Robbert Hak

Verhuisd

Mijn nieuwe woning had één groot nadeel, namelijk dat er nogal een vislucht hing. De geur was afkomstig van de buren, daar was ik van overtuigd. Misschien hadden ze een palingrokerij op zolder, of kweekten ze forellen in de tuin. Wellicht was ik buiten mijn weten om naast de geheime fabriek van Kapitein Iglo komen wonen. Hoe het ook zij, mijn nieuwe woning stonk naar vis.
Nu ben ik geen onverdraagzaam type. Het was dan ook niet zozeer om te zeuren als wel uit nieuwsgierigheid dat ik op een dag bij mijn buren aanbelde. Ik woonde inmiddels twee weken in mijn nieuwe huis en had ze nog nooit gezien. Of hem; of haar. Geen idee wat de samenstelling van het huishouden was. Goed en wel interesseerde me dat ook niet zo. Het was die lucht, welke zelfs de geur van mijn nog natte muurverf deed verbleken, die me intrigeerde.
Na enig gestommel in de gang zag ik door het bruine bobbeltjesglas een vorm op me afkomen. De deur werd een klein stukje geopend en er kwam een bleek vrouwengezicht tevoorschijn dat wel vriendelijk keek, maar toch erg lelijk was.
‘Hallo?’ vroeg ze, alsof ze eraan twijfelde dat er daadwerkelijk iemand voor de deur stond.
‘Ja, een goedemiddag!’ zei ik daarom luid en duidelijk. ‘Ik ben uw nieuwe buurman. Ik kom kennis met u maken.’
Het bleef stil aan de andere kant van de deuropening. De vrouw keek mij glazig aan. Ik had het idee dat ze me wel kon zien en ook dat ze me verstaan had. Het leek simpelweg niet in haar op te komen om antwoord te geven.
‘Dus, hier ben ik dan,’ vervolgde ik.
‘O, ehm, ja.’
‘Ja, ik dacht: ach, laat ik een kopje thee of iets dergelijks bij mijn nieuwe buren gaan drinken. Komt het u gelegen?’
‘Nou, ik ben, eh... bezig.’
‘Aha, bezig. Zal ik anders een ander keertje terugkomen?’
‘Ja, dat is wel goed. Doet u dat maar.’
‘Wanneer schikt het u?’
De vrouw dacht even na. Toen keek ze me ineens helder aan en zei: ‘Weet u wat? Komt u vanavond langs voor het diner. Zo rond een uur of zes.’
‘Uitstekend. Tot dan. Fijne middag verder.’
‘Dank u wel. Tot vanavond.’ Ze schonk me een glimlach en, mijn God, ik wou dat ik die niet gezien had.

Toen het kwart voor zes was ging ik nog even naar de wc en belde daarna aan bij de buren.
‘Hallo?’ vroeg dezelfde vrouw als die middag op dezelfde manier.
‘Hallo, ik kom voor het diner.’
‘O ja, heel goed. Komt u binnen. Loopt u maar vast door, ik ben bijna klaar met het eten.’
Ik opende de deur die mij was aangewezen. Wat ik trof was een nette woonkamer, zij het nogal ouderwets ingericht met hoogpolig tapijt en donkere eiken meubelen. In de linkerhoek stond een reeds gedekte eettafel, waaraan ik plaatsnam. Ik keek wat om me heen op zoek naar aanknopingspunten aan de hand waarvan ik mijn gastvrouw tijdens het eten kon ondervragen.
De oogst viel op het eerste gezicht wat tegen. Er stond een leeg aquarium op een dressoir, dat was het wel zo’n beetje. Geen grootverpakkingen vissenvoer of verzameling hengels en schepnetten. Ik trommelde met mijn vingers op het tafelkleed, in afwachting van wat komen zou. Het viel me op dat het kleed nogal klam was. Ik bukte me voorover, voelde en ja, ook het tapijt was nat. Behoorlijk nat zelfs. Het was geen water, maar iets dikkers; haast een soort slijm. Wat dit precies te betekenen had wist ik niet, maar ik was ervan overtuigd dat het íéts te betekenen had.

Na tien minuten kwam de buurvrouw de kamer binnen met een grote pan in haar handen. Ze zette hem op het treefje en haalde het deksel eraf. Ik kan niet ontkennen dat ik enigszins verbaasd keek naar wat er in de pan zat, want het waren beesten die mij in de verte niet bekend voorkwamen. De buurvrouw legde in antwoord op mijn vragende blik uit dat het vissen waren en daar leken ze ook wel wat op. Maar niet een soort die ik ooit eerder had gezien. In elk geval bleek mijn bezoek nu al vruchtbaar. De oorzaak van de vislucht was bekend; de beesten verspreidden een geur die wel zo heftig was, dat ik me afvroeg of het gezond was eraan blootgesteld te worden.
