Anna de Bruyckere

[Titelloos tweeluik]

i

De wind heeft zich vergist de pannen te lichten
van het huis naast het jouwe. Hij heeft zich verslikt in je
streken, zoals vroeger voor je wagen gespannen, opnieuw

een spoor van vernieling per strekkende meter getrokken. Dat
wij nog op dat naburig dak gezeten hebben, een deken als
bronstig excuus om onze benen te schikken

in elkaars plooien. Dat jij in je handen klapte en deed
alsof hij huilde op bevel, en niet hij maar jij de woorden van
de weerman schreef. Het was vanuit mijn slaapkamerraam

dat we klommen, buiten de greep van wie beneden tv keek, ik
in je hand, in je arm. Dat je dan soms je ongewoon
ranke vingers als om een uier rond mijn nek schikte—

ii

Het zou een avond in mei zijn, maar met het dooiende licht
van augustus, wat flarden gebeier over een matige wind
naar het westen, de zee, de dalende zon, als ik kon

kiezen op welke dag—welke als vraag naar agenda’s, niet
naar manieren—je zou dagen en de groeven van het tafelblad
volgen als een stokkende trein. De keuken van ons huis is waar

nog steeds geboren wordt, vaste grond onder voeten gegeven, en ook
begraven—ik sta met mijn rug naar het fornuis, vermoed: dit
is het dan. En: alleen in poëzie is dat iets wat je zeker weet—

maar geen klokken, geen zucht of een westen, wel een verregende
februarischemer vanavond. De tafel leunt stom tegen mijn
middenrif aan, de nerven sporen, de ringen berging van een

weerbericht dat na mij niemand nog onthoudt. Het is niet genoeg dat
iemand hier leeft, hier moet gesproken, vergeten, beweend, bij

voorkeur door jou.


Schaak

Zijdelingse bespiegelingen aan een schaker - zou Vasalis er ook één zijn geweest?

i

Alles is al gezegd, niet enkel vandaag,
over het zwart-wit van de wereld en hoe
koningen slechte verliezers, het hoofd

van een spel dat zich zonder hen niet
laat spelen. Je peinst, je trekt je terug

en wacht – ik zeg glimlachend, dit is de tijd die niet
verloren gaat. Je wijst naar het bord, dan lichten
je ogen als je herkent. Wat ik niet uitspreek:

ii

een naderend uitblijven van zetten, de lucht
die zich niet langer in decibel uitdrukt. Geen
voorbereiding zwaar genoeg om dit moment

in rust te verwachten—toch, geen wens om me
eraan te onttrekken, dit wil- en wereldloos drijven
op de stilte van je gedachten. Of het hoofd

of het hart het skelet van ons spel vormt, krijgt
zelfs dan geen afdoend antwoord. We kunnen nog
alle kanten op, weten dat er meer is dan enkel

tegenstand — een slecht verliezende dame heb
ik nooit gekend.

iii

Hoe ondoorzichtig de ruimte op een perfect
vierkant bord voor de speler kan zijn. Een blik is
doorgaans niet iets waaraan kruisende paden

zich zondermeer tonen—een blik is een stip
tussen pijlen. Dat beweging een ander
gezichtspunt kan vergen, is wat pion na pion

in een steeds ruimer wordend veld op mijn netvlies
staat als de som van lege plaatsen. Verliezen
is vooralsnog geen vraag. Boren

in onbekende grond en wegen, dat wel. En altijd
mocht het nodig, opnieuw willen beginnen.


Een brief om achteraf te vinden

We hebben de kosten beraamd en besloten dat de kozijnen
beter uitkijkposten zijn en we onze adem op ruiten
gekristalliseerd moeten weten, en koesteren. We zien

de aanlegsteigers, dat wel, maar staan tegelijk op de spaanders
als vermanende vingers—de wereld langszij en toch
tussen de wal en het schip moeten kijken.

Het water is niets om bang voor te zijn, dat is wat
je hoort als het kabbelt. Onze tenen zullen niet smelten,
onze ogen kunnen uitgewreven en ook neuzen dichtgeknepen.

Het zijn onze knieën waar onze zorgen naar uitgaan—zo een steiger
is een brug naar waar het water diep genoeg is om te drijven of
verdrinken; raken zal het je hoe dan ook. Onze gewrichten

zijn al sinds lang hun soepelheid kwijt, ze corroderen door
de minste druppels van een zee wier golven enkel
elkaar hebben om in over te stromen—

wij hebben enkel elkaar, we bewonen waar we aan hechten
en blijven.


Dialoog voor één

Wat te doen met een boeket dat je niet
kent en met papier errond dat eigenlijk
gerold is op de maat van dikke bossen?

Dat je niet schreef heb ik nooit opgevat
als iets dat in een vaas te steken valt, het was
wellicht een kwestie van adressenboeken, hoe je

daarin huisgehouden had, het mijne
met de straatvegers hebt meegestuurd, wie weet
ook dat een toeval toen ze je in de ochtend

zonder dat het licht was al verrasten
en de vuilnisbakken leeg, dat eindelijk een vuur
dat ik niet ken je aangewakkerd heeft. Voor mij

geen haard, voor jou geen plaats als er een was
waar ik nu woon. Een onbekend boeket heb ik
vanochtend weggedaan, bloemen als

bidden op gave knieën voor een onbenoemde steen —
leven is meer dan het papier bewaren en een gedicht
als gebed met stengelvocht geschreven.


Stel

Een koppel, de één monstert de lucht, de ander
een krant. Een tafel delen ze vooral. Die is niet meer
van één van beiden zoals een middelpunt dat is, zoals

het kruis lijkt weg te bewegen van zowel het hoofd
als het hart. Het is een eigen geraamte, die tafel, gaat
stuurloos, staat stil nu, geen zeilen

die worden gespannen en als ze er zijn, dan
is de wind nog niet te vertrouwen. Het is het hout
dat ze reven als ze voor even met meer

dan een lichaam dezelfde kant van het meubel
zien. Ze vragen soms naar elkaars streven,
maar niet naar een hoe of wanneer.