Ingeborg Klarenberg
Perspectief
In een cadans van kubussen groeit de stad uit
tot een doolhof dat zich bekleedt met parken
en vooral met bier. Iemand schept fier een ruimte
op papier. In een taal die we enigszins verstaan
spreekt hij:
ik ga Atlas
op de kaart zetten. Ergens achter het eindstation,
waar alles eindigt, waar geen winkelstraat
op uitkijkt. Je kunt er de stad vastpakken. De cartograaf
buigt zich erover als hij besluit waar de stad te vouwen.
Verdwijnpunt °1
Mijn paard neemt in zijn vlucht
een zadeltas mee met alle dingen
waarvoor ik namen zocht. In zijn manen
vond ik een slang. Hij wurgt me en ik
lach erom. Nog altijd wil ik ruiter zijn,
het gras te grazen nemen en om ons heen
de velden. Ik wil het slagveld
kunnen overzien als een schaker
die nooit schaakmat roept. Ik wil het zien
als de wolven daar staan, weg
kunnen kijken en dan een dal
zoeken om te slapen.
Verdwijnpunt °3
een vrouw strijkt vouwen uit kussenslopen
een kind speelt een spel met negen levens
langs het water staat een oude fiets
een man plast in een heg
en valt wat later in een gracht
een bijna vader bladert in het telefoonboek
op zoek naar namen
er staan auto's verkeerd geparkeerd
en er zijn agenten in burger
maar feitelijk
doet niemand iets fout
in een open raam dat niet open mocht
zit een meisje in een zijden jurk
onder haar bungelende voeten
zwijgt de straat als een graf
Verdwijnpunt °4
Ik sta hier nog jong
meeuwen van mijn dak
te weren. Ik sta hier
zwaaiend naar de herfst
te midden van een rampgebied
dat bestaat uit grind
en ouders en wat ze je meegeven
als je wegloopt: de oude paraplu
en wat kranten voor de regen
en je schoenen. Ik sta hier
een land aan te kondigen
waarin geen mens
nog honing eet.
Tussen twee gesloten deuren hangen
In deze kamer ligt van alles tentoonverspreid:
mandarijnenschil, daglichtlamp, schimmel
op de muur en kruimels in bed. Je waakt
als een engel over je kamer; apen zijn
net vogels. Maar zonder vleugels ben je
nergens, tenzij je hangt. Als je niet beweegt
blijft de lucht om je lichaam steeds dezelfde,
kun je ingemetseld lijken of achter het behang
geplakt. Adem is een doorn in het oog
van de duivel.
Ik houd
van mensen in kleermakerszit, van de man
die achter zijn kind aan rent als een hond
achter zijn bal.
van warrig haar, van alles wat mensen
achter magneten op koelkasten
hangen, van de synagoge.
van de grafheuvels, van auto's
met scheurbuik, van de jongen en het meisje
die hand in hand voor mij fietsen.
van wakker wakker worden,
van etalageruiten als spiegel gebruiken.
van de appels in mijn vensterbank en
van zandige ruggen die zich hier uitstrekken
als lichamen op een strand, van de regen,
van de jongens en hun brommers, van de docent
die eeuwig alles uitwist wat hij schrijft.
van de man die met stoepkrijt schrijft.
van ijs, van alle kamelenstaten, van de polder
en van Lapland.
Elias of het gevecht met de nachtegalen
we nemen de nacht als:
geen nachtegaal haalt ons hoofd nog
we vechten niet meer
we drinken appelcider en leggen ons neer
tussen mooie meisjes –
namen namen als Elias, Aloysius, Hermine of Henriëtte
keken naar hoe de bootjes wegdreven die we 's avonds
vouwden en 's ochtends tussen de lakens vonden
alsof we ze gedroomd hadden, lieten een zieke hond uit –
we bekruipen het kreupelhout niet meer
en ook met vuur hoeven we niet meer leren spelen –
wanneer zullen we elkaar hervinden?