Elisabeth Oosterling
Zand zonder knarsen
Zoals zij praat, pelde mijn grootvader zijn sinaasappels.
Zij weegt de woorden op haar tong. Ze likt kort langs iedere letter, proeft de klank en zuigt tussen iedere lettergreep verse lucht in haar longen. De zinnen die over haar lippen glijden, zijn kunst op zich. Alsof ze langzaam met een penseel over linnen strijkt. Een lichaam schildert op het doek. De kleuren kan ik niet benoemen. Het is donkerder dan wit en iets lichter dan rood.
I. De zomer en het zand
De zon was meegewandeld. Ik schoof op mijn knieën over de aarde, terwijl zij zacht over mijn rug aaide. Tot mijn hoofd bonkte en ik het opgaf. Op mijn rug lag ik dan. Met warm zand onder mijn billen en zandkorrels achter mijn oren.
In de verte schuurde een krekel zijn pootjes langs zijn lijfje. Ik had mijn t-shirt over mijn hoofd gelegd en voelde mijn adem tegen de stof. Het was benauwd. Ik sloot mijn ogen, zuchtte en gooide het shirt naast me. Alles was zand. De zon wandelde door, maar ik was blijven liggen. Ze zwaaide naar me, met een paar laatste stralen. Ik stond op, sloeg de zwarte korrels van mijn rug en trok het t-shirt over mijn hoofd. Ik ademde diep. Sigarenrook was in kleine wolkjes over het gras gedreven, een paar meter vlak over het land en ten slotte bij mij terecht gekomen. Het was een wonder dat ik niet over mijn veters struikelde.
Het was alsof opa uit een scheur in het weiland omhoog was geklommen, een paar korrels van zich had af geklopt en nooit meer water had aangeraakt. Als ik mijn neus in zijn nek begroef, rook ik enkel zand. Opa was zand voor mij, precies zoals de rest van mijn zomerdagen.
Op een middag vond ik opa aan de keukentafel. Zijn hoofd in zijn armen gevouwen, de telefoon op de plavuizen naast zijn stoel. Hij trilde een beetje, toen hij me op zijn knie tilde. Tot dat moment wist ik niet dat zand en tranen samen gingen. Daarna stak mijn opa steeds vaker zijn handen in zijn broekzakken. Dan stond hij doodstil en keek naar het grote niets in de verte. Aan het eind van de middag vond ik zijn schoenafdrukken tussen de rozenbottels. Hij was verdwenen.
Vroeger was dat niet. Vroeger wierp hij me over zijn schouder en pakte mijn schepje in zijn vrije hand. Vroeger voelde ik hem grinniken als we over de sloot sprongen en ik hartstochtelijk gilde. Ik gilde niet meer. Opa sprong niet langer. Ik dacht zelf om mijn schep en had het pad naar de tuin tussen mijn herinneringen geprent. Ik volgde de rooksignalen naar het bankje onder de perenboom.
Het verbaasde me. Ik wist niet waarom opa constant keek alsof hij zijn sleutels kwijt was. Oma knikte als ik het haar vroeg. Ik vond knikken geen goed antwoord op mijn vraag. Meestal vroeg ik het nog eens. Dan glimlachte ze, droogde haar handen en zette me op tafel: “wat wil jij eten vanavond?”
Ik had geleerd onzichtbare waarschuwingen te herkennen en antwoordde, schuldbewust, “spinazie” of “poffertjes”. Na een kwartier rook de keuken naar smeltende boter en zong mijn oma Franse liedjes. Ik had mijn handen tegen het keukenraam gezet. Buiten hoorde ik de krekels. Het schemerde en de zon stond laag. Voor mijn ogen sprongen gekleurde vlekjes tevoorschijn. Onder de perenboom zag ik opa zitten. Ik kende niemand die sinaasappels pelde, zoals hij dat deed. De vrucht koprolde tussen zijn handen, waarna hij zachtjes in de schil beet. Het afgepelde oranje legde hij op het hout.
Ik wierp mijn volle gewicht tegen de hordeur. Ik wilde ook een partje. Oma stopte middenin een melodie en veegde haar handen droog. Haar vingers voelden koud om mijn middel. Ze schoof mijn stoel aan en veegde met de vaatdoek zand van mijn kin. “Help jij oma even?” Ze zette de poedersuiker op tafel. Een wolkje wit stof ontsnapte bovenuit de koker. Met een vork plette ik de klontjes. Ik hielp oma en vergat de schilletjes op het hout.
Toen de dagen korter werden, kwam er een meneer. Hij liep over het weiland en schudde mijn opa de hand. Een week later verhuisden mijn grootouders. Naar een flat waar je, als je heel goed keek, over de daken van de huizen, de weilanden net niet zag. Opa nam een hond die hij Emmer noemde en oma brak doormidden. Ze schold tegen de muren. Ze wilde horren voor de ramen, terwijl de mugjes twee etages lager al puffend neerstorten. Als opa zijn hond uitliet, zong oma soms zachtjes een chanson. Het klonk niet meer, vond ze. Tegen de bakstenen sloegen de noten stuk.