Het waren grijze dieren met een witte buik en een glibberige, schubloze huid. Waar ik nog wel het meest van opkeek was dat de vissen nog leefden. Ze kronkelden om elkaar heen en gaven daarbij een groenachtig slijm af.
De buurvrouw schepte een exemplaar op mijn bord. Hij keek mij zeer agressief aan en hapte naar de vork waarmee ik hem probeerde te prikken.
‘Maakt u zich geen zorgen. Zijn staart is vastgemaakt.’
Inderdaad, de staart van het beest – die nog het meest weg had van die van een schorpioen, maar dan glibberig, zij het met een zeer scherpe stekel op het eind – was naar beneden gevouwen en zat met een tie-rib aan zijn buik vastgemaakt.
‘Het is belangrijk dat u de vis doodt alvorens u zijn staart losmaakt,’ vertrouwde de buurvrouw mij toe. ‘Het is een agressief beestje en de stekel aan zijn staart is buitengewoon giftig. Kijk, zo.’ Mijn gastvrouw illustreerde haar woorden door haar vork krachtig in de vis die op haar bord lag te planten; precies achter de kieuwen. Het beest hapte naar lucht en bewoog zijn vastgebonden achterlijf heftig, maar tamelijk hulpeloos heen en weer. Vervolgens pakte ze haar mes en haalde het met een soepele beweging langs de tanden van haar vork. De vis spartelde nog heel even, maar lag toen doodstil in twee stukken in een plas modderkleurig bloed.
‘Nu is hij dood,’ legde de buurvrouw uit. ‘Pas dan kunt u de tie-rib losmaken. Ga uw gang.’
Ik keek naar het beest voor mij. Het produceerde zoveel slijm, dat er inmiddels een klein laagje op de bodem van het bord lag. Ik pakte mijn vork en prikte. Het was duidelijk dat ik hier niet zo bedreven in was als mijn gastvrouw, want de vis gleed juist opzij en ik prikte mis.
‘Het is wel van belang dat u doortastend te werk gaat, meneer,’ raadde de buurvrouw mij aan. ‘Als de vis weet te ontsnappen kan dat niet ongevaarlijk zijn.’
Dat geloofde ik graag. Mijn geprik leek het beest alleen maar kwaad te maken. Het spartelde wild heen en weer en glibberde van mijn bord af. Nu begon het van links naar rechts te rollen waardoor het zijn staart wist vrij te maken van de tie-rib. Het beest richtte zijn staart op in zijn kennelijk gewoonlijke positie, inderdaad zoals die van een schorpioen. Hij rolde nog een keer rond, waardoor het me opviel dat de vis zes pootjes had. Welbeschouwd had hij wat betreft zijn anatomie überhaupt meer weg van een schorpioen dan van een vis. Wel had hij nog steeds diezelfde grijsglibberige vissenhuid, en een uitdrukkingsloze vissenkop.
Hoewel zijn pootjes klein waren, wist hij er toch tamelijk doeltreffend mee richting mijn keel te springen; zijn giftige stekel in de aanslag. Ik kon nog net op tijd mijn bord als schild gebruiken.
De gastvrouw lachte hartelijk. ‘Ach, Nico, help jij die meneer even met zijn vis!’
Naast mij begon iemand joviaal te lachen. Het was een heel grote, vettige man. Hij had een wit, kaal hoofd en een nogal waterige blik in zijn ogen. Dan is dat zeker Nico, dacht ik werktuigelijk.
‘Hahaha! Jongeman!’ bulderde hij. Hij hief zijn klauw en liet deze vernietigend op de wild rondspartelende vis neerdalen. Toen balde hij hem stevig tot een vuist, bracht hem naar zijn mond en slurpte hem leeg.
‘Zo doen wij dat hier,’ zei hij en barstte opnieuw in een schuddebuikend gelach uit.
‘Schat, kun je nou nooit een beetje rustiger aan doen?’ zeurde de gastvrouw. ‘Nu maai je zo je glas wijn van tafel. Excuseer mij hoor, jongeman.’ Ze stond op en liep naar de keuken. Ongetwijfeld om een stuk keukenpapier of iets dergelijks te halen. Pas op dat moment zag ik dat er onder haar schort een grote vissenstaart vandaan kwam.
