Amber-Helena Reisig

Rozen voor Marie-Antoinette

Quelqu'un m'a dit que tu m’aimais encoreCarla Bruni

Ze was het mooiste levend standbeeld dat ik ooit had gezien. In haar eeuwig versteende houding leek alle rust en vrede van de wereld te zijn gevangen, alsof alle oorlogen, als je haar zou breken, een staakt het vuren zouden geven. Ze droeg een gouden jurk met zorgvuldig aangenaaide rozen op iedere ruche. Ze was de Marie-Antoinette van de duiven op de Dam, de keizerin van de Japanners die lustig foto’s maakten en haar lachend een muntje toewierpen.
Met mijn schetsboek onder de arm slenterde ik hele dagen door de stad. ‘Om het moment te vangen,’ noemde ik dat, maar ik had werkelijk geen idee wat ik daarmee precies bedoelde.
Het juiste moment had zich tot die tijd in ieder geval niet voorgedaan, mijn potlood leek tegen te werken bij iedere schets die ik tot dan toe had gemaakt. Niets meer dan half uitgegumde strepen waren er verschenen op de maagdelijke pagina’s, totdat ik haar zag staan. Ze was nieuw tussen de geldkloppers, goochelaars en zilver gespoten mensen. Door een zekere devotie voelde ik mij gedwongen om op de door de zon verwarmde keitjes te gaan zitten en haar te vangen. Niet het moment, maar haar aanblik wilde ik verkrijgen, vereeuwigen zoals haar schoonheid eeuwig was. Ik tekende zoals nooit te voren en mijn hand leek een autonoom denkend orgaan. Iedere contour van haar gezicht wilde ik vastleggen, ieder stukje rust.
Plotseling voelde ik haar voet tegen mijn schouder. Ze wenkte me zonder de rest van haar lichaam te vervoeren. Ik bracht mijn oor naar haar mond, terwijl zij fluisterde: ‘Breng me rozen, rozen met druppels die aan de bladeren kleven als zonlicht in barnsteen.’ Daarna bevroor ze weer, haar gulden schoen bleef ergens in de leegte hangen. Ze wilde rozen van het puurste karmijnrood en ik dwong mijzelf mij van haar aanblik los te scheuren.
Op de bloemenmarkt zocht ik naar rozen die haar in haar perfectie zouden evenaren. Ik selecteerde ze één voor één, controleerde de symmetrie van hun blaadjes. Het water in de gracht veranderde, opgejaagd door de wind, in een golfslagbad. Terwijl ik zocht wist ik dat ik haar slechts wilde doen glimlachen. Het leek mij een oprechte zingeving van mijn bestaan, een glimlach op haar porseleinen gelaat te toveren. Het zoeken leek de tijd stil te zetten en ik bemerkte niet hoe de donkerte mij insloot. In de laatste zonnestralen van die dag overhandigde ik haar het boeket en ze glimlachte een pure krul roze op haar lippen. De Japanners en de charlatans waren verdwenen in het uitgaansleven. Ze pakte mijn hand en stapte van de pilaar af, waar ze al die tijd op had gestaan.
‘Wil je wat gaan eten,’ vroeg ik. Ik wilde haar vrede zo lang mogelijk om mij heen hebben, daar ik die vrede niet in mijzelf kon vinden. Onrust woekerde in mij; hij jaagde mij op zoals de wind het water in de grachten.
‘Baklava,’ zei ze. ‘Ik wil graag baklava.’ Met de rozen in haar handen, tegen haar borst gedrukt als een dierbaar kind, wandelden wij richting een Grieks restaurant. Even rustten we op een bankje, alwaar zij zich ontdeed van haar witte pruik. Haar haren gleden eronder uit als een waterval. Haast ceremonieel, alsof ik mij een strikt reglement onderwierp, knoopte ik haar jurk los, waaronder ze een andere, simpelere jurk droeg van het helderste blauw. ‘Zo,’ zuchtte ze.
‘Zo,’ zei ik en haar klaterende lach vulde het plein waar wij zaten.
‘Ik heb geen ouders,’ zei ze. ‘Zoals sommige mensen geen huis of auto hebben, heb ik geen ouders.’
‘Vind je de rozen mooi,’ vroeg ik en ze begon te neuriën.

