Kim Van de Perre

zwarte dromen

zwarte dromen knippen planten aan duigen,
ik drink en drink me te pletter hoezeer ik ook
harder wil gaan, rozen, ze blijven komen,
hierna nog lelies te gaan.

ze ving me, een kleverige strakke raggestrik,
rond mij, waar ik me niet van kan ontdoen.
ik hunker naar zachte aanrakingen, noten
als van Mozart die mijn vingers strelen,
naar kippenvel beverig van begeerte en
vocht dat ik smaken mag, volop verstrengeld
in een machteloze machtsstrijd van hevige
spieren in een alom zachte massa.

vogels vliegen kevers vogelen vliegen gaan me
te snel af, ik volg niet meer, alles gaat sneller
ik raak achter, buiten adem ben ik nu. zij ligt daar
en ik brabbel me af, rook me schuin, lig half
uitgeteld in de zetel. al wat ik wil, een glaasje water
als kristalhelder van ’t zuiverste zand mijn leven
heerlijk fris de liefde erin maar vooral ik wil
haar erbij, mijn kater, mijn hoofdpijn, de dafalgan
moet het water in, moet mij doen klaar komen.

glinsterend flikkert het weerspiegelende wateroppervlak
het lijkt wel of zij me door de zure appel heen
doet kijken, maar toch zie ik het niet, ik wou dat
pianotoetsen haar hete lijf bespelen konden, slechts
beteken ik haar buik met zwarte strepen, houtskool
dat er in het zwembad af gaat. nu spring ik er ook in,
mijn hand betast, tast af, ik bonk, ik sla, ik knok
mijn vuist bloedt, de glazen muur staat er nog steeds.
en terwijl het water rood kleurt is er meer
dan het glas dan de muur dat me snijdt en
het rood raast door me heen als onzichtbare tranen
en sporen van zwarte dromen.


Kleuren

Ik wist niet. Dat een zwaluw niet
vliegen kon. Wanneer alles grijs is,
maar is dat wel zo? Als kleuren
net als ik, hun negatief hebben bereikt.
Wist jij dat? Wist je het? Dat
lijnen, losse, niet altijd strak zijn, noch
hun touw naar behoren. Ja wat?
Dropdood, zo zeggen ze dat, maar soms
is gewoon het dode sluimeren, de witte
lege groenige duistere - ach wat, negatieve -
onderhuid de letter als ruwe afgesleten
huiskool, in alles in het niets afgestoken
bij cederlichtblauwe seringbloesems, getoornd
en ja, als het zachte doezelen, bijna zelfs
héérlijke, o ja - ja, wacht even, zo hoor, shht,
opwellen, druppelen, ik kan het ruiken!
de vormeloosheid; hoe ironisch toch, wanneer
kleuren als liefde en bloed door elkaar lopen
en nog meer, als de el na de bee durft te komen.
Het zijn de volkstalen, verhalen als wolkenlagen
met nieuwe werelden, gezuiverd door
ongecorrumpeerde kinderlijke naïviteit, de mijne,
hoog, daar, hoog, maar ‘ooit’, nu slechts
een afspiegeling van wat eens schilderen
met tempera wilde zijn. Het stromen
van de sterren, en hun verhalen, met alle grijs
tinten die ik ooit zag; neen, het is zo, lijkt
in niets mijn taak als negendoder te verzachten
maar ben ik niet het object?


schrijven

zachtjes schokken. met een penseel, erover,
lillend. lange lijnen vol leugens, zo simpel
of toch zo lijkt het, met de wind
in de hand. emigreren, dàt is het, naar ergens
ver weg, met alle kleuren in het voorhoofd.

pijnlijk vallen. zonder dromen alleen maar
mazen. moeders moede wil moegestreden, toch
de oogleden bladeren, schichtig, door eindeloze
replieken. scherven, ja, duizend-en-een, willen
of niet, met alle hun wederschijn.

rustig schreeuwen. verloren lopen, overal,
dolend. donkere dozen vol doden, koud maar
zwanger, met windstil de rasse schreden in hun
spoor. schor, nu, van richten naar nergens
nergens in de verte, met leegtes vol verhalen.


