Marleen van Wesel

De vogelverschrikker

De zon straalde van jewelste. Ik kneep mijn ogen dicht, alsof de zon mijn hoofd dan niet meer kon binnendringen teneinde hoofdpijn aan te wakkeren. Fout. Ik had ook nog poriën en neusgaten. Ik wilde dat deze dag voorbij was. Maar het was nog maar half tien, op een zondagochtend in de zomer van Jelle. Ik kreeg nog vijf euro van hem.

Behalve een schuldenaar op verwaarloosbaar niveau, was Jelle een soort hypochonder, maar dan een die vreest voor psychische aandoeningen. Nou ja, hij had er dus in elk geval één. Geen idee of daar een apart woord voor bestaat eigenlijk. Jelle had het vast geweten.
Het begon in groep 5, de middag na zijn spreekbeurt over Gilles de la Tourette. Hij zei ‘ja, klootzak’, terwijl hij gezien de context waarschijnlijk ‘ja, juffrouw Joke’ bedoelde. Een ernstig vergrijp, aangezien we de week ervoor na díep nadenken en uitvoerig veldonderzoek besloten hadden dat ‘klootzak’ het ergste woord was dat we kenden.
Een week later zei hij ook ‘klootzak’ als hij ‘ja’ bedoelde. Het werd pas echt lastig toen hij er ook ‘nee’ mee bedoelde. Nog een week later zei hij op elk willekeurig ogenblik ‘klootzak’.

Terug naar de waterkant, net buiten de bebouwde kom, waar we stonden, om half tien, op die dag die nog niet voorbij was. Ik zag ons weerspiegeld in het water. We zagen er eerder vreemd uit dan mooi. Maar toch ook mooi. Jossip droeg een te groot pak van zijn vader, Eelco een te klein pak van de zijne, waarin hij op een of andere manier nog meer op Jude Law leek dan anders. Violet droeg een zwarte jurk. Ik ook, maar dan een met een vlek van onbekende herkomst. Ik nam me voor mijn hand er de hele dag voor te houden. Ik leek een beetje op Napoleon, die dag.
‘Pootjebaden,’ zei Violet. We knikten allemaal. Of nee, Jelle niet. Die was er niet bij. Als Violet iets anders had gezegd, hadden we ook geknikt. En waarschijnlijk hadden we dan ook onze schoenen uitgetrokken om te pootjebaden. Alleen Jossip had zijn schoenen aangehouden, maar dat deed hij nu ook. Hij was bang voor vissen.

‘Ik ben blij dat jullie, ook Jelle, mijn vrienden zijn,’ zei Violet. ‘Dat jullie er allemaal zijn vandaag.’
‘Hoewel,’ vervolgde ze, ‘Als jullie niet mijn vrienden waren geweest, had ik jullie vandaag niet nodig gehad. Maar toch. Jelle liet me bijvoorbeeld laatst het liedje Accidentally in love horen van The Counting Crows. Hij zei dat hij dat een kutlied vond. Daarom ben ik zo blij met jullie.’
Haar onderlip trilde. ‘Anders had ik nooit geweten dat Accidentally in love een kutlied was.’ Ze begon te huilen. We sloegen onze armen om haar heen. Ik wilde dat Jelle er ook was. Die hoorde er ook bij. We hoorden er allemaal bij, al zou ik niet weten waarbij precies. Bij elkaar, allicht. Jelle, Jossip, Eelco en ik hoorden erbij, omdat we alle vier uit hetzelfde godvergeten, hoewel aardige dorpje kwamen, waarvan de naam een anagram van een vies woord was. Dat ontdekten we de middag van het klootzakkenonderzoek. Violet hoorde er ook bij, omdat ze níet uit dat dorp kwam, maar uit de stad, en daarmee een goed logeeradres was voor stapavonden. En omdat ze al dan niet iets met Eelco had gehad.

‘Stel, dat ik terminaal was, zou het dan niet een geniaal idee zijn om mijn uitvaartdienst te houden vóór ik dood was? Ik zou er bij willen zijn, bij dat afscheid.’
Dat zei Jelle op een dag, toen hij dacht dat hij depressief was. Daarvoor dacht hij nog een tijdje dat hij zich aangetrokken voelde tot bejaarden. Dat was toen mijn oma in coma lag. Fantoomverschijnselen had hij ook. Toen hij zijn haar had laten millimeteren blééf hij zweren bij antiklittenshampoo. Later dacht hij dat hij geboren was met tien tenen. Waarvan er zes aan zijn rechtervoet zaten. De kleinste zou er aan de linkerkant van de linkervoet weer aangezet zijn. Daarom greep hij altijd naar zijn rechtervoet, welke voet hij ook stootte.

