietspad en in zijn oren zingt Jacques Brel au troisième temps de la valse. “Ge moet u klassiekers kennen”, zegt hij tegen zijn vrienden die er niets aan vinden. Hij luistert evengoed naar techno day and night. Hij houdt van feesten tot in de vroege uurtjes. Met zijn ogen halfgesloten een kleine massa zien bewegen. “Ge moet nergens aan denken.” Mensen tegenkomen, dansen en lullen over niets. Met zijn vrienden nachten volpraten en het uiteindelijk opgeven omdat iedereen te dronken is. Hij ligt soms ’s ochtends wakker op zijn rug, beseffend dat zijn hoofd nog wiegt. Dan komen de leukste ideeën. Hij blijft liggen tot de middag. Daarna kan hij een uur aan de keukentafel zitten met een kop koffie en buiten een blaadje gadeslaan dat door de wind beweegt. Zo ziet hij de hele wereld. ’s Avonds, wanneer hij op zijn buik wacht op de slaap, kan hij ze soms niet vatten. Hij denkt aan morgen, aan de zomer, aan die film die hij nog moet zien, aan dat lied dat hij terug wil horen, aan dat meisje en aan dat ander meisje. Naast de slaap vat hij ook zichzelf niet. De muziek die altijd klinkt, doet hem hopen op meer, beter en mooier. Woorden kunnen het niet verhalen. Het lijkt alsof hij perfect weet wat hij wil maar vanbinnen woedt een strijd. Hij wil alles doen. Hij wil alles kunnen en kennen. Hij weet niet waarom en hij weet niet waar te beginnen. Dus volgt hij zijn gevoel. Ja, hij noemt zichzelf gelukkig. Hij zit graag op de trein met kameraden te praten. Als hij alleen is heeft hij altijd een boek of kijkt hij naar het voorbijrazende landschap. Zijn eeuwige gezel is er altijd: de muziek. Zelf kan hij ze niet maken – buiten enkele melodietjes op een pianoklavier – maar ook dat moet en zal hij ooit beter kunnen.
Vandaag zit Lode op een eiland in de stad. De kerk is statiger dan ooit onder een felle februarizon. Hij kijkt dagelijks, wanneer hij de trein moet halen, op de klok van de toren, de peperbus. Al is de buitenkant groengrijs en vuil van de regen, het is een mooi gebouw. Waardig is het een deel van de stad. Het heeft zijn plaatsje op de markt, net als de winkels, de bibliotheek en de huizen. Nu is diezelfde kerk een doolhof, een onverkend gebied. Lode was er al eerder binnen geweest. Met kerstmis, Pasen en voor de start van het werkjaar van de jeugdbeweging. Hij hield wel van de overladen decoratiestijl. Nu ziet het er anders uit. De buik van het bouwwerk loopt vol. De heiligenbeelden kijken hem lachend aan. Mensen in grauwe kledij stromen binnen. Vooraan zit Lode naast zijn moeder en broers. Zijn hoofd is leeg en vol tegelijk. Een beetje zweverig en toch een tikkeltje terneergeslagen. Hij weet niet welke kant op te kijken. Zijn gedachten botsen van hier naar daar. “Ge moet altijd leven alsof het uwen laatste dag is,” zei zijn vader vaak. Met een lach op de lippen en kuiltjes in de wangen. Hij was op een verloren moment Lode’s moeder tegengekomen. Niet zijn eerste meisje, maar wel het eerste dat hem inspiratie gaf. Hij had massa’s gedichten geschreven. Hij had alle continenten meermaals gezien. Hij zong en danste. En of hij aan zijn leuze vasthield! Tot de laatste avond hebben ze vrolijk gepraat, op restaurant het lekkerste besteld, voor de duizendste keer naar de mooiste film gekeken. Alsof zijn vader wist dat hij net die nacht niet meer zou ontwaken. Op de kist staat een foto van een breed glimlachende man met pretoogjes. Hij steekt zijn hoofd uit het kader. Een arm volgt, de wijsvinger wenkt Lode. “Ge moet niet zo stom kijken,” grijnst zijn vader. De muziek begint en Lode lacht.