Machteld de Ruyck

Er is altijd nog koffie

Proloog

Op het moment dat ze zich aanbood als hulp bij de begrafenis, besefte ik niets. Alleen het besef van een gat in mijn hart dat er jaren geleden al was uitgescheurd. Dat vlezig bloederige stuk liefde had hij teruggenomen en weer weggegeven.
De begrafenis was sober, mooi, krachtig en onbetrouwbaar.
De bloemen reflecteerden zijn lieve kant, de kant die je alleen kende als je wist dat hij ’s morgens na een nacht samen, kramp in zijn kuitspieren had. Zij had die bloemen uitgekozen. De muziek galmde door de kerk, die muziek die hij alleen draaide als hij dat wat hem gelukkig maakte achterliet. Muziek die hij alleen draaide in het begin van ons huwelijk. Voordat hij op zakenreis ging. Zij had mij die cd aangeraden.

Terwijl de stoelen kraakten op de manier dat hij wilde dat ze kraakten, de schoenen piepten op de manier dat hij wilde dat ze piepten, zat die vrouw in deze kerk, de kerk waar wij getrouwd waren.

Ik noem mezelf weduwe. Terwijl zíj achterin zit, zit ik in het gedeelte voor de naaste familie.

Terwijl hij zijn stuk hart opnieuw heeft teruggenomen en meegenomen naar de hel, gaapt er in twee vrouwenharten een gat, bij eentje wordt dit gevuld met erfenis en medelij. Bij die andere met niets.

‘Genodigden, kunnen de familie volgen…’


Myrthe

Ik plantte op zestien januari mijn fiets ruw in het fietsenrek. Ik keek op mijn horloge dat mij vertelde dat ik wéér te laat was. Ik rende het laatste stukje, naar het café. Het was half januari, maar de bruingele zonnewering van het koffiehuis was nog steeds naar beneden. Ik opende de deur en ik stapte de gezellige ruimte binnen. De zachte jazz streelde mijn humeur en mijn trommelvliezen. Ik slalomde tussen de bruine fauteuils door, naar de bar. Ik kuste mijn collega’s even op de wang en ik haalde mijn schort uit mijn tas.
‘Myrt,’ zei Ineke die even streng om het kozijn van de keukendeur gluurde. ‘Dit is echt de laatste keer.’
Ik rende naar de keuken om mijn schort vast te binden.
‘Myrthe!’ riep de schelle stem van Ineke boven het gefluit van de koffiemachine uit.
‘Ja, ik kom eraan,’ zei ik.
‘Neem tafel twee en drie even op!’ riep Ineke wier stem me nu toesnauwde.
‘Oké, oké,’ zei ik en ik liep naar de tafels bij het raam.

Er barstte een regenbui los. Met pijpenstelen. De stralen water leken het plafond te doorboren.
De zakenlui die bij ons nog altijd even een kopje meeneemkoffie voor in de auto kwamen halen, renden naar het café. Sommigen hielden een koffer of een krant boven hun hoofd terwijl ze met lange stoffen beige jassen naar het koffiehuis renden. Ik snelde naar de deur en hield hem open zodat ze meteen naar binnen konden rennen. Ineke keek geïrriteerd hoe ze natte voetafdrukken achterlieten op de donkerhouten vloer. Een van hen droeg een vlot leren jack en had een jong gezicht. Toch droeg hij een koffertje, dat akelig vloekte met zijn nonchalante jasje.

Ik luisterde amper naar de woorden die ze naar me riepen, ik typte gewoon. Het was mijn routine. Terwijl ik hier werkte als arme student, kochten zij koffie, net zo duur als mijn uursalaris, zonder dat ze het opmerkten.
‘Mag ik een cafeïnevrije koffie en nog zo’n brownie.’
Ik wilde typen, mijn vingers bevonden zich bij de top vijf mannelijke koffies. Ik keek even op en ik keek tot mijn verbazing in de ogen van de man met het leren jack. De schok die ik voelde, mijn blozende wangen die ik voelde, mij trillende vingers die ik voelde, god waar was ik mee bezig.
Hij keek me vragend aan met een opgeheven wenkbrauw.
‘Ja, natuurlijk,’ zei ik.
Terwijl ik zocht naar het knopje voor de cafeïnevrije koffie, boog hij over de balie. Mijn hart begon sneller te slaan en ik snoof zijn geur op. Ik rook door de deodorant en het dure luchtje heen, ik zocht naar de geur van zijn huid. En die rook ik. Die sloeg ik op om nooit meer los te laten.
‘Ineke,’ zei hij vaag, in een andere wereld. Ik rook zijn lucht. Hij kuste Ineke en gaf haar een kaartje. Ik keek naar de handen die het goudkleurige envelopje in de gerimpelde handen van Ineke duwden.