De zoom van mijn jurk werd nat. Dat was niet goed. Het was nog minder goed dat Jossip en Violet inmiddels tot halverwege hun bovenbenen in het water stonden.
‘Ze zien er nog steeds lief uit, samen,’ zei Eelco die op de kant was gaan zitten.
‘Wat lees je?’ vroeg ik, omdat ik niet wist wat hij bedoelde, en hij bovendien door een boek bladerde.
‘De man die werk vond,’ zei Eelco, en hij hield het boek omhoog.
‘Jelles favoriet. Wist je dat? Hij vertelde het me vorige week. Daarom weet ik het.’
‘O,’ zei ik. Ik denk dat ik daarmee bedoelde dat ik het niet wist.
‘Ik wil er een stukje uit voorlezen, dadelijk,’ zei Eelco. ‘Maar ik weet nog niet welk stuk.’
Hij klonk alsof hij een advies van mij verwachtte. Ik had willekeurig ‘vanaf pagina 25, drie regels van boven’ kunnen zeggen, maar ik deed het niet.

Eelco waadde naar Violet. Jossip kwam terug naar de waterkant. We keken naar Eelco en Violet, die inmiddels tot aan hun middel in het water stonden. Eelco bladerde nog altijd woest door zijn boek heen. Violets jurk dreef als een openstaande parasol om haar heen.
‘Als we, de mensheid, bedoel ik, nu nooit dingen hadden uitgevonden die slecht waren voor het milieu, zoals auto’s, fabrieken en The Counting Crows, dan zouden we nu Violets benen helemaal zien. En haar ondergoed. Omdat het water dan veel helderder zou zijn,’ zei Jossip.
‘The Counting Crows?’ vroeg ik. Of misschien dácht ik het alleen maar. Er kwam in elk geval geen antwoord.
‘Misschien vind je dit gek om te horen,’ zei Jossip voorzichtig. ‘Omdat jullie iets gehad hebben weet-je-wel.’
Hij bekeek mijn gezicht aandachtig, alsof hij vast wilde peilen wat ik vond van wat hij zou zeggen. Ik had geen idee.
‘Als Jelle masturbeerde, dacht hij gemiddeld 67% van de tijd aan Violet. Had hij eens uitgerekend. Vertelde hij vorige week. Ben vergeten waarom ook alweer.’
‘Jelle en ik hebben nooit iets gehad,’ zei ik.
‘Nee, maar Violet en jij wel natuurlijk.’

Ik baalde aardig. De anderen hadden Jelle nog echt gespróken afgelopen week. Over dingen die ertoe deden, zoals kutmuziek, literatuur en masturberen. Mijn laatste gesprek met Jelle, vijf dagen geleden, ging over de kraaien, die het elke zomer voorzien hadden op de kersenboom in de achtertuin van zijn ouders. Jelle had het dan weer elke zomer voorzien op mij, met zijn gezeur over die verdomde kersen.
‘Hang een net om de boom. Of verjaag ze met een vogelverschrikker,’ zei ik.
‘En zeik niet zo,’ wilde ik er nog aan toevoegen. Over die kersen heb ik hem nooit meer gehoord. Over iets anders ook niet. Maar hij luisterde wel. Een dag later hing er een vogelverschrikker in de boom. Dat zag ik, toen ik er voorbij fietste.

Het was nu vier dagen geleden dat Jelles moeder belde. Ze zei ‘Met Claudine Pinker’ en daarna ‘Jelle is verongelukt’. Zelfs met Jelles’ voor- én achternaam in die zes woorden, had ik tijd nodig om te bedenken dat ik Jelles moeder aan de lijn had. Ik vroeg eerst tien keer ‘Echt?’ en daarna ‘Wat is er gebeurd dan?’. Maar toen had Claudine Pinker al lang opgehangen.
We zaten met zijn vieren op Jelle te wachten, op het station, toen ze belde. We zouden naar Sea Life gaan, in Scheveningen. We zijn niet meer gegaan natuurlijk. Hoewel. Ik weet niet meer wat ik die dag nog gedaan heb.
‘Misschien is hij ook wel bang voor vissen,’ merkte Jossip onbeholpen op, terwijl hij de deuren van de stationshal goed in de gaten hield voor het geval Jelle toch nog mocht komen.
‘Laten we eerst verdrietig worden, voor we alles gaan weglachen,’ zei Eelco nors.
Ik geloof niet dat Jossip een grapje maakte. Het was ook zo raar. Verongelukt. Meer wisten we niet en Claudine Pinker nam haar telefoon niet meer op. We zochten de kranten elke dag door, op zoek naar een bericht over een dodelijk ongeluk. Of over iets anders. Een overlijdensadvertentie bijvoorbeeld. We vonden niets. We hoopten dat Jelles nieuwe kwaal pathologisch liegen was. Dat het een slechte grap was.

