Bilal Al Mashta
Het paradijs is niet voor ons
( * )
Ik steeg tot de 72 maagden, wrijvend op mijn handen door aardse lust en begerigheid. Op de nimbus die mijn hemelse geest deed klimmen naar de poorten van extase, fantaseerde ik over deze vrouwen en de tijd die ik met hen zou doorbrengen. Mijn leven onder de wolken was een zware beproeving en derhalve snakte ik naar een welverdiende rust. Aangekomen bij de poorten, knikten twee zwartgevleugelde engelen keurend naar mijn geest en de doorgang was de mijne.
Aldaar stond ik, met mijn blote voeten op het gras van Olympus, tussen de adembenemende kleuren en geuren van het paradijs. Buiten mijzelf kerend van verrukking, hing ik mijn jas op aan de appelboom van Eva, en nam de smaken van de hemelen in mij op.
Bijgekomen van dit ongekend, zintuiglijk genot, keek ik om me heen op zoek naar mijn beloofde maagden. En zie daar, tien van de mooiste en sierlijkste vrouwen die mijn nederige ogen hebben gezien, dansten langs de rozenwateren rivier niet ver van mij vandaan. Ik veegde de tranen die dit schouwspel deed aanwakkeren op mijn irissen en rende voorwaarts richting de dames, vol vreugde en geluk. “Zijn jullie mijn maagden?” vroeg ik hun met een verlegen maar ongeduldige stem. Maar de prachtige creaturen dansten in het rond en van een antwoord werd ik niet voorzien. Aldus zat ik de eerste dag van mijn verblijf en de volgende en de volgende daar langs de rivier te kijken naar datgene wat mijn ogen nooit eerder hebben aanschouwd. En de vrouwen dansten en dansten en gedurende drie dagen spraken zij niet. Totdat op de vierde dag, de langste en mooiste van de tien haar glinsterende lippen uit elkaar dreef en haar betoverende stem een sonate deed spelen op mijn trommelvlies: ”Wij zijn tien maagden, maar wie jij zoekt is niet onder ons. Je hart verlangt goud, mijn beste, maar wij zijn slechts brons. Wij zijn het geschenk voor je oog en niet voor je lust. Vind de andere 62 en wellicht kom je tot rust”. Ik luisterde deze woorden af met teleurstelling in mijn hart en besloot mijn zoektocht voort te zetten naar mijn beloofde pracht.
En zo liep ik door de fabelachtige schoonheid der creaties, door de zijden duinen van woestijnen en de zachte bries van het firmament. Totdat ik van ver een stem hoorde; een vrouwelijke stem die mijn hart sneller deed kloppen. “Zouden het mijn maagden zijn?” vroeg ik mij af. Zodoende haastte ik mij vol blijdschap en vreugd richting deze hemelse geluiden en aldaar trof ik twintig vrouwen onder een enorme Perzische eik. De vrouwen, in witte satijnen jurken gekleed, waren van ongekende praal. Ik zakte door mijn knieën bij het zien van deze nagenoeg perfecte voorstelling en vroeg in een bescheiden maar gretige stem: “Zijn jullie mijn maagden?”
Geen ander woord spraken de dames dan de eulogie die zij voerden. Een loflied voor mij en over mijn persoon. Ik luisterde aandachtig naar de prijzende tongen van deze sublieme wezens die mijn oren streelden als een warme adem in een koude winterdag. Aldus zat ik de vijfde dag van mijn verblijf en de volgende en de volgende daar onder de Perzische eik te luisteren naar datgene wat mijn oren nooit eerder hebben gehoord. En de vrouwen zongen en zongen en gedurende drie dagen antwoordden zij mij niet. Totdat op de vierde dag, de mooiste van de stemmen sprak: “Wij zijn twintig maagden, maar wie jij zoekt is niet genood. Je hart verlangt melodieën, mijn beste, maar wij zijn slechts een noot. Wij zijn een geschenk voor je oren en niet voor je lust. Vind de andere 42 en je hart wordt gesust”. Ik luisterde deze woorden af met teleurstelling in mijn hart en besloot mijn zoektocht voort te zetten naar mijn beloofde pracht.
