Wouter van Haver

De blikken auto

1 INT. SLAAPKAMER KIND. DAG.

Een duffe, bruinige kamer waar niets in het oog springt, behalve een kleine blikken speelgoedauto op de houten vloer. Het dingetje is versleten, de verf zodanig afgebladderd dat nog moeilijk te merken is dat het speeltuig ooit glimmend rood gelakt was. Het metaal blikkert in die ene heldere lichtbundel die door de kamer scheert.

Het licht wordt onderbroken door de schaduw van een kinderhand. Een houten speelgoedpopje wordt op de bestuurdersstoel gedrukt. Met een lach op de lippen laat HET
KIND, 3, doof, zijn wagen over het parket racen. Hij lacht IN STILTE wanneer hij de auto met een stevige duw loslaat. Het tuigje snelt even vooruit en crasht geluidloos tegen de muur. Het speeltje valt op zijn kant, het poppetje glijdt langzaam uit zijn stoel. Het kind kirt GELUIDLOOS en gaat naar zijn gecrashte speeltje toe.

Hij stopt wanneer een paar benen in de deuropening verschijnen. Wanneer hij opzij kijkt staart hij in het gezicht van DE MOEDER, halverwege de twintig. Ze heeft een mager en bleek voorkomen. Haar gezicht is schichtig, paniekerig. Met een paar gejaagde passen is ze bij het kind. Ze lift hem van de grond en beent hem de kamer uit. Het kind kijkt met verlangende ogen naar zijn speelgoedwagen, strekt er een arm naar uit, maar moet machteloos toezien hoe het blikken speeltje steeds kleiner wordt. Vingertjes grijpen in het lege.

2 INT. WOONBLOK. DAG.

Trappen. Gangen. Nog meer trappen. Moeder en kind zijn op de vlucht, op weg naar de buitenlucht. Overal komen mensen hun appartementjes uit. Paniek. LAWAAI. Ergens joelt een ALARM. Sommige vluchtelingen sleuren valiezen mee. Anderen houden niets vast, behalve de hand van een kind, of een geliefde. De moeder houdt haar zoon dicht tegen zich aangedrukt. De peuter kan nog net met zijn ogen boven haar schouder uitkijken. GERUIS. Hij ziet een MAN een valies uit de handen van zijn ECHTGENOTE rukken en opzij werpen. Door de klap rijt de valies open. Porselein schuift aan scherven. De man neemt zijn vrouw bij de arm en sleept haar mee. Ze huilt. Het kind staart met grote ogen naar deze stille film. Het
tafereel krimpt terwijl het steeds verder van hem verwijderd raakt.

3 EXT. PLEIN. DAG.

Moeder en kind wringen zich door de toegangspoort van het woonblok. Ze worden op de golven van een mensenmassa door een straatje gestuwd. Komen dan temidden van de uitdijende massa op een rond pleintje terecht. In het centrum sputtert een fonteintje. In de verte klinken SCHOTEN. De massa slaat in paniek en wordt onbedwingbaar. Chaos. De moeder bewaart haar kalmte, drukt haar kind dichter tegen zich aan, kijkt even rond en kiest vervolgens een richting om uit te gaan. Weg van de mensenzee.

4 EXT. STRATEN. DAG.

Moeder, het kind nog steeds op de arm, beent snel over een verlaten kasseiweg. De stad staat in brand. Het kind staart verwonderd naar de dikke rookwolken die de zon verduisteren.

De moeder gaat een hoek om, een nieuwe straat in. Dan stopt ze en drukt ze zich snel in het portier van één van de huizen. Van daaruit is ze getuige van het drama dat zich in de belendende straat afspeelt. BURGERS rennen een huis uit. GEGIL splijt de stilte. Geweervuur RATELT. Een vrouw stort neer. Haar echtgenoot draait zich om en wordt in zijn aarzeling zelf door kogels tegen de kasseien gedrukt. Pijn sleurt een ijzig GEJAMMER uit zijn strot. SOLDATEN verschijnen. Eén van hen stopt bij het lichaam van de neergeschoten man. Die houdt trillend zijn handen omhoog. De moeder schrikt wanneer EEN SCHOT tegen de huizen echoot.

Wanneer de kust veilig lijkt rent de moeder het portier uit. Ze keert op haar stappen terug en slaat een andere weg in. De straat is verlaten. Papier en afval waaien over de kasseien. Er ligt een gekantelde bakfiets tegen een lantaarnpaal. De moeder kijkt er even naar, werpt even een blik over haar schouder en zet dan het kind neer bij de bakfiets. Ze probeert of ze het gevaarte recht kan zetten, maar merkt dan dat het achterwiel omgebogen is. Nog even
kijkt ze om zich heen. Er is een idee door haar heen geschoten. Ze twijfelt. Schrikt op door een luide EXPLOSIE. SCHOTEN in de verte. Er is weinig tijd.