Ik snoof aan zijn lucht. God wat was hij machtig. Geen fooi. Het kon me niet schelen.

*

De volgende week in het koffiehuis, om zeven uur ‘s avonds liepen de zakenmannen naar binnen. Ik keerde ze even mijn rug toe, ik voelde het aankomen. Ik draaide me om en ik hielp de mannen zoals gewoonlijk. Toen ik naar huis wilde gaan, zag ik dat de man met het leren jack er nog was. Snel liep ik naar buiten, ik smeet de deur open en ik moest op die fiets zitten.
Ik schopte tegen mijn fiets die overduidelijk een lekke band had gekregen, alleen om mij te krengen. Ja, ik ben theatraal. Ja. Ik houd van drama. Griekse tragedie. Of het trappen tegen je fiets onder een tragedie valt, ligt aan hoe je het interpreteert.
De galmende klap van de deur van het koffiehuis die dichtsloeg, was als een klap in mijn gezicht. Ik voelde mijn lichaam draaien, maar mijn hoofd wilde niet mee. De grond was even veel aantrekkelijker om naar te kijken. Toch hief ik mijn ogen op en ik keek in het ruwe gezicht van de man met zijn leren jack. Hij keek niet terug. Even een schietgebedje, de bushalte was de andere kant op.
In de bushalte stak ik een sigaret op. De rook vulde mijn longen samen met de ijzige januarilucht. Ik blies de rook uit en genoot van de sigaret. Een dure auto kwam aangereden, ik kon niet zien wie er in zat. Maar ik had een vermoeden. Een vermoeden dat helaas ijziger was dan de wind. Ik kon hem bijna ruiken.
De auto stopte voor de bushalte.
‘Heb je een lift nodig?’ vroeg de man toen hij zijn raam naar beneden had laten schuiven. Terwijl de woorden over zijn lippen waren gekomen veranderde het ijzige vermoeden in een heet verlangen. Lust. Theatrale Lust.

Nog geen vijf minuten later zat ik naast hem in zijn Mercedes. We gingen eerst door het standaardgesprek, dat wel een uur leek te duren. Misschien wel het beste uur van mijn leven, al denk ik nooit zo in tijd, maar in momenten.
‘Hoe heet je?’ vroeg hij. Mijn hart maakt een salto en klopte harder dan ooit te voren. Hij wou mijn naam weten, zou ik hem die vertellen? Ik rook de geur van zijn adem, koffie, maar toch fris. Ik zag een pakje kauwgom liggen. Ik hou van de lucht van kauwgom en koffie. Ik had er nooit aan gedacht, maar nu hield ik ervan.
‘Myrthe,’ zei ik, verlegen maar toch kordaat. Ik legde net genoeg accent op mijn naam en precies genoeg op de zachte r. Ik sprak het zo uit, dat je wel moest weten dat je mijn naam met i-grec schrijft.
‘Myrthe,’ herhaalde hij, op verdomme precies de goede manier. ‘Ik ben Mark, en waar moet je heen?’ vroeg hij een beetje koel. Koel. Precies koel. Afgewogen koel.
‘Naar de vleesmarkt,’ zei ik.
‘Woon je op de vleesmarkt,’ vroeg hij?
‘Nee daar iets achter.’
‘Aha, en ik moet je toch op de vleesmarkt afzetten.’
‘Ja.’

Stilte. Ik leunde zo ver mogelijk naar het raam. Mijn adem vormde plekjes op het raam, ik boog iets terug.
We reden.
Een lange weg.
Aan het eind van de weg gingen we naar links.
Daarna naar rechts.
Dan zouden we op de vleesmarkt zijn.
We wisten het allebei.
God, wat voelde ik hem. Zijn koele aanwezigheid brandde in mijn hart.
Zijn adem was snel, maar niet te snel. Die van mij was wel te snel. De spanning die door mijn aderen stroomde, kwam er uit door mijn adem.