Ondanks al het grandioze vertoon om mij heen, voelde ik langzaamaan een zeker verdriet opkomen. Mijn voeten liepen op fluwelen velden, mijn neus rook de geuren van kaneel en lavendel en mijn ogen waren getuige van de sublieme, kleurrijke uitbeeldingen die één voor één als een samenspel elkaar opvolgden. Maar mijn fantasie over de vrouwen liet mij niet in de steek.
En zo wandelde ik door de tuinen van het paradijs totdat mijn neus plotseling een betoverende walm opving. Verwikkeld in jasmijn en mimosa, in narcis en lotusbloemen, volgde mijn geest deze spreuk naar de kern van de bron. En voordat mijn neus grip kreeg op dit bekoorlijke aroma, brandde zich een fabuleus schilderij op mijn netvlies. Veertig vrouwen, nog mooier dan de vorige, zaten in het rond op een enorme kasjmieren kleed tussen wijnstokken en vijgenbomen, uitbundig te eten en te drinken van de lekkerste vruchten en drank. Als een herboren kind rende ik voorwaarts naar deze wonderlijke wezens en ondervond geen weerstand bij het uitschreeuwen van de volgende woorden:
“Kom mijn schone ogen de appels zien van Avalon
Voer met mij een tweespel, een wals op het gras
Onder het zweet van verlangen tegen de ruit van het glas
Jouw haar danst op de toon van Afrodite´s adem
Als een spel onder de palmen van een oude vizieren harem
Kom, kom mijn zachte handen de appels plukken van Avalon
Jouw beeld laat me dichten
Als een keizer zal ik Rome in mijn dromen laten stichten
Geef mij genoegen, mijn schone, en ik zal boeten
Al droeg ik de naam Atlas, was de wereld aan je voeten
Kom mijn honinglippen de appels proeven van Avalon”
De prachtige dames reageerden niet, maar leidden mij naar het midden van het kleed als een koning naar zijn troon. En niet lang daarna lag ik op kussens en tapijten mijn verzadigde maag te vullen met de lekkerste gerechten en drank. Eén voor één brachten de sirenes borden vol overheerlijke smaken en voedden mij als een keizer in zijn paleis.
Aldus lag ik de negende dag van mijn verblijf en de volgende en de volgende daar tussen de vruchtenbomen te eten van datgene wat mijn tong nooit eerder heeft geproefd. En de vrouwen verwenden mij met hun betoverende aanwezigheid en hemelse delicatessen en gedurende drie dagen antwoordden zij mij niet. Totdat op de vierde dag, de vrouw met de lekkerste gerechten sprak: “Wij zijn veertig maagden, maar wie jij zoekt bevindt zich hier niet. Je hart verlangt rozen, mijn beste, maar wij zijn slechts riet. Wij zijn een geschenk voor je tong en niet voor je lust. Vind de andere twee en je vuur wordt geblust”. Ik luisterde deze woorden af met teleurstelling in mijn hart en besloot mijn zoektocht voort te zetten naar mijn beloofde pracht.
“O mijn heer, waarom pijnigt u mij zo tussen de schoonheid van uw daden? Ik loop, ik zie, ik voel, maar de vrouwen spoken door mijn gedachten als een vloek en nergens ben ik of ik laat na in genot te dwalen door het gemis van mijn verwachting. Verdwijn O Iblies uit mijn geest zodat mijn ziel in het eeuwige kan rusten zonder deze aardse tensie die mij in onrust en onzekerheid brengt! Verdwijn O Eva uit mijn hart, al zal ik mijn eigen rib uit mijn lichaam scheuren en aan de slangen voeren! Ik ben slechts de nederigheid, de angst en het kind; waarom dan mijn Heer deze hel in het paradijs?”
