Stijn Bongertman

Eer de wanhoop kraait

Hij zuchtte diep, liep naar de grote spiegel in zijn slaapkamer en leunde er, moe van alles wat die dag gebeurd was, met zijn voorhoofd tegenaan. Twee grote donkerbruine ogen staarden hem aan. “Hij is de enige die mijn gedachten leest”, dacht hij. “Zijn ogen kijken dwars door mij heen, alsof ik van glas ben, en hoe ook ik mijn gevoelens en verlangens tracht te verbergen, hij ziet alles, en kijkt tot in het diepst van mijn ziel”. Door zijn adem besloeg de spiegel, waardoor het zicht wazig werd. Hij liep naar zijn bed, strekte zich uit en viel neer op het bed. Hij staarde roerloos omhoog en zag door het raam in het dak duizenden sterren aan de hemel schitteren. Hij herkende het sterrenbeeld de Hydra, een negenkoppig monster dat Hercules eeuwen geleden had verslagen.“Op elke ster woont een engel”, zei hij bij zichzelf, ‘en elke engel waakt over een menselijke ziel op aarde. Elke engel kreeg ooit een groot boek, waarin het lot van de mens staat geschreven”. Een grote felle ster doofde. Hij wist dat de ster niet meer bestond, omdat het licht vele jaren had gereisd voor hij de Aarde bereikt had. Hij keek, voordat hij zijn nachtlampje uitschakelde, nogmaals rond in zijn kamer. De stoel stond zoals hij altijd stond, de pen lag daar waar hij hem gisteren had neergelegd en de twee dobbelstenen op zijn nachtkastje wezen nog steeds de getallen zes en één aan. “Alsof niets gebeurd is, de tijd heeft stilgestaan”, zei hij zacht. Naast zijn oor hoorde hij het zachte gezoem van een mug. Hij sloeg het beest dood. Een dieprode streep vormde zich op de eerst nog witte muur. Hij deed het licht uit en viel in een diepe slaap.

***

Peter schrok wakker van het gekraai van een haan. Hij keek op zijn wekker en zag dat het nog geen zes uur was. Tot iets over zes probeerde hij de slaap te vatten. Ondertussen was het helemaal licht geworden. ‘Dit wordt een bijzondere dag’, dacht hij. Hij kleedde zich aan en liep naar beneden. Hij probeerde zo min mogelijk geluid te maken. Het huis was nog stil, zoals de zee, na dagen van storm, waarin duizenden jonge mannen stierven. Slechts het zachte kraken van de trap en de adem die hij in en uit zijn borstkas zoog, was hoorbaar. Zijn ouders sliepen nog. ‘Arme zielen, zij weten niet wat hen te wachten staat’, sprak Peter. Hij opende de ijskast en pakte bosvruchtenjam en een stuk kaas. Hij ging aan de eikenhouten tafel zitten en besmeerde zijn boterham eerst met de jam, om er vervolgens dikke plakken kaas overheen te leggen. ‘Men dient zuinig te zijn, maar op dagen zoals vandaag moet men niet zeuren over het dikte van het beleg’, vond hij.

Nadat hij zijn boterham had opgegeten, kwam zijn vader beneden. ‘Wat is het nut van het leven als je zo vlezig bent als deze man? Hij wordt oud. Hij begint steeds kaler te worden, behalve daar waar haargroei niet gewenst is’, dacht Peter. Omdat het nog geen tijd was om naar school te gaan, besloot Peter een ochtendwandeling te maken. “Wandelen is een nuttig tijdverdrijf”, vond hij, “het is een uitstekende manier de geest te reinigen van zondige gedachten. Hij wou zijn schoenen aantrekken, maar de veter van zijn linkerschoen zat nog vastgeknoopt. ‘Wat ben ik toch ook lui’, sprak hij tot zichzelf. Na enige minuten was de knoop los. Voor hij het huis verliet groette hij zijn ouders . ‘Wees voorzichtig’, zei zijn moeder, ‘en zorg dat je op tijd bent voor je Latijnse les’. Hij gaf zijn moeder een zoen en verliet het huis.