Ze knielt voor het kind neer en drukt hem tegen zich aan. Vervolgens zet ze hem in de bak van de fiets en legt ze haar wijsvinger sussend op de lippen. Ze probeert het deksel te sluiten maar het valt telkens weer open. Het kind strekt zijn armen naar haar uit. De moeder schudt haar hoofd, duwt hem zachtjes terug de bak in en bindt dan het deksel dicht met de lederen sluitriemen die aan de bak bengelen. Zonder ze aan te spannen. Haar ogen zijn rooddoorlopen.

5 INT. BAKFIETS. VERVOLGD.

Het kind wacht. Hij moet zich kleinmaken om in de bak te passen. Zijn armen zijn om zijn opgetrokken knieën geslagen. Zonlicht sluipt door een kier de bak in. GERUIS. Het kind
houdt zijn hand tegen het binnenstromende licht en kijkt hoe kleine sterretjes ontvlammen in de spleetjes tussen zijn vingers.

6 EXT. STRAAT. VERVOLGD.

Moeder stapt behoedzaam verder. Kijkt links en rechts, op zoek naar een schuilplaats, maar vindt er geen. Ze werpt een blik over haar schouder. De bakfiets is al een heel eind van haar verwijderd. Wanneer ze haar blik weer voor haar richt staart ze een aantal SOLDATEN, die de hoek om komen, in het gezicht. Eén van hen SCHREEUWT. De moeder draait zich om. Vlucht. De soldaten komen achter haar aan. Halen haar snel in. Grijpen haar bij de arm. Een GIL wordt abrupt afgebroken en vervangen door:

7 INT. BAKFIETS. VERVOLGD.

GERUIS. Het kind is zich van geen kwaad bewust. Hij observeert nieuwsgierig zijn schuilplaats. Er liggen een aantal stenen aan zijn voeten. Hij raapt er één op en draait hem even rond. Vervolgens laat hij de kei als een ersatzspeelgoedauto over de wanden van de bak racen.

Tijdens het spel wrikt het kind de kei tussen de kier van het deksel. De steen schuift er makkelijk tussen. Valt. In een poging zijn speeltje te recupereren duwt het kind zijn vingers door de kier. Tevergeefs.

Om te ontsnappen aan deze Tantaluskwelling probeert het kind het deksel open te krijgen. Hij duwt met beide handen tegen het deksel, maar het geeft slechts gedeeltelijk mee. De
sluitriemen bieden weerstand. Het leder lijkt onverzettelijk, maar vertoont al snel enkele scheurtjes. Wanneer het kind zijn voeten tegen het deksel stampt worden de riempjes hard op de proef gesteld. Voetjes beuken tegen het deksel. Eenmaal. Tweemaal. Driemaal. Bij die laatste poging gaan de riempjes aan flarden. Fel licht verblindt.

8 EXT. STRAAT. VERVOLGD.(2)

Het kind, eindelijk bevrijd, kruipt zijn schuilplaats uit, gaat rechtstaan en kijkt om zich heen. De wereld is bedrieglijk stil. Hij raapt zijn verloren kei op. Kijkt er even naar, omklemt hem en stopt hem dan in zijn zak. Vervolgens zet hij het op een lopen. Terug waar hij vandaan kwam.

Hij rent een straat door. Zijn linkerhand glijdt langs de spijlen van een hek. Aan het eind van de straat gaat hij om de hoek en stopt dan abrupt. DRIE GEWAPENDE BURGERS komen op hem afgerend. Hun VOETSTAPPEN klinken als donder op de kasseien, maar het kind hoort enkel RUIS. Twee van de drie mannen lopen het kind gewoon voorbij. De derde, blond, met een vriendelijk maar vuil gelaat, stopt bij de kleuter en hurkt.

MAN 1
Hey, wat doe jij hier alleen?

Het kind ziet de lippen woorden vormen. Reageert niet. Wijst dan de richting aan die hij uit wil.

MAN 1
O nee, daar wil je niet heen...

Eén van de andere mannen heeft zich ondertussen omgedraaid.

MAN 2
Laat dat kind toch!

MAN 1
Hij is doof!

De eerste man schoudert zijn geweer en neemt het kind op de arm. Vervolgens wandelt hij naar zijn kameraden. De andere man schudt geërgerd het hoofd en begint naar de eerste man toe te stappen. Het kind verzet zich.

