Ilse Truijen

Als een doodsimpel ogenblik

Als de wereld zich tegen je keert, handen zich terugtrekken, waar moet je dan naartoe? Waar moet je heen als snijdende woorden iedere dag vanuit alle mogelijke hoeken naar je toe worden gevuurd. Als je letterlijk de grond in wordt geduwd en niemand meer ‘hoi’ zegt.

Ik wil niet meer, fluister ik zachtjes terwijl je me aanraakt en mijn lichaam langzaam verstijft. De badkamerlamp is uit, ik walg van mezelf, ik walg van jou en hetgeen wat je bent en nog gaat worden. Waarom ben ik geboren als een mislukking en is mijn lot bepaald bij het moment dat ik mijn ogen opende? Je koude vingertoppen over mijn borsten maken me bang. Ik probeer mezelf te verdoven, door zachtjes troostende liedjes te neuriën die mama vroeger zong toen ik schrik had voor monsters onder het bed, zodat ik niet voel hoe je me dwingend kust en met je harde rokerstong naar de mijne zoekt. ‘Pak me vast, vuil kreng’, stotter je indringend, terwijl je jezelf hopeloos aftrekt en met de andere hand mijn naakte lichaam tegen je behaarde buik aanduwt. Zie je dan niet die tranen van machteloosheid over mijn wangen lopen? Ik sluit mijn ogen en even lijk ik weg te dromen, verlost van dit moment, maar je haalt me terug naar de realiteit door het geluid dat je maakt als je blijkbaar klaarkomt. Je duwt me weg en hijst je vieze werkbroek omhoog om vervolgens de riem, die ik je vorig jaar als verjaardagscadeau heb gegeven, vast te maken. ‘Aah’, zeg je op een tevreden, voldane manier en loopt met stevige passen de badkamer uit. Ik stort langzaam ineen tegen de ijzige tegelwand en even kan ik de haat die in mijn hart bunkert niet tegenhouden, maar toch durf ik je dure aftershave niet tegen de grond te smijten. Fluisterend probeer ik alle scheldwoorden die ik ooit heb gehoord bij jouw naam te zetten: ‘Vieze, gore klootzak. Ellendeling. Achterbakse, stinkende … papa’. Er was een moment van stilte voor ik het laatste woord over mijn lippen gooide. De haat verandert in eindeloos verdriet. Ik zou zo graag willen dat je me gewoon eens aankijkt en zegt hoeveel je om me geeft, dat je me ’s avonds welterusten wenst en beduidt hoe trots je bent op je kleine meid.

Mama ziet niet wat er gebeurt. Ze zit daar altijd maar stilzwijgend op de bank met een fles wijn. Als ik heb gekookt en we zitten aan tafel, kan ik geen enkele gezichtsuitdrukking op haar gezicht onderscheiden. Het lijkt alsof ze constant droomt, maar tegelijkertijd zachtjes huilt. Ik kan goed spaghetti maken, denk ik. Mama schenkt me namelijk alleen een glimlach en een knik als ik spaghetti heb bereid. Ik zie haar dan even genieten.

Het is 20.38 uur. Ik voel de warme stralen uit de douchekop op me neerdalen. Heerlijk, het lijkt alsof alle vuiligheid en ellende van me af wordt gespoeld. Ik wrijf mezelf over mijn armen en voorzichtig richting mijn navel. Mijn huid voelt ruw aan. Het liefst zou ik mezelf willen verdrinken in dit miezerige straaltje water. Tevergeefs, ik knoop de grote handdoek stevig om me heen en loop oplettend en uitgeput naar mijn slaapkamer. Mama passeert me op de trap. Ze zegt op een rakende manier: ‘Kleed je aan! Ik duld niet dat je er zo bij loopt’. ‘Mama,’ antwoord ik onzeker, ‘dat was ik nu van plan’. Ik heb me gewassen’. ‘Loop door’, zegt ze sereen. Mama ziet er mooi uit in haar bloemetjesjurk, zoals een beschermengel of een wolvin met ontluikende bezorgdheid. Ze lijkt te stralen, deels door haar jurk, denk ik. Het is haar lievelingskleed, dat weet ik zeker. Enkele tellen later hoor ik haar de kamerdeur opengooien en begint ze woorden te roepen, tegen mijn vader, waarvan ik, op een te jonge leeftijd, de betekenis al kende. Ik wou dat ik dat gesprek vanuit een geluidloze ruimte kon observeren. Verdwijnen wanneer het me belieft. Alles voor een moment kon vergeten. Mijn lelijke, kapotgemaakte lichaam heb ik ondertussen weer bedekt met oude vodden van twee jaar geleden. Om nieuwe kleren hoef ik niet te vragen en dat is ook niet van levensbelang. Ik hoef geen nieuwe fiets, die oude rijdt prima. Ik verlang naar iets anders, maar soms voelt mijn leven als de liefde in mijn hart, begraven onder veel rottigheid. Moeilijk te bedwingen.