Ze at de baklava zoals sommige mensen roken, zonder adem te halen. Af en toe keek ze op van haar overladen bord en knipoogde. ‘Ik heb ook geen ouders,’ wilde ik zeggen, maar ik zei het niet. Ik dacht aan hoe mijn moeder altijd zei: ‘Het is de oorlog, jongen. De oorlog heeft je vader gesloopt. De oorlog heeft met een mitrailleur een onzichtbaar gat in hem geslagen.’ Ik knikte dan en wenste dat ik dat gat zou kunnen vullen.
Mijn vader zei altijd: ‘Jongen, het komt door de terreur. Het zijn de angsten van je moeder die haar achtervolgen.’ Ik knikte dan en wenste dat ík haar immer zou mogen volgen.
De dag waarop mijn vader zich heeft opgehangen – ik vond hem aan een houten balk in de zolder bungelend als een verlaten schommel, hij was net van het krukje gestapt – zeiden de mensen: ‘Hij was depressief, het is er langzaam in geslopen. Niemand heeft het zien aankomen.’ Maar dat was het niet, mijn ouders waren al lang beschadigd. Na die dag heb ik mijn moeder nooit meer teruggezien, niets anders deed zij dan staren, eindeloos staren vanuit de versleten fauteuil die eens van mijn vader was. Ik ben thuis weg gegaan toen zij werd opgenomen in een, zoals het zo mooi genoemd werd, ‘centrum voor psychisch herstellenden’, maar ze is nooit hersteld en nooit heb ik haar weergezien.

Mijn vlucht naar de hoofdstad was een vlucht voor de schuilkelders die voor altijd gevuld leken met sluimerende geesten en het luchtalarm dat nog steeds onhoorbaar afging in het hoofd van hun bewoners. Op een vergeeld diascherm werd de oorlog iedere dag minutieus nagespeeld en ik leek slechts een infiltrant in het leven van mijn ouders.
Ik ging werken bij een poppodium waar er zovele van waren. Avond na avond stond ik achter de bar en schonk bier voor ieder louche figuur die met het gitaargejank van de beginnende bands zijn gehoorvermogen wenste te verpesten. Ik vertelde haar over mijn leven dat het leven van een ander leek. Nadat ik uitgesproken was zei ze: ‘Ik wil het zien, ik wil zien waar je werkt.’
We hadden uren bij die Griek gezeten. Wellicht at men in Griekenland tot zeer laat of moest de baklava op ieder tijdstip paraat staan voor haar, want zelfs ver na middernacht was het restaurant nog geopend. Ik zag nu pas dat de ober al uren met een doek over de bar wreef en de bordenwasser zich blijkbaar nog steeds niet door zijn stapel vuile borden heen had gewerkt. In de tijd dat wij er zaten hebben wij nauwelijks gesproken. Onze conversatie zat niet besloten in woorden, maar in blikken. Nooit meer heb ik mij zo sereen gevoeld als die avond, toen zij tegenover mij zat en pogingen deed een servet in de vorm van een zwaan te dwingen. Op een gegeven moment liet ze me trots het servet zien. ‘Kijk’, zei ze. ‘Is het niet net een zwaan?’
‘Het is net een zwaan,’ knikte ik, terwijl ik het verfrommelde servet bekeek dat in de verste verte geen trekken van een zwaan vertoonde.
‘Niet waar,’ grijnsde ze en schopte me onder de tafel tegen mijn scheenbeen. ‘Dit is net zo min een zwaan, als ik ouders heb, maar je moet er anders naar kijken. Je moet geloven dat ergens in dit servet een zwaan verborgen zit.’ Ik denk dat zij de enige was die niet zag dat zij de zwaan was, zoals ze daar zat in haar blauwe jurk, met haar haren achteloos achterover gegooid.