Horizon

Ik wil je afschrijven, verkleuren,
je vervagen, waar jij bent een grote
zwarte vlek zien, ik wil van de gedachte
aan jou bellen blazen, ze door-
prikken, ik wil je vergeten.
Ik wil je vereenzelvigen met water-
krinkels, niet de stuiterende steen
onder het oppervlak; water, steen,
dromen zijn er altijd, krinkels, kronkels
verdwijnen steeds weer, ga jij
maar ook, ik wil je kwijt, ik wil
op het strand, tussen de duizend,
miljarden zandkorrels, ik wil jou
kiezen om over te struikelen, ik wil
om jou niet meer te vinden, ga
nou maar, ik wil je lach verwolken,
vergeten hoe je geurde, ik wil
zelfs vergeten, het dichten, als ik
nou maar, ik wil chocolademelk, als
ik de melk maar niet
meer hoef te zien, ik wil de strepen,
elke lijn, alles daarboven in elk vinger-
hoedhoekgaatje, heel miniem, verstoppen.
Alles wil ik, dat het stopt, stopt
met die donkerrode horizon, over
dit, mijn messenhart verbloedt, want
waar ik het niet voel, zijn
rode tranen, doch ik zie ze, ze
overal. Kon ik nou maar
schrijven in het rood, liefst met
tranen, omdat, ik wil je af
kleuren, schrijven, waarvan wil ik af?
Ik wil je.


Rokken van jagers

Rokken van jagers,
ze zijn schijnheilig.
Mijn diepe wallen gapen
je aan. Het kruisbeeld geeft
te kennen dat het
gedaan is. Maar de geschiedenis
– één lange ellendige slepende lijn –
heeft zijn tol gevraagd.
Met bloeddoorlopen ogen ploeter
ik en drink het Kristall
van mijn cursusletters, diep
in de nacht en
ik stierf duizend doden.
De wereld in een waas
van tranen en leugens
achterlatend. Gele sterren
schitteren aan de hemel,
– het verleden zijn misvormde tronie –
de Paternoster in mijn hand
geklemd, beklim ik mijn droom-
wereld, en neem de grootste
onderscheiding in ontvangst.
Op een winterdag een droom

Ooit, zegt men altijd,
zonder de belofte, want spiegels
bereiken nooit die doornloze roos.
Zelfs jaartallen verliezen hun macht
steeds weer -klinkt die rauwe, schorre
schreeuw (edoch) minachting (edoch) stem der kling,
ooit de goedendag, nu blinde
bombardementen in Gaza.

Weertastend drink ik het gestremde duister,
maar zonnebloemen weten het knisperen
van de kleinste frambozenzaadjes, h/(d)onderden(,)
tegelijk, slechts het vallen bij bosjes. Tussen het overal gezaaide
verstikkende stof en de passe-partout van schreeuwen(de)
brokstukken, de enige solo een rode notenzang.

Oogkassen tranen, het vuur van mijn broodrooster is er niets bij,
waar ooit Iris het “Vooruit!” van aanstormende cavalerie
en Iris zelve aanschouwde, zijn zij nu blind
in het ontwarren van ’s vijands aureool van verraderlijke tentakels.
Enkel het vraagteken nestelt zich en kijkt
hen open in de ogen/ wie?
Ooit kan veel zijn, maar ooit,
zoals men altijd zegt, is nooit.


Het leven van een stip

Iedereen heeft wel zo z’n eigen schokkende levensverhaal,
maar dat van mij spant toch wel de kroon,
hem dragende onder de geliefde kristallen -luchter,
lang zal ik leven. Eeuwen een vaalgrijszwartkleurige ‘bundel’
ik-weet-niet-wat, voor het tijdperk der verandering:
nu eens zelf stippen van de stip, dan weer Kubus
in diens meervoudige orakelheid, maar ook de
hmm of “…” tussen verkeerscommentaren,
want ja, zonder mij heeft niets zijn einde
-dus ook- noch begin-
punt.


Kasten die niet willen openen

Ik schilder kasten in mijn bosbomen,
jij knoopt je manchetknopen, en huivert,
ze kokhalzen: als het rood van zwijgende kersen
opgeslokt in hun pit, kruipend door ogen,
naalden die de schijn niet verloochenen.
Schluss. ’t is Schmalz. en ’t blijft -ach- ’t onweerlicke
van die knechten.

Ze blinken, steken de borst vooruit, ruiken
als tijm; in ’t lentebosjedwarrelendboomtopblaadje
ze zijn mouws trots, heers trots, maar het fluffie
van oogkleppen blijft. Jij bent Childe Harold,
ik gedesillusioneerd. Stromend water
danst voor m’n ogen, woorden sluiten jouw
gordijnen, ik weet ’t zeker, je knopen vertellen
me dat het zo is, landkaarten hebben geen
rivieren meer, en nog steeds, nog
steeds. Ze kokhalzen. Je

Manchetknopen. Ze wéten ’t gewoon, Schmalz.
Hoe zit ’t nou? Al die hoogwaardigheidsbekledersfeestjes-met-kaviaar
en pinguin-viool-klassiek-deftig gedoe, met vooral
het zekere borst-vooruit-hand-achter-de-rug-obergevoel,
JIJ weet ‘t. Ik ben me ervan bewust. De muren
fluisteren, tafelpoten sissen elkaar toe,
maar nog steeds willen de kasten
niet open - wat zijn mensen toch
niet wat ze zijn. Maar ach, Schluss.