Harm Hendrik ten Napel

Dan zijn we hier, in het klein

Ik ben niet achterover in een badkuip gevallen;
voor me bolt de lucht op, uitdijend blauwwit

en ik weet dat de wereld rond, misschien
halfrond is, zo'n glazen bol geschud tot het regent

Dan regent het lijnen grijs, zwart, loodrecht
naar beneden in het eerste plaatje, zie je
de silhouet in het tweede?

In het derde klap ik, klapt mijn paraplu open
van gevouwen naar uitgespannen boven mijn hoofd

Daar sta ik als bij een bushalte
en zoek je groene irissen, zoek naar je
zwarte haar, nat en donkerder, samengestrengeld
in een los soort vlechten langs je gezicht

Hier, alleen - hier
zijn jij en ik alleen, op bijvoorbeeld een weiland

Kijk dan, daar: de zonsondergang en alle wolken
die uit elkaar getrokken worden, uitgerekt langs de horizon

Het weiland ligt tot aan boerderijen of verder,
tot waar het verdwijnt

Hier, we kijken hier:

de lucht tussen ons, die wij ademen, blijft dezelfde,

circuleert wellicht steeds binnen die zeven stappen

langs een plas, modder, achtergelaten paraplu

Ik drie, jij drie en dan de laatste


Nummer 7

Ik kon 't de eerste keer niet vinden
nu ben ik er, denk ik, ongeveer
thuis of bij jou

-we staan nu met onze voeten in je tapijt-

(Ik zou op een landkaart
je bed willen omcirkelen)

Het lijkt wel alsof alle muren opengeklapt worden
zoals net de kartonnen dozen - de lamellen
deelden eerst alles nog in,
het uitzicht in behapbare reepjes

Ik zie een conversatie met je vader,
vroeger of later, mensen op de landkaart,
vrienden die druk bellen en mensen
aangesloten op het elektriciteits-
netwerk - alles om jouw appartementen-
complex

Nu ligt hier karton, overal, schroeven
en lijm en een tafelblad en meer

De buren, boven en onder breken ons
tussen hun vloer of plafond -
twee geluidgolven

Ik leg mijn handen op je oren

Kleermakerszit
bij de onderdelen;

er moet een tafel in elkaar gezet worden

 
---

 
Het deksel valt op de grond,

van de keuken
zonder mensen
die ik ken

en het metalen geluid klinkt

twee keer en dan nog eens, korter

Stilte

In mijn hoofd klinkt het als een telefoon,
als een telefoon die stopt met rinkelen
net voor je 'm op kan nemen

Ik verwacht, volgens mij,
helemaal geen telefoon

 
Ik kom aan

In mijn stoel voelt het even alsof
mijn vader achter me de krant zit te lezen

Ik loop door de regen naar binnen,
op een foto zou ik een mensfiguurtje
zijn geweest (een man?)

We zijn er allebei weer; ik en de oude man
die van boeken houdt, met een bril en grijs

Beiden nog eens alles bekijken, zonder volgorde

We lopen elkaar weer in de weg,
alsof we allebei op dezelfde plaats
willen zijn
om dat nieuwe, dikke boek terug te leggen

Langzaam verwisselen wij van uiterlijk,
iedereen doet dat, misschien dat
ik later ook een baard heb of hebben kan

zoals deze man

of zoals iemand anders


---


Vanzelfsprekend je hand vastpakken

Mijn duim over de nagelriem van je wijsvinger

en blijven, daar blijven we toch

stilstaan op een brug, in een wak daaronder
twintig keer dezelfde mannetjeseend

Schrik - ik zit rechtop in bed

met het beeld van verderop
één meerkoet die uitglijdt op het ijs

Zag jij die ook?


---


Je moet weten
dat die keer, dat fietsen, dat is
een herinnering geworden:

Ik kan je gezicht niet zien - wel de sterren
tot de fiets teveel wiebelt, dan voel ik je
handen even in mijn zij, middel,

een kort gilletje

Het zou alleen wat voorzichtiger fietsen zijn
als ik je niet hoorde
praten en lachen, achter me, langszij, in de nacht


---


Over sommige momenten zou
een verhaal geschreven moeten worden

(misschien kan ik het ooit schrijven)

Om na te vertellen
over jouw handen die zich aan de mijne warmen
en jou,
over jou wanneer je vertelt
op momenten dat ik langzaam in je huis
de koelkast en de laatjes
open mag doen of de fluitketel kan pakken

en thee voor je zetten