MAN 2
Zet hem dan toch neer!

Wanhopig strekt het kind zijn arm naar de richting die hij uit wil. In een poging uit de greep van de man te ontsnappen begint hij stevig met zijn beentjes te schoppen. Het werkt. De man wordt gedwongen hem neer te zetten. Meteen rent het kind weg, de andere kant uit. De man maakt aanstalten om hem achterna te gaan, maar de tweede man legt een hand op zijn
schouder en houdt hem met strenge blik tegen...

Met tegenzin draait de man zich om en vervoegt zich bij zijn groepje. Wanneer hij nog één blik over de schouder werpt ziet hij het kind de hoek om gaan.

9 EXT. PLEIN. DAG.

Het pleintje met de fontein. Dikke rookwolken kolken uit een aantal huizen. Brokstukken liggen over de kasseien verspreid. Het kind slaat er geen acht op. Wandelt in één rechte lijn het plein over.

Een SOLDAAT komt een huis uitgewandeld. Het kind is met zijn rug naar hem toe gekeerd. De soldaat is slechts over de schouder van het kind te zien. Hij schreeuwt.

SOLDAAT
STOP!

Tevergeefs. Een tweede schreeuw verdrinkt eveneens in GELUIDLOOSHEID. De soldaat schoudert zijn geweer. Richt.

SOLDAAT
(geluidloos)
Ik... ik schiet!

Het kind, zich onbewust van de bevelen die hem naar het hoofd worden geslingerd, wandelt rustig voort. Hij bereikt de fontein en blijft daar even stilstaan. Drie straatjes geven uit op het plein. De bengel twijfelt even welke de juiste weg naar zijn huis is.

De soldaat slikt. Spant de haan van zijn geweer. Zijn borst gaat met zware ademstoten op en neer. Zijn vinger trilt op de trekker. Zweetparels kleven aan zijn voorhoofd. Het kind heeft nog steeds niet uitgemaakt welke straat hij nemen moet. Hij is een makkelijk doelwit, maar de soldaat kan zich er nog steeds niet toe bewegen de trekker over te halen. Zijn adamsappel maakt een sprongetje. Zijn handen trillen.

Dan herkent het kind aan het eind van één van de drie straatjes de ijzeren toegangspoort tot zijn woonblok. Een glimlach. Hij zet het op een lopen. De soldaat slaat hem gade met het vizier bij zijn oog. Zijn vinger drukt harder op de trekker, maar het kind verdwijnt in het straatje. Buiten schot. De soldaat laat zijn geweer zakken en veegt het zweet van zijn voorhoofd. Een zucht. De man slikt en draait zich om.

10 INT. WOONBLOK. DAG.

Eens hij het woonblok betreden heeft wordt het kind steeds enthousiaster. Hij loopt de trappen op. Passeert achteloos leeg gestrooide valiezen en een verdwaald lijk. Gangen. Het
kind rent langs de gescheurde valies uit scène 2. Porseleinen scherven KNERPEN onder zijn voeten. Trappen. Hij gaat steeds sneller en sneller. Tot hij bij de deur komt. Binnengaat.

11 INT. SLAAPKAMER KIND. DAG.

Het kind houdt halt in het deurgat. In de hoek ziet hij de blikken auto liggen die hij in alle rampspoed had moeten achterlaten. Hij rent er heen, gaat er op zijn hurken naast zitten en pikt hem op. Een oprechte LACH schalt door de kamer.

Door de openstaande deur klinken onverstaanbare MANNENSTEMMEN. Korte zinnen. Bevelen. Combatboots DRUMMEN op houten trappen. Het kind laat achteloos zijn speeltje over het parket slieren. Zijn gezicht straalt geluk uit. In zijn oren kleeft enkel GERUIS.

De openstaande deur. Het kozijn vormt een frame voor flets bloemetjesbehang. De dreigende geluiden van NADERENDE SOLDATEN zwellen aan. Groeiende schaduwen tekenen zich af tegen het muffe behang.

Het kind gaat op zijn buik liggen. Zijn auto rolt hij heen en weer. Steeds sneller, steeds heviger. Hij is van plan hem los te laten. Achter hem is het deurgat vaag zichtbaar. De
combatboots van EEN SOLDAAT verschijnen in de opening. Zijn schaduw valt de kamer binnen en reikt tot aan het kind dat net zijn autootje loslaat.

De blikken auto scheurt over het parket. Komt hard tot stilstand tegen de muur. Kantelt.

GERUIS wordt STILTE.

EINDE