Bang voor het kraken van de stalen poort stak ik de sleutel in het slot dat verroest en weerbarstig was. Na enige tijd opende de doorgang naar het poppodium zich en trots draaide ik me naar haar. Zij, echter, was weer bevroren tot het standbeeld dat ze eigenlijk was en keek naar de maan.
‘Volle maan,’ fluisterde ze alsof ze tegen de maan sprak en niet tegen mij.
Ongeduldig knikte ik en trok aan haar arm. ‘Wil je het nog zien?’
In de zaal hing nog altijd de zweterige geur van dronken mensen, gemorst bier en sigarettenrook, ook al was het podium al een aantal uur gesloten. Mijn schoenen bleven bij iedere stap aan de vloer kleven. Het groene nooduitgangbord was onze enige verlichting en ik voelde hoe ze aarzelend mijn arm pakte. Haar huid was als een warme deken. Ik wees haar de nauwelijks zichtbare bar, het podium en de etalage die zich boven de zaal bevond. Op de tast bestegen wij de betonnen trap.
‘Het is net een bunker,’ verzuchtte ze en ik hoorde een zweempje angst in haar stem.
Onder openingstijd was het anders, dan hing er een feestvreugde in de zaal die nu akelig afwezig was. Eenmaal op de etalage trok ze me opeens naar de vloer, waar ze in kleermakerszit neerzeeg.
Ze wees naar de gigantische discobol met zijn duizenden spiegeltjes. ‘Is het niet net de maan?’
Ik keek haar vragend aan. ‘Je moet goed kijken om het te zien,’ zei ze wederom.
Ze liet een stilte vallen alsof ze me tijd gaf om beter te kijken, om te zien wat zij zo in een oogopslag zag. Het nooduitgangbordje weerkaatste in de spiegeltjes, in het zilveren glas, en wierp kleine lichtvlekjes in de ruimte. ‘Zijn dat de sterren,’ vroeg ik, want ik zag het; ik zag het heelal aan mij voorbij trekken in die afgesloten ruimte.
We lagen op onze rug en keken naar de sterrenhemel en naar de maan die zij mooier vond dan de maan buiten. Ze lag met haar hoofd op mijn borst.
‘Sommige mensen kussen en andere mensen worden gekust,’ zei ze. Ik kuste haar, want zij was iemand die werd gekust. Ik kuste haar in een bed van sterren.
Later zou ik mij hopeloos afvragen wat haar naam was die ik niet had gevraagd. Ik vraag mij nu af of een naam iets had toegevoegd aan haar, daar zij altijd als een naamloze lijn door mijn bestaan is blijven lopen. Ik zocht haar overal in de stad, ik zocht overal waar levende standbeelden stonden of waar men baklava verkocht. Ook tekende ik haar talloze malen, zo helder stond zij in mijn geheugen gegrift. Een beeld van porselein, van sereniteit.

Ik keek naar haar terwijl ze sliep. Ze sliep op mijn schoot als een kind en ik danste met mijn vingers over het heuvellandschap van haar lichaam. Een beklimming naar haar borsten, dan een vlakte opgevolgd door het dal. Haar lippen waren een beetje geopend en af en toe mompelde ze iets. Ik wilde haar bewaren als een pop in een poppenhuis. Zij was mijn moment, mijn moment van stilstand.
De rozen lagen verspreid over de grond; midden in de nacht had ze eentje kaalgeplukt.
‘Je kunt ze pas goed ruiken als je ieder blaadje verpulvert in je hand,’ had ze gezegd en ze had me laten ruiken aan ieder blaadje. ‘Ik zal nooit meer rozen als deze vinden,’ zei ze.
Traag ontwaakte ze uit haar diepe slaap. Ze glimlachte, doch geen woord waagde het over haar lippen te kruipen. Dat was de manier waarop ze sprak, alsof ieder woord zorgvuldig een weg aflegde. ‘Wil je bij me blijven,’ vroeg ik, terwijl ik toekeek hoe zij haar jurk weer aandeed.
Terwijl ik de vraag stelde wist ik plotseling dat ik haar toen al kwijt was. Verlies besef je vaak pas als je al verloren hebt en het gemis sloeg al toe voordat zij daadwerkelijk verdwenen was.
‘Ik ben zo terug,’ kuste ze me en raapte de rozen bijeen.
‘Wat ga je doen, waar ga je heen?’
‘Baklava halen,’ zei ze op dezelfde toon waarop anderen zeggen ‘ik houd van jou’.
Misschien stond het halen van baklava voor haar wel gelijk aan liefde. Misschien was haar verdwijnen wel een daad van liefde. Misschien nam zij liefde wel zoals zij baklava at, zonder adem te halen, en moest ze nu weer ademen.
Toen zij weg was drong het ten volle tot mij door dat zij niet terug zou komen, dat ik haar nooit zou weerzien, en ik vleide me weer neer op de plakkerige vloer, waaraan nu herinneringen kleefden van haar lichaam, haar stem, haar aanraking. Ik dacht aan het graf van mijn vader, aan het ruwe gras dat over zijn steen woekerde, aan de opkomende zon die het groen aaide. Ik dacht aan rozen, rozen voor Marie-Antoinette.