Niet lang nadat ik deze woorden sprak, trok een bijzonder schouwspel de aandacht van mijn ooghoek. Niet ver van mij vandaan, twee vrouwen, zo schoon als de engelen zelf, namen plaats op het zand van de heldere oceanen van Neptunes. Zij keken naar mij en wuifden een beminnelijke glimlach naar mijn smeltende geest. Maar met mijn vorige ervaringen nog vers in mijn geheugen, wees ik deze aanlokkelijkheid af met een verwaand handgebaar. Maar de twijfel was mij te sterk. En zo nam ik de eerste voorzichtige stappen op het zielverwarmende zand richting deze twee adembenemende schoonheden. De vrouwen zagen mij naderen en keken elkaar aan en voor even hoorde ik slechts de bezwijkende tonen van de golven naast de stilte. Zonder te spreken, nam ik plaats tussen de twee en leunde achterover, starend naar de zee. Ik sloot mijn ogen en probeerde te vergeten wat mij eerder is overkomen. De lach van de dames naast mij was als een kus op mijn versleten ziel en een hoop op een vurige fantasie met deze laatste vrouwen nestelde in mijn gedachten. Het duurde daarom niet lang voordat mijn verwenning oversloeg in ongeloof nadat de twee hun zijdezachte handen lieten neerstrijken op mijn borst. Ik keek nogmaals om mij heen om te kijken of dit geen droom was en ik kon het niet verhelpen of zich een brede glimlach nestelde boven mijn kin. Mijn reden, mijn begerigheid leek op dat moment langzaam haar weg te vinden naar mijn bevrediging: dit moesten wel mijn maagden zijn. Ik sloot wederom mijn ogen en liet de dames spelen met mijn haar en mijn oren vulden zich met het geluid van hun prachtige lach. Aldus zat ik de dertiende dag van mijn verblijf en de volgende en de volgende daar langs de hemelblauwe oceaan te genieten van het strelen en het spelen van de vrouwen. En de dames lachten en verleidden en gedurende drie dagen spraken zij niet. Totdat op de vierde dag zich een gevoel van onvolkomenheid, een onrust, samenvoegde met mijn emoties en mijn genot werd doorbroken door mijn terugkerende kwaal, mijn onbevredigde lust. Het gevoel was sterker dan mij en als een spelbrekende valse noot wrong mijn eerste vraag zich door mijn stembanden, langs mijn gehemelte naar de open lucht:
“Zal ik wederom alleen slapen vandaag, o pracht der creaties?”
Zij antwoordden: “Maar in het paradijs is er geen vandaag”.
Ik vroeg: “Zal ik jou morgen begeren, jij praal der eeuwigheid?”
Zij antwoordden: “Maar in het paradijs is er geen morgen”.
Ik vroeg: “Mijn lust, o maagden, zal deze dan nimmer worden gesust?”
Zij antwoordden: “Het paradijs kent geen lust, mijn beste. Maar kijk om je heen en zeg ons dat jij dit veronachtzaamt.”
Ik sprak: “Nee. Ik geef toe dat mijn hoop en afwachting mij hebben afgewend van het fabelachtige om mij heen. Ik proefde honing, maar de smaak was mij te zuur. Ik rook engelentrompetten, maar de geur was mij te sterk. Maar ik hoef geen mirakels, o schoonheden der firmament! Ik wil de nacht doorbrengen met jullie, dat is het enige wat mijn hart kan vullen in dit Elysium.”
Zij antwoordden: “Mirakels zijn er slechts op aarde. Snap je het dan niet, vervloekt mens? Dat een man geen man is voorbij de poorten van het hiernamaals? Dat kwaad geschiedt slechts door de hoogte van je toon? Gaat heen! Welke verwachtingen koestert jouw versleten ziel in dit ontastbare? Het onmenselijke leven op aarde om van het menselijke hier te ervaren? Zijn jouw zonden dan hier een prijs?”
Er volgde een lange stilte waarop de maagden eindigden:
“Snap je het niet?... Het paradijs is niet voor jou.”
( * )