Violet en Jossip liepen terug naar de waterkant. Ze waren drijfnat. Het viel me mee dat ze niet zwómmen. Violet hield haar hoofd schuin en bekeek Eelco en mij kritisch.
‘Jullie lijken net Jude Law. En Napoleon,’ zei ze.
‘Mijn schoen!’ riep Jossip uit, ten teken dat hij zijn schoen verloren had.

Het viel niemand op dat we druipend en met slechts zeven schoenen in totaal de kerk binnenliepen. Ook al moesten we helemaal op het voorste bankje gaan zitten, omdat de rest van de kerk bomvol was. Prachtig vond ik dat, al die mensen die voor Jelle kwamen. Minstens een uur ging alles langs me heen, en zat ik me alleen te verwonderen over wie er allemaal gekomen waren. Ik hoopte dat Jelle het kon zien. Al dan niet vanachter de coulissen, omdat het dus een grap was. Dat hoopte ik echt.
‘Zijn goede vriend Eelco wil nog wat vertellen,’ zei de pastoor met een glimlach naar Jossip. Hij keek even verward toen Eelco opstond en naar voren liep.
‘Vóórlezen,’ zei Eelco nadrukkelijk. Hij sloeg De man die werk vond open en begon op de eerste pagina, bij de eerste regel.
Ik zag juffen en meesters van de basisschool. En oud-klasgenoten. Juffrouw Joke was er ook. Ik glimlachte toen ik dacht aan Jelles Touretteperiode. En aan al zijn andere periodes.
De pastoor kuchte een paar keer luid. En daarna een paar keer nog luider. Eelco las onverstoorbaar verder. En nog verder. Ik zag de juffen, de meesters en de oud-klasgenoten knikkebollen. Toen trok de pastoor de stekker van de microfoon eruit. Eelco keek verwilderd om zich heen en ging snel terug bij ons zitten. Hij hield het boek open op de bladzijde waar hij gebleven was, zijn vinger verkrampt op pagina 25, drie regels van boven.

Met de punt van zijn kazuifel veegde de pastoor over zijn voorhoofd. Hij was de draad kwijt. Wankelend greep hij met zijn ene hand naar het altaar, terwijl hij verward door zijn papieren bladerde.
‘Muziek. Toch? Ja. Jelles moeder vond deze single in zijn cd-speler, nadat, nou ja. We denken dat hij dat nummer graag hoorde. Toch? Ja.’
Ergens kwamen klanken vandaan. We keken omhoog, zomaar. Muzíek zou Jelle het nooit genoemd hebben. Het was Accidentally in love van The Counting Crows. Ik keek naar Eelco, die van verbazing een beetje tot rust gekomen was. Plotseling grinnikte Eelco zachtjes. Jossip en Violet volgden. Toen hoorde ik het ook. Als je heel goed luisterde, hoorde je dat de zang vervormd was. In plaats van ‘come on’, leek de zanger telkens ‘kutlied’ te zingen.

We liepen het dorp weer uit, langs het water, naar Jelles huis, voor de allerlaatste keer. De lucht was dreigend donkergrijs en daarachter lichtte nu en dan iets op, wat dadelijk dwars door de wolken heen los zou barsten en over ons heen zou storten. Voorlopig was het doodstil. Ik hoorde alleen de soppende geluiden van onze voetstappen.
Hoofdschuddend bekeken we de psychologieboeken van Jelle, op zijn kamer. Beneden klonken de vervelende geluiden van een koffietafel met slechte koffie en vreselijke cake. De boeken stonden netjes in de kast. Normaal lagen ze geopend verspreid over zijn bureau. Nu lag er alleen een bonnetje van een bouwmarkt. Touw, 20 meter. 4,95. Erop lag een stuiver.
Door het raam zag ik dat de vogelverschrikker verdwenen was. De kraaien ook. Ik schrok, en rende de trap af, naar buiten. Daar, achter de welkomstborden van ons dorp, op de begraafplaats, lag de vogelverschrikker nu in een kist. De niet-pleonastische geesteszieke hypochonder was overleden in de waan dat hij suïcidaal was. Toen zag ik dat we er al die jaren naast hadden gezeten. Als je van de naam van ons dorp een vies woord wilde maken, hield je een letter over.