Hij ging de bocht om en hij zette zijn auto op de vleesmarkt. Hij keek me even kort aan en we draaiden allebei ons hoofd weg.
Tegelijkertijd keken we elkaar weer aan. Ik keek hem doordringend aan, ik keek door tot in zijn verlangen. Ik maakte zijn verlangen aan. Ik bracht mijn gezicht naar het zijne. Onze neuzen gleden langs elkaar, ik wreef mijn wang langs zijn stoppels. Ik sloot mijn ogen en genoot van het geluid van zijn adem, van het voelen van zijn stoppels en het fantaseren over zijn ogen. Ik hoorde het geluid van speeksel toen hij zijn lippen een klein beetje open deed, ik hoorde dat hij langs zijn lippen likte en dat hij niet wou dat ze nog aan elkaar zouden kleven. Hij beet op zijn onderlip en ik voelde dat hij wat ging verzitten. Blind zochten mijn lippen de zijne. Mijn zachte lippen voelde het randje stoppels rond zijn mannelijke lippen. Ik kuste het randje en ik genoot van de stoppels. De adem uit zijn neus blies warm op mijn bovenlip. Langzaam voelde ik het puntje van zijn tong en toen trok ik terug. Verlegen beet ik op mijn onderlip en keek ik hem aan.

Ik zakte geschokt terug in de stoel. Ik staarde naar het smalle straatje voor ons. Het einde konden we al bijna zien, ik vroeg me af hoe die auto het zonder krassen naar het einde van dat straatje zou kunnen halen.
Hij had me gestolen, ik voelde het met mijn hele lichaam.

Eenmaal thuis, kreeg ik een sms van Simone, ze vroeg of ik mee ging stappen. Ik wist niet goed hoe ik me voelde, maar ik wist in ieder geval dat ik voelde. Ik kleedde me om en ik gooide mijn haar los. ‘Tuurlijk,’ smste ik vastberaden terug.
Nu het nog kan.

*

De week vloog voorbij, omdat ik leefde voor de zaterdag. Ineke was er niet, gelukkig. Ik maakte de balie schoon, ik hielp mensen vrolijk, zette koffie, en nog meer koffie en ik maalde nieuwe koffiebonen en ik was zielsgelukkig met het bestaan van koffie. Het liep tegen zeven uur en het was tijd dat er enkele mensen naar binnen zouden komen stromen. Waaronder Mark. Mark zou ook binnen komen lopen, misschien wel met zijn leren jack. Mark. Ik mocht hem Mark noemen, terwijl de zakenlui hem bij zijn achternaam noemden. Ik tikte vrolijk de bestellingen in, ik scoorde nog wat fooi, maar bij de laatste twee werd ik steeds zenuwachtiger. Mark was er niet. Hij was er niet.
Bij het opruimen vond ik een kaartje onder de koffiemachine, het lag daar, in vaal goud papier. Dat was het moment dat ik wist wat mijn leven zou worden. Want terug konden we niet meer.

                                                                                   Lia&Mark

Verder moest ze het kaartje niet meer lezen. De woorden Lia&Mark stonden verstrengeld als geliefden. De trouwerij was bijzaak.

Welkom in een affaire Myrt.


Zes maanden later

‘Hoezo je kan niet. Dit gaat niet over kunnen. Dit gaat over willen. Als er een wil is, is er een weg. Godverdomme Mark. En ik masseer nog wel je benen. Ik zit hier in peperdure lingerie en het enige waar jij aan kan denken is dat zij zegt dat ze zwanger is. Godverdomme. Ik heb lang gedacht, héél lang heb ik gedacht, dat ik toch nog de enige zou worden. De enige. Ga maar. Naar haar. Als je bij haar bent. Denk aan mij. Ga. Nu.’

Zaterdag, de zaterdag kwam als een koude douche. Elke morgen weer. Klokslag zeven uur ’s avonds, haatte ik. Het was diepe pure haat.
‘Een cafeïnevrije koffie en een brownie,’ zei Mark.
Ik gaf de koffie, de brownie en ik gaf hem nog wat meer, wat extra’s bij zijn koffie. Net te weinig. Net genoeg.


Lia

Het idee dat ik hem wat deed, daar genoot ik van. Niet met de bedoeling echt wat te geven, hij brak mij, door haar. Ik gaf hem net te weinig.

Net te veel. Mijn man. Haar liefje. Mark, stierf aan een overdosis.