Ik slofte soms achter opa aan. Ik observeerde hem met Emmer. Ze bleken kameraden. Opa vertelde Emmer alles. Over rozen, de kookkunsten van oma en mijn rapport. Over de prijs van frambozenjam en dat typemachinelint tegenwoordig zo moeilijk te vinden was. Na een half jaar legde de dierenarts uit dat Emmer doof was. Opa deed eerst alsof hij dat niet had gehoord. Daarna mocht Emmer nog maar eens per dag uit. Zowel de hond als mijn opa verzamelden kilo’s rond hun buik.
Ik besloot me nooit aan weilanden te hechten. Een hond als Emmer wilde ik namelijk niet. Maar stiekem miste ik de aarde vanaf het moment dat mijn grootouders verhuisden. Ik verlangde naar zand tussen mijn kiezen. Soms stond ik even stil als er een tractor langsreed. Dan plantte ik één voet op de stoep en sloot mijn ogen. Ik snoof de aarde op. Knarsen deed het nooit.
In zijn tweede herfst besloot Emmer zich te verdrinken in de parkvijver. Opa rechtte zijn rug, bracht de flessen weg en vroeg me of ik zin had in een potje ganzenbord. Toen ik informeerde waar hij Emmer zou begraven, sloeg opa met de deur. Oma zuchtte, wierp een blik over de daken en aaide over mijn hoofd. Nog geen week later overleed opa. Oma trok de dekens over haar hoofd en ook zij werd niet meer wakker. “Een hartaanval,” vertelde de huisarts. “Eenzaamheid,” verbeterde mijn vader fluisterend, toen mijn moeder de kamer verliet met de telefoon aan haar oor. In de rouwadvertentie las ik dat mijn grootouders van elkaar hadden gehouden.
Op de dag dat we mijn oma begroeven, nam mijn moeder een besluit. Vanaf nu was haar boodschappentas verboden terrein voor sinaasappels. Mijn vader mokte, maar zag de zinloosheid van zijn protest al snel in. Ikzelf verklaarde liever het zand vogelvrij. Maar mijn moeder hield daarvoor te veel van haar kamerplanten.
II. De winter en het spoor
Ik leerde de seizoenen waarderen. Ik leerde de namen van de planten, van akkoorden en de meisjes uit mijn klas. Ik leerde over de waarde van geld en dat tijd doet slijten. Ik waardeerde het doorzettingsvermogen van eenden op dichtgevroren vijvers en de bezieling van blinde pianisten. Ik leerde bier drinken en bloemkool eten. Ik werd twintig en vergat de geur van zand.
De tegels van perron 3b verzamelen peuken en herinneringen. Ik zit daar op een bankje, terwijl ik er nooit iets te zoeken heb. De treinen kiezen plaatsen waar ik niet naartoe hoef. Ik koop koffie en scheur wat suiker in het kartonnen bekertje. Ik zit hier vaker. Terwijl ik wachten veins, overdenk ik mijn zonden, zegeningen en boodschappenlijstjes. De wirwar van tassen en gesprekken kalmeert.
Vandaag heb ik mijn fiets van het slot gelaten. Soms test ik mijn geluk en vanochtend lijkt zij tussen mijn oren op en neer te springen. Voorspoed is soms hoorbaar. Het is alsof mijn gedachten voor me uit hollen. Alsof zij al suiker scheuren, als ik nog naar kleingeld zoek. Mijn gedachten zien haar dan ook eerder dan ik. Ze zit aan mijn kant van het bankje. Aan haar voeten staat een zwarte sporttas en ze drinkt vruchtensap uit een flesje. Mijn benen twijfelen even, maar in gedachten zit ik er al.
“Jij durft.” Als kamperfoelie zou zingen, klonk het zoals zij. Ik struikel over mijn ademhaling. “Sorry?” Ze tilt haar vuist op en laat een bosje metaal in mijn schoot vallen. “Mijn tweelingbroer heeft dezelfde. Hij is eraan gehecht.” Ik weeg de sleutels in mijn handpalm. “Hij zegt dat geen enkele fiets zo fijn fietst.” Ik zou al haar familieleden op hun woord geloven.
“Waar was je,” vraag ik en tik met de punt van mijn schoen tegen haar tas. “Waar niet.” Ik knik, maar durf niet verder te vragen. Ze schroeft de dop op het flesje en pakt een muntje van de tegels. “Ik was eigenlijk overal.” Het muntje danst door haar vingers. “Gistermiddag verliet ik mijn oom. Hij woont in Spanje. Ik was vreemde talen moe. Je weet niet hoe erg je een moedertaal kan missen.” Ze legt het muntje op mijn knie en ritst haar tas open. Haar vingers verdwijnen langs een boek en twee paar sokken. Ze rommelt wat en haalt haar hand weer omhoog. Ik herken de oranje vrucht meteen. “Heb jij een mes?” Ik schud mijn hoofd en mompel iets over een keukenla. Ze werpt de tas over haar schouder en trekt me in één beweging van het bankje. “Kom. Ik heb honger. Jij fietst.”
Als ik achter haar aan het perron afloop, zie ik de veeg in haar nek. Ik verbeeld me dat ik de weilanden ruik en dat ik zand voel knarsen tussen mijn kiezen.
Als ze achterop springt, slaat ze een arm om mijn middel. Ik besluit te verzwijgen dat je geen mes nodig hebt om een sinaasappels te schillen.
Het eerste partje dat ik eet, zal terugzingen.