Vincent Terlouw

De vertolker

1
Hij zong over de zon, de maan en de sterren, over de zee, de wind en de vogels, de vrolijkheid en het verdriet, over de dag en de nacht, over de tijd van komen en over de tijd van gaan, en natuurlijk, daar komt het, over de liefde: de lieve liefde, de allerliefste liefde, de eenzame liefde, de verloren liefde, de pure liefde. Hij zong over lieve woorden, over nog veel meer lieve woorden en over het vasthouden van je geliefdes hand. Hij zong over het leven. Overal zong hij het leven naar binnen: in grote en in kleine zalen, clubhuizen en buurthuizen, in ziekenhuizen en in bejaardentehuizen, opvanghuizen en gekkenhuizen; het leven moest overal zijn. Hij was de grote vertolker, de vertolker van het levenslied. Zijn naam? Zijn naam was Louis Bouvier.

Louis keek een grote donkere ruimte in. Toch moest daar iets zijn, het geluid van joelende mensen verraadde het. Hij had ze bestudeerd, wist precies wat ze deden. Nu zwaaiden ze naar hem en hij zwaaide terug. Zo nu en dan liep hij naar de rand van het podium, waar hij de eerste rijen fans kon zien staan, stak een hand naar ze uit en was een ogenblik één met zijn publiek. Hadden ze het naar hun zin? Een luid ‘jaaa’ kwam Louis tegemoet. Ze hadden het naar hun zin. Louis hield van het optreden en dit leven, hij leefde als het ware voor zijn fans. Vaak liep hij door zijn geliefde Amsterdam en werd dan aangeklampt door een vrouwtje (zoals hij dat zelf noemde), of hij even met haar op de foto wilde? Hij sloeg een arm om haar heen, keek lachend in de camera en wachtte geduldig tot de foto genomen was, wat soms wel even duren kon. Zenuwachtig geworden mannen van de vrouwen stonden onhandig met het toestelletje in de hand, kregen wat goedbedoelde adviezen, zoomde in, zoomde uit, riepen: ‘Even lachen!,’ en klik… De foto was een feit. Meestal nadat één echtpaar (het waren meestal echtparen) de moed hadden verzameld om op Louis af te stappen volgden er meer. Louis vond het heerlijk. Louis had voor iedereen tijd en een lach.

2
Elke dag ontving hij een stapel brieven van fans, die hij ’s ochtends aan de keukentafel doorlas en beantwoordde. Maar ondanks al deze bemoedigende brieven kon hij een zwaar drukkend gevoel, al een aantal dagen zijn metgezel, niet van zich af laten vallen. Zijn manager had hem gezegd: ‘Louis,’ zei hij, ‘de cd-verkoop stagneert. We weten allemaal waar dat aan ligt. Mensen zijn voorzichtiger geworden, leven met de hand op de knip. Hetzij nu eenmaal zo. Economische crisis.’ Louis had het ook gelezen in de kranten en gezien op het journaal. Mensen raakten in paniek, gingen hun geld ophalen bij de bank, bezuinigde op de bijzaken van het leven. Maar het levenslied was geen bijzaak dacht Louis. Het levenslied sleept je door alles heen, ook door een crisis, ja, zelfs een mondiale crisis. Dat de mensen dat niet begrepen, begreep hij niet.

Beste meneer en vriend Bouvier,

Een aantal weken geleden is mijn man overleden. Op zijn begrafenis hebben wij uw nummer De Vrucht mogen draaien bij de binnenkomst van de kist. Het was zo’n ontzettend mooi moment. Mijn man had het prachtig gevonden. Wij waren en zijn grote fans. Wanneer ik uw muziek draai is hij nog even bij me. Elke avond voor het slapen gaan kijk ik even naar de videobeelden die oom Freek gemaakt heeft van het binnendragen van de kist. Ik wil u bedanken voor dit prachtige lied, dat ik voor altijd mee zal dragen in mijn hart.

Warme groet,

Een fan

Zulke brieven deden hem goed, ook al dacht hij: De Vrucht, dat nummer heb ik veertien jaar geleden opgenomen. Op mijn laatste plaat staan juweeltjes van begrafenisnummers, waarom daar niks van genomen? Waarom terugvallen op dat oude repertoire? Zie je, de cd-verkoop stagneert. Hij probeerde er niet teveel aan te denken, de vrolijke zanger te blijven, goedlachs. Als ze weer eens voor zijn deur stonden voor een handtekening moest hij vrolijk en opgewekt zijn, zich vooral niet laten kennen.