Buiten was het nog fris. Vogels tjirpten. Het waren hun laatste dagen in dit land. Binnenkort zouden zij naar warmere streken vliegen, om in de lente terug te keren. De eerste mensen begonnen zich al richting hun werk te verplaatsen. ‘Altijd haast’, dacht Peter “alsof de dood hen achternazit”. Hij had de hoek van de straat bereikt. Een groep jongeren, niet veel ouder dan hij, liep hem voorbij. Ze droegen zwart leren jassen met een bontkraag. Één jongen had een gouden tand, zoals piraten in films vaak hebben. Peter werd er bang van en zwoer hen tot in de eeuwigheid te haten: ‘Mijn Heer, zij maken mij bang, ik haat hen. Spreek Uw oordeel uit over dit ellendig volk. Ken geen genade! Vermoord hun moeders, hun vaders, hun nakomelingen, roei hen volledig uit en laat hun zielen branden in de hel’. Tot zijn opluchting was de groep hem gepasseerd. Hij was veilig. Er waaide een flinke noordoostenwind. De wind woei door de bomen, wier bladeren muziek speelden. Bij stevige windvlagen speelde het orkest der bladeren luid en krachtig, om bij windstilten zacht en rustig te spelen. Af en toe verliet een blad zijn boom, dwarrelde langzaam, gevoerd door wind en zwaartekracht, naar beneden en kwam, wanneer het de grond raakte, tot stilstand. Het was het verschrikkelijke lot van een blad.

Zijn schoenen schuurden in het grind dat op de stoep lag, zodat bij enkele voetstap vele kiezels verschoven. Hij dacht aan zijn moeder, van wie de haren altijd donkerbruin geweest waren, maar de laatste tijd begon het al te vergrijzen. Zij hield van geen ander zoveel als van hem, en haar grootste angst was dat hem wat overkwam. Zij werkte niet en zat altijd als hij thuis kwam van school klaar met koekjes en een kop warme thee, en vroeg hem of er nog iets bijzonders op school was gebeurd. ’s Avonds zorgde zij voor eten en hielp hem met zijn huiswerk. ‘Ik haat haar’, dacht Peter, ‘ik ben geen kind meer’. De straatverlichting ging uit. “De zon is volledig opgekomen”, dacht hij, “maar ondanks dat het licht is, is de dag is nog duister van onwetendheid.”

Een oude dame stak de weg over. Zij liep krom en moeizaam. Een aantal auto’s toeterden, maar zij had niets door. Peter liep naar haar toe en pakte haar bij haar arm. ‘Moet ik u helpen?’ vroeg Peter. ‘Wat vriendelijk om mij naar de overkant te helpen’, zei ze, ‘de jeugd van tegenwoordig zou een voorbeeld aan jou moeten nemen’. Toen zij de overkant bereikten, bood zij hem een kaakje aan. Een vlaag van medelijden bekroop Peter. Hij nam het koekje aan. “Het lijkt wel, of er steentjes in zitten”, dacht hij, “het is vast al jaren oud”. Toen ze uit het zicht verdwenen was, gooide hij het op de grond en liep naar de winkelstraat. Aan de horizon verschenen donkere wolken. Peter wist dat het het begin van een nazomerse bui zou zijn.

Hij ging de hoedenwinkel op de hoek van de straat binnen. Hij had geen geld bij zich en was ook niet van plan iets te kopen, maar hij was naar binnengegaan omdat hij zich afvroeg hoe een cowboyhoed hem zou staan. ‘Kan ik u helpen?’, vroeg de verkoopster. Zij was lang en had blonde haren, maar haar gezicht was bezaaid met rode puisten, alsof er een verfbom in haar gelaat was ontploft. Peter mompelde iets onverstaanbaars terug, waaruit de verkoopster net kon begrijpen dat hij haar hulp niet nodig had. Peter bekeek zichzelf in de spiegel. Zijn halflange, lichtblonde, golvende haar en zijn donkerbruine ogen kleurden mooi bij de hoed. ‘Wat ben ik toch mooi’, dacht hij. Hij zette de hoed weer terug en verliet de winkel. ‘Tot ziens’, riep de verkoopster. Peter zei niets terug.

Toen hij buiten was keek hij in de lucht. Donkere wolken dreven zijn richting uit. De eerste wolk dreef voor de zon. ‘Zojuist was het nog dag’, dacht hij, ‘maar nu is het nacht overdag’. Enkele auto’s schakelden hun koplampen aan. Het speet hem dat hij zijn jas niet had aangetrokken. Een zwerm vogels, vliegend in een V-vorm, vloog over hem heen. Hij vroeg zich af hoe de vogels ooit op het idee kwamen om zo te vliegen. Was het bij hun schepping bepaald, of waren ze in de loop der jaren zo gaan vliegen? Hij wist het niet.