‘Hahaha, sorry vrouwtje, hehehe...’ Het was wonderlijk om te zien hoe de buik van de man schudde, zelfs lang nadat zijn gelach al was opgehouden. Toen ik opkeek naar zijn gezicht, zag ik dat hij me indringend aanstaarde.
‘Buuuuurrrp! Excuus! Hahahaha...’ daar ging hij weer met die irritante lach. Ik speelde met de gedachte mijn mes en vork zo hard mogelijk in zijn ogen te rammen.
Inmiddels vond ik dat mijn bezoek lang genoeg had geduurd. Ik stond op, zei vriendelijk ‘goedenavond’ en wilde naar de gang lopen.
Op dat moment zwaaide de keukendeur open en kwam de buurvrouw binnen met – inderdaad – een keukenrol onder haar arm. Al had het net zo goed geen keukenrol, maar een klein varkentje of een kilo kamelenstront geweest kunnen zijn. Mijn blik was namelijk niet gericht op wat zich onder de armen van de buurvrouw bevond, maar des te meer op wat zich rond haar enkels afspeelde.
‘Schat, wat doe je nu?’ kirde de buurman haast. ‘De kleintjes ontsnappen! Hahahohoho!’
Met ‘de kleintjes’ bedoelde hij kennelijk de complete school woest spartelende grijs-witte vissen met schorpioenenstaarten die rond de onderbenen van de buurvrouw krioelde. Binnen enkele ogenblikken hadden de eerste vissen in de gaten dat er een vreemde in de woonkamer zat. En enkele ogenblikken daarna bevond de massa vissen zich niet langer rond de enkels van de buurvrouw, maar rond die van mij. Het duurde niet lang voor ik bedolven was onder de beesten. Ik voelde honderden pootjes over me heen trippelen. Mijn kleding werd nat en slijmerig. Op de vele plekken waar ik gestoken werd jeukte het. Ik merkte dat twee vissen bezig waren de oren van mijn hoofd te knagen terwijl er tegelijkertijd tientallen vissen door mijn broekspijpen naar binnen kropen. Ze glibberden via mijn enkels, kuiten, bovenbenen omhoog richting mijn anus, waardoor ze mijn lichaam binnendrongen. Ik voelde mijn tong dik en glad worden, alsof mijn mond vol zat met vis. Zat mijn mond vol met vis? Het was wel duidelijk dat de beesten bezit van mij namen. Mijn hele lijf werd langzaam maar zeker doordrongen van het slijm dat ze afscheidden. Het deed mijn longen verkleven. Ademen ging daarom steeds moeizamer en heel even vreesde ik dat ik zou stikken. Maar toen voelde ik dat er achter mijn oren kieuwen zaten waardoor ik lucht naar binnen kon halen. Ik liet me op mijn knieën vallen, opende mijn mond en kotste zo’n veertig schorpioenvissen uit. Mijn overhemd scheurde open en er kwamen twee extra ledematen tevoorschijn. Ze leken niet helemaal op armen, maar om het nu benen te noemen... Ook mijn broek scheurde. Ik keek achterom en zag een reusachtige schorpioenenstaart. Toen draaide ik mijn kop en deelde een blik van herkenning met de buurman en zijn vrouw. Zij hadden zich inmiddels ontdaan van hun kleding en toonden trots hun vette vissenlijven.
De buurman trippelde op zijn zes poten richting de schuifpui naar de achtertuin; de buurvrouw en ik in zijn kielzog. Hij brak door het glas van de deur en gleed over het gazon de tuin door. Ik gleed achter hem aan en werd op mijn beurt gevolgd door de buurvrouw. Met zijn drieën kronkelden we door de tuin en over elkaar heen. ‘Hahaha, wat een gezelligheid toch!’ riep de buurman. ‘Nou!’ beaamde de buurvrouw.
Urenlang kronkelden we door. Toen was de buurman het zat. ‘Gezelligheid kent geen tijd,’ zei hij gedecideerd, ‘maar nu is het toch echt tijd om een eind te maken aan deze avond. Jongeman, ik dank je voor je komst. Volgende keer bij jou, zou ik zeggen. Een goedenavond verder.’ En daarmee verdwenen de buurman en zijn vrouw naar binnen.
Ikzelf had geen zin om terug te keren naar huis. Veel meer dan wat ook trok mij de sloot achter de tuin. Nu woon ik hier, in een wereld van wier. En modder en vieze nattigheid en rust.