Puck Rombach
De maan is geen kunst
Hij is rond, de maan. Zijn textuur gedicteerd door chaos, totaal incidenteel. De kraters zijn daar waar ze zijn omdat daar ooit volgens de wetten der natuur een stuk ruimtepuin is ingeslagen. Geen artistieke hand heeft ze aangestipt of opgelicht, om vaag, slechts heel vaag, de illusie van een gezicht te creëren.
De muse van de kunst is zelf geen kunst, want kunst moet worden gemaakt door mensen. Kunst is slechts kunst als het opzet is, of zo is het mij uitgelegd. Een dode mus op straat is geen kunst. Een dode mus in een museum wel. Een foto van een dode mus op straat in een museum ook. Knudsen is altijd al kunstenaar geweest, maar geeft daar pas sinds een paar jaar uiting aan. Als een homo die net uit de kast is. Dat is hij trouwens ook. We ontmoetten elkaar voor het eerst in het café van het museum waar we samen zullen exposeren. Ik in een bloes, een spijkerbroek met bijna-gaten die aangeven waar ik mijn portemonnee altijd draag. Hij in een strak groen t-shirt, een miniscuul sjaaltje en een skinny jeans met bijna-gaten. Maar die van hem zijn met opzet.
Het thema is liefde. Eigenlijk heeft kunst maar twee thema's. Ooit heb ik een fotoboek gepubliceerd met het thema liefde, genaamd Liefde. Het woord doet me nu overgeven. Het woord is zo groot geworden, wilde zoveel omvatten dat het uiteengespat is en een stank van cliché heeft achtergelaten op al met dat thema. Het boek was een probeersel uit mijn studietijd, ik heb er zelf expres geen kopie van. Nu de foto's in het museum hangen kijk ik er met ietwat nieuwe ogen naar. Ze zijn niet zo slecht als ik dacht. Het begint met liefde voor de moeder, liefde voor de vader komt pas veel later, tegen adolescentie. Uiteraard is er een foto van een bruiloft bij. Genomen over de schouder van de bruidegom, zijn bruid is op de dansvloer en lacht naar hem. De foto dankt zijn schoonheid enkel aan het feit dat ze naar hém kijkt, en niet in de camera. Een subtiel verschil, niet meer dan een pixel. Niet slecht. Toen ik de foto nam werd ik betaald om te documenteren, toen was het nog geen kunst.
Mijn keuze voor zwartwit was opzettelijk, maar spijtig. Het lijkt nu de keuze van het museum, alsof het nog niet duidelijk genoeg was dat ik de vertegenwoordiger ben van de oude garde, Steen Knudsen die van de nieuwe. Zo werd de expositie mij overigens ook zonder schroom aangeboden; ze zochten een oude kunstenaar. Ik wil mijn foto's inkleuren, ze wakker maken. Nu ik eindelijk een kunstenaar ben, is het één uit het verleden. Knudsen heeft nog geen woord gezegd, hij doet een soort dans. Foto van dichtbij, van ver weg, andere foto van ver weg, de eerste foto weer van dichtbij. ‘Je hebt de kwetsbaarheid van de liefde scherp weten vast te leggen, zonder te shockeren’, deelt hij mij mede, en ik voel me gevleid. Dan zegt hij iets over legitimatiecrisis, over hoe mijn kunstwerken gymnasiumkinderen zijn, die van hem ontwortelde wezen, en ik raak het spoor bijster.
We bewegen ons naar de ruimte van Knudsen. Zijn kamer is groter, het aantal kunstwerken kleiner. Hij praat. Er is een bed waar mensen seks hebben gehad. Dat is echt gebeurd. De bh hangt nonchalant over de rand van het bed. Dan zie ik de gebruikte condoom en voel dezelfde misselijkheid als bij het woord Liefde. Knudsen legt uit hoe hij door het museum gedwongen was om het originele object te vervangen door eentje met een meer hygiënische inhoud. Hij baalde. In een hoek is een soort huiskamertje ingericht. Een open haard, twee fauteuils. Daar komen later twee mensen in te zitten, naakt. Waarom? Interessanter. Daarin moet ik hem gelijk geven. Bij de uitgang hangt een foto, genomen bij een persconferentie. Een man staat voorovergebogen op het podium, zijn broek omlaag. Al zou ik hem van die hoek niet herkennen, het is niet moeilijk te raden wie deze man is. Enkele tientallen journalisten staren naar de 'moonende' man, maar de maan kijkt in de camera.