Als kind heeft je moe
Je voor knikkers en snoep
Zo dikwijls een cent gegeven
Zo'n doodgewone koperen cent
Beheerst zo vaak het leven

Zo is het dacht Louis. Die Johnny had het bij het rechte eind. Geld maakt toch niet gelukkig. Toch Louis?

3
Het optreden ging wel door. Die waren al een half jaar vooruit gepland, toen er nog geen spoor van economische achteruitgang was. Na de show was het zaak zoveel mogelijk contact te maken. Zijn fans konden op hem rekenen. Terwijl andere zangers, die er allang geen heil meer in zagen al waren vertrokken, stond Louis gearmd met moeder en dochter uit Etten-Leur te wachten op de flits. Hij moest het publiek aan zich binden, een signaal afgeven: economische crisis of niet, het is altijd feest, kijk, met mij is er ook niks aan de hand. Luister naar muziek en wees blij! Toen iedereen bedeeld en de zaal verlaten was liep Louis naar zijn kleedkamertje achter in de gang, pakte zijn sporttas, propte daar zijn kleren in, zei goedenavond tegen de geluidsman en verliet het pand. Bij de auto stond nog iemand op hem te wachten. Een jongen, met in zijn hand twee trommelstokjes.
‘Jij wilt vast een handtekening,’ zei Louis. De jongen zei niks.
‘Speel jij ook een instrument?’
De jongen knikte. ‘Drums,’ zei hij.
‘Zal ik je stokjes signeren?’ Geen reactie.
‘Een handtekening?, wil je dat ik een handtekening op je stokjes zet?’
‘Nee,’ zei de jongen, ‘T-shirt.’
Hij opende zijn jas en Louis keek recht in het lachende gezicht van: ‘Barry de Jong,’ zei Louis. ‘Denk je soms dat ik Barry de Jong ben?’
‘Handtekening,’ zei de jongen.
‘Maar jongen, dat daar ben ik niet. Dit is Barry de Jong. Die is al een uur of twee naar huis. Vertrokken. Weg. Zoef, zoef, zo met de auto. Weg.’ ‘Handtekening.’
Louis zuchtte eens diep, pakte de dikke zwarte viltstift en zette zijn handtekening. Voor Bernard, van Louis.

In een wegrestaurant dronk hij een kop koffie en schreef op een bierviltje een zin die hem tijdens het autorijden te binnen was geschoten. “Als de kranten ook nog zeggen, dat je ster nu echt verbleekt, laat de mensen dan maar praten, want jij weet wel wie er spreekt.” Voor de nieuwe plaat dacht hij. Hij dacht ook aan de jongen die bij zijn auto had gestaan. Het was dat hij niet goed was, anders had hij geweigerd een handtekening te zetten op dat shirt met Barry de Jong. Of?, nou ja, niet meer aan denken. Hij was niet goed en hijzelf was ontzettend moe. Morgen even doorslapen, een rustig dagje ervan maken. Hier moest hij weg. De stoelen werden opgestapeld, en een man met een grote snor was fanatiek aan het dweilen. ‘Goedenavond,’ zei hij toen hij langs de bar liep. Er volgde geen reactie.

4
‘Met Louis Bouvier.’
‘Louis!, goeiemorgen, je spreekt met Chantal.’
‘Chantel?’
‘Van het programma “Alle Mensen Wensen”.’
‘O, wat leuk.’
‘Ik heb een vraag voor je Louis, of beter gezegd, een verzoekje. Je kent ons programma? Mensen die het al niet zo gemakkelijk hebben mogen bij ons een wens indienen. We krijgen er honderden per week. Je begrijpt, we kunnen ze niet allemaal vervullen. We pikken de leukste eruit. Maar goed, we kregen een brief van een van je grootste fans. Margje is haar naam. Ze heeft een verstandelijke handicap, je kent het wel, het gebruikelijke recept. Ze wil jou graag een keer ontmoeten maar ze kan niet naar een concert komen. Dat zou ze niet aankunnen. Vraag van ons of je wellicht in haar huiskamer een vergassingsconcert zou willen geven. Speciaal voor haar.’
‘Komt dat op tv?’
‘Dat komt op tv, jazeker. Leuke publiciteit zou ik zo zeggen. We hebben een trouwe kijkersschare.’
‘Hier werk ik uiteraard aan mee. Maar natuurlijk. Hebben jullie al een datum?’
‘De 26e, schikt dat?’
‘Perfect, de 26e staat genoteerd. Ik zal ook mijn nieuwste cd voor haar meebrengen.’
‘Doe wat je niet laten kan, Louis. We zien je de 26e. Daag!’

