Sytze Schalk

Piemellucht

Waar porno en televisie geen geurtjes afgeven,
deed Ferdi dat wel.
En waar Anna Viper en Jenna Jameson geen pijn kennen,
kende Ellen dat wel.

De zwetende handen op kortgerokte billen,
en rokende muziek in pompende zaaltjes,
brachten hen onder de magie van iets meerderjarigs.
Maar van het werkelijk volwassen welbehagen,
bleek later in zijn Ferrarikamer,
Niets roosgeurigs meer te verdragen.

Zij nam zijn piemel in haar mond,
en kwam zichzelf tegen,
als wanneer ze zich niet gewassen had.
Hij dacht meer aan wat zou komen,
en hoe dat in woorden,
onder vrienden gebracht kon worden.

 

Een stervende vrouw gaan

Zit op /
Neemt een slok anti-oxidanten granaatappelsap uit een glas met randjes /
Zinkt weg /
Kijkt met twee ogen naar de kastanje in de voortuin /
Herinnert zich dat de kastanje, als elk jaar, deze maand naar sperma ruikt /
Perst haar handen op haar buik /
Rispt op /
Zit op /
Slikt zuur weg /
Herinnert zich dat er meer dingen naar sperma ruiken terwijl ze geen sperma zijn /
Neemt een slok anti-oxidanten granaatappelsap uit een glas met randjes /
Weet niet meer wat /
Zinkt weg /
Perst haar handen op haar buik /
Geeft Edwin een droge kus /
Rispt op /
Neemt een slok anti-oxidanten granaatappelsap uit een glas met randjes /
Slikt zuur weg /
Perst haar handen op haar buik /
Likt de traan van haar linkerwang /
Neemt een slok anti-oxidanten granaatappelsap uit een glas met randjes /
Rispt op /
Zinkt weg /
Kijkt met twee ogen naar de kastanje in de voortuin /
Herinnert zich dat de kastanje, als elk jaar, deze maand naar sperma ruikt /
Herinnert zich dat er meer dingen naar sperma ruiken terwijl ze geen sperma zijn /
Weet niet meer wat /
Zinkt weg /
Zinkt weg /
Zit op /
Rispt op /
Zinkt weg /
Slokt /
Kijkt /
Likt /
Perst /
Herinnert /
Perst /
Neemt /
Geeft /
Weet /
Zit op /
Rispt op /
Slikt weg /
/
Kalk


Desperado’s bij de benzinepomp

Liep voor me uit,
ver voor me uit,
op blote voeten.

Ik riep je en jij,
jij draaide je om,
naar mij toe, van

de lage zon af.
Ik barstte in vlinderdingen:
jouw ogen,

fonkels van
kwik, spiegelsplinters.
Een loom gitaarritme,

iets Amerikaans.


Gare du Nord

Dit is de eerste gewaarwording:
Een zweem van alles door alles gemengd,
met een zweem van olie gesmeerd.
en struikelkoffers tot dieper daar de stugge poortjes van de douane.

Mijn hand naar een verlopen paspoort,
het meisje dat de vreemdeling
aanklampt in de rij,
op zoek naar de snelste trein van Brussel
en gewoon een taal en ogen,
de van huilende tot gillende negervrouw
op een bankje zomaar
In het midden van de hal.


Koraal van het verhaal

Bric-a-brac zandkasteel en halfslaap
smeer het strand in met zonnemelk
wees weken bezig, zorg dat niets verbrandt,
en sla je ogen neer.
Doe niet zo chagrijnig.

In coca-cola veritas
Zand of zout of zoet of zoen?

Ze deed haar bikini af, het windscherm verdween achter de duinen,
De snelheid van gemiste kansen.

So
nothing can stop us now
We are all made of stars

Wij zijn allemaal gebouwd van mineralen

Onze vingers, onze nagels,
kniekapjes, kleine tenen
Spoelen met schelpen mee met de zee

[…] en bleek uiteindelijk toch een vrouw te zijn.

 
Robert Ellis Rustdag


De zon staat hoog.
Een spreeuw scheert over zijn blote rug.
Het graan wuift in de verte.
Er hangt een zekere rust in de lucht,
Een zekere zachtheid.
Over de rivier is het water weer te drinken.

Hij telt de uren af in zijn dagboek,
en vouwt de blauwe envelop terug in zijn fris gewassen shorts.
Zij, zij moet 8 maanden ver zijn
nu, nu al is zij
een wolk van een dot.
Van hem van hem van hem.

De zon staat hoog.
Het zand voelt zacht.
Een zekere volmaaktheid trekt over de heuvels.
Het is de mooiste 31 maart ooit.
Hij richt zich op, ziet,
in de verste verre verte geen stapels niks niet.

‘Ich war immer dagegen’


Tobbedansers

Zijn hele huis was van tocht doorrot:
maakte geen spat genoegdoening meer.
Zelfs kwam guur,
door kieren in de stoel
Die hij mij aanbood,

(was een oude man geworden.)

Ik gaf hem een hand, die van hem
verging in de mijne.

Je kunt iemand vergeving inschenken,
Net zoals je een kind verliest.
Een scheermes is niets zonder schuimkameraad.

Hem vader noemen,
bleek net zoiets,
als hem slopen willen.
Daadkracht

Ik heb een val gemaakt.
Ik heb hem ‘daadkracht’ genoemd
en van ijzerdraad geregen.
Dierbaren waren het voorbestemde doelwit.

Na drie maanden ving ik in ‘daadkracht’
een grijs konijn:
Uitgetrokken poot, uitgetrokken tongetje.
Ik heb hem opgezet en vergeten.

Mijn val was tegen niets bestand.