De eerste regendruppels vielen naar beneden. Mensen renden naar huizen en winkels om te schuilen voor het dreigende noodweer. Een fietsende vader met zijn kind dat naast hem reed verhoogde zijn tempo. De kleine probeerde uit alle macht diens vader bij te houden, om hem te laten zien hoe groot hij al was. Maar de vader fietste te snel voor het jongetje. De schouders van de kleine begonnen hevig op en neer te gaan, maar de vader had niets in de gaten. Het gat tussen de twee werd groter. Het jongetje had nog enkel oog voor zijn vader, en vergat alles om hem heen. Hij zag de scheur in de weg niet, reed er dwars overheen en sloeg over de kop. Hij gaf een luide kreet en nu pas merkte de vader dat zijn zoon niet naast hem fietste, maar, met grote schaafwonden op beide knieën en linkerelleboog en twee afgebroken tanden, huilend op de grond lag. De man vloekte luid, fietste geschrokken terug en pakte het kind op. Het jongetje sloeg zijn armen om zijn vader heen en drukte zich dicht tegen hem aan. De vader wiegde troostend op en neer, en wreef over de haren van het jongetje. Enkele minuten geleden was er nog niets aan de hand. Nu stonden zij daar, verslagen door het noodweer, in de stromende regen.

Peters kleren waren inmiddels geheel doorweekt, zodat zijn vest aan zijn lichaam plakte. Hij was graag even ergens gaan schuilen, maar dan zou hij te laat komen voor zijn Latijnse les. Bij andere lessen kon hij zich het veroorloven om te laat te komen, maar de Latijnse leraar haatte hem. De leraar was doof en sprak met consumptie, zodat Peter dikwijls een fontein van speeksel over zich heen kreeg. Hij dreigde vaak met straf indien het huiswerk niet gemaakt was. Zonder succes, want het huiswerk werd door niemand gemaakt. Peter was de enige die ooit straf kreeg. Peter liep langs de singel. Grote spetters plonsden in het water. Zijn schoenen schuurden weer in het grind. De kiezels schoven weer terug op hun plek, waar Peter ze enkele minuten geleden vandaan had geschoven. Het was ongedaan gemaakt, alsof hij nooit was langsgelopen. Een rilling ging over hem heen. Een blad dwarrelde langzaam naar beneden. “Ik doe er niet toe”, dacht hij. “Niemand doet er toe”. Soms wenste hij, dat hij dood was. Op de kerkklok zag hij dat het kwart voor acht was. Hij moest zich haasten.

Peter liep het trappetje voor zijn huis op en ging naar binnen. Hij veegde zijn voeten af en rende naar boven. Hij opende de deur van zijn moeders kamer en zag haar voor de spiegel staan. Ze glimlachte. ‘Nu kom je toch te laat’, zei ze. ‘En ik heb nog wel zo gezegd dat je op tijd moest zijn. Straks heb ik weer die aardige meneer van Latijns aan de telefoon, ongerust over het feit dat jij misschien zult blijven zitten’. ‘Van Slichteren’, zei Peter. ‘Wat?’ ‘Hij heet van Slichteren.’ Hij gaf haar een zoen en rende naar beneden. Hij pakte zijn tas en liep naar de hal om daar zijn fiets te pakken. Het regende nog steeds. Hij keek op zijn horloge. Seconden tikten weg. Nooit zouden zij terugkeren. Het was onomkeerbaar. De tijd is een reusachtig vuur, dat nodig is om te leven, maar tegelijkertijd alles verslindt en eeuwig blijft branden. Zelfs het vuur in de hel, dat brandt op alle zonden, brandt niet zoals het vuur van de tijd. Al lang voordat er leven was, was de tijd er al en ook nadat al het leven beëindigd zal zijn, zal de tijd nog voorttikken. Peter huiverde. Het was als een nachtmerrie. Hij wist dat de tijd ooit ook hem, en alles wat hij haatte en liefhad, zou verslinden. Op zijn horloge tikte de wijzer. Al dertig seconden waren verdwenen. Hij stapte op zijn fiets en reed richting school.