Het is 6.45 uur, tijd om op te staan. Mijn ouderwetse wekker heeft zijn jaren ook gehad, zeker nadat ik hem onbedachtzaam een aantal keer tegen de grond heb gesmeten. Eigenlijk gaat dat ding om 6.15 uur af. Maar ik druk elke dag drie keer op snooze, draai me nog een keer om en zit uiteindelijk, met mijn slaperige verschijning, om 7.00 uur aan de ontbijttafel. Soms misschien een minuut later - nooit vroeger - en dat verwijt ik de obstakels op mijn weg naar beneden. Raar, hoe dat iedere morgen precies hetzelfde verloopt. Het is een routine, misschien zelfs meer een eindeloze sleur.

De bus vertrekt om 7.43 uur. Ik heb dus nog een halfuurtje om me te fatsoeneren. Iedere morgen besmeer ik mijn gezicht heel dunnetjes met een laagje foundation om er mooier uit te zien. Maar tevens is het een masker, zodat mijn medemensen denken dat mijn toestand stabiel is. Als ik de badkamerspiegel uiteindelijk vraag of ik zo voor de dag kan komen, beantwoordt hij mijn vraag met een stille traan en een geslaakte zucht.

In de bus zijn er nog verscheidene zitplaatsen, maar ik zie de jongens achteraan lachen. En hoewel ik niet kan onderscheiden of ze me uitlachen of gewoon om een of andere domme opmerking komisch in de lach schieten, neem ik toch maar, voor de zekerheid, vooraan plaats, tussen de eerstejaars. 60 procent van de week zit er een jongen schuin voor me, hopeloos smakkend op een bubbelgum kauwgom. Ik was in de veronderstelling dat zijn kleurkeuze periodiek is, maar vandaag ben ik erachter gekomen - tot mijn grote teleurstelling - dat het maar gewoon een willekeurige gok is. Het is gewoonweg irritant hoe hij steeds op en neer gaat met zijn mond en hoe hij het gele geval van de ene kant naar de andere kant verplaatst. Af en toe ruik ik zelfs de vermenging van zijn ochtendadem met de zoetzure geur van de kauwgom. Na zo’n busrit ben ik voor een moment blij dat ik kan uitstappen, maar na het trieste bouwwerk van mijn school beschouwd te hebben ben ik weer even mistroostig als thuis en in de bus.

Ik zie mensen in groepjes bij elkaar zitten. Je ziet precies wie bij wie hoort. Sommigen voeren een geamuseerd gesprek, versterkt door handgebaren. Sommigen gapen achter hun hand. En sommigen vormen gewoonweg een zwijgende cirkel en duwen hun sigaret tot peuk. Ten slotte zijn er de mensen die alleen staan en zitten, waartoe ik behoor. Ik zet mijn tas op de grond en leun tegen de glaswand van de school, wachtend tot het belsignaal om 8.20 uur afgaat. Op zulke momenten gaat de tijd net zo snel als de voetstappen van mijn negentigjarige buurvrouw. Dat haat ik het meest. Mijn schooldagen verlopen dagelijks vrijwel hetzelfde. Ik ga naar de les. Standaard zit ik rechts vooraan, dicht bij de deur. Op die manier ben ik ook weer snel buiten en vermijd ik opzettelijke botsingen. Om 12.45 uur is er middagpauze. Mijn broodtrommel is altijd gevuld met twee boterhammen, een pakje chocomelk light - de echte -, een pakje Dubbelfris, een plak kruidkoek en een mandarijn. Het is een gewoonte.

‘Eh, kijk daar, lelijk wijf!’ hoor ik een jongen roepen. Ik wandel ongestoord verder, in de veronderstelling dat die aanmerking niet over mij ging. Maar diep van binnen huil ik zachtjes. Ik ben blij als uiteindelijk de bel het oorverdovende sein geeft dat het 16.20 uur is. We mogen naar huis. Dezelfde mensen, hetzelfde busritje, identiek gevoel. Gierende gezichten laat ik opnieuw achter me, hopend op een laatste keer.

Thuis aangekomen zie ik een drietal blauwgroene koffers bij de achterdeur staan, vergezeld door een stuk of vier uitpuilende dozen, tel ik vluchtig. Op het moment dat ik papa wilde vragen wat er aan de hand was, kreeg ik figuurlijk een aantal messen in mijn rug. ‘Ze wil je niet meer, achterbakse trut! Zie je! Niemand wil je. Je kunt niets! Je bent nergens goed in. Schijnheilig kreng!’ schreeuwt hij naar me. Ik probeer mijn tranen te onderdrukken, mijn woede te bunkeren. Maar hij liegt. Ik kan wel iets, ik ben wel ergens goed in. Mama vindt dat ik uitstekend spaghetti kan klaarmaken! Ik zie het aan haar lach, aan haar knikje. ‘Ze wil me wel.’, stotter ik overweldigd door pijn. Die spullen konden nooit enkel van mij zijn, zo veel dingen heb ik niet. Ik staar naar de opengeslagen koffer in de hoek. In een glimp vang ik een bloemetjesprint op tussen mijn versleten kledingstukken. ‘Ze wil me wel!’ zeg ik overtuigd van mijn vaststelling. ‘We zijn beter af zonder jou, geldvretend mormel’, vuurt hij recht op mijn hart af. Maar ik wist wel beter …