5
Een rood autootje stond de 26e voor hem klaar. Wensauto stond erop. De camera- en geluidsman namen achterin plaats en Chantal van de Ven, de presentatrice van het programma, zat voorin naast Louis. Het paste allemaal maar net. ‘Maar,’ zo zei Chantal, ‘dat is ook de charme van het programma. We zetten op zo’n dag allemaal een stapje terug op, wij hebben het al zo goed, en zo’n kind, zo’n arme stakker waar we nu naartoe gaan, laten we daar maar eens aan denken.’ Tijdens de rit naar Abcoude stond de camera geen moment stil. Telkens wanneer Louis in de spiegel keek zag hij de camera op zich gericht. Hij besloot zijn laatste single te zingen, dat zou leuk materiaal zijn voor de kijkers; een zingende Louis Bouvier in de auto, op weg naar zijn grootste fan.

Het kind was er inderdaad slecht aan toe. Praten kon ze nauwelijks en Louis had grote moeite haar gebrabbel in woorden om te zetten. Soms keek hij wat wanhopig naar de moeder. Zij fluisterde dan in zijn oor wat haar dochter zojuist zei en Louis knikte. ‘Dit is Margje,’ zei de presentatrice, ‘en we zijn hier op haar kamertje. Margje heeft een verstandelijke handicap.’ Het kind knikt, ze wist het. ‘En Margje, vertel eens, van wie ben jij een fan?’ ‘M’n moeder.’ De presentatrice lacht. Louis lacht ook. ‘Maar van wie nog meer?’ ‘Van Lou-lou-lou-louis.’ Gelukkig dacht Louis, het is eruit.

In het kleine woonkamertje, vol met beeldjes van de Heilige Maagd en een bruine schemerlamp met kwastjes, waar de vader van Margje, sinds hij in de ziektewet belandde na een ongeval op de meelfabriek, de gehele dag kranten las, moest het vergassingsconcert gaan plaatsvinden. Louis stond al achter de microfoon en wachtte op het moment dat de deur open zou gaan en Margje, blij verrast, de kamer zou worden binnengereden. Opkijken zou ze,die Margje, dat hij hier voor haar, speciaal voor haar, dit prachtige lied zou zingen. In haar eigen huiskamer! Op de gang hoorde hij Chantal zeggen: ‘Doe je ogen maar dicht. En goed dichthouden hè!’ Nog even ging Louis met een hand door zijn haar, keek naar de geluidsman, die bemoedigend naar hem knipoogde, en klaar stond de geluidsband met een druk op de knop te laten starten. De muziek startte; trompetten klonken, drums, een synthesizertje, een koortje, gitaren. Even keek de vader op van zijn krant om vervolgens, hoofdschuddend, zo snel mogelijk weer naar zijn dagelijkse bezigheid terug te keren. Vier, drie, twee, één, en… Daar kwam ze!

Louis begon te zingen. Het lied ging over bloemen. Over geuren en kleuren; geniet er toch van was zijn boodschap. Maar wat was dat nou? Louis kneep zijn ogen wat samen. Zag hij het nou goed? Hij merkte dat hij wat in de war raakte, probeerde in zijn lied te blijven. Hij zag wat er aan de hand was. Wanhopig probeerde hij contact met de moeder te krijgen. Die stond alleen maar te springen op het ritme van de muziek en probeerde vader zo gek te krijgen uit zijn stoel te komen. Vergeet je tekst niet Louis! Niet nu… Harder, misschien als ik wat harder zing, misschien helpt dat. Stamp wat met de voet. Breek een kopje, spuug desnoods in haar gezicht, pak haar beet. O, daar komt het refrein en…

Louis liep naar zijn televisietoestel. Klik. Uit. Weg ermee. Wat een afgang, hij hoefde het niet te zien. Van de kapstok pakte hij zijn jas, opende de deur en liep de nacht in. De wereld was voor hem één grote zaal, een donkere ruimte waarin hij zijn stem zo vaak had laten verdwijnen. Die zaal liep hij nu in. ‘Grootste fan,’ zei hij tegen zichzelf. ‘Wat nou grootste fan. Een slaapkop, een marmot bedoel je. Dat is het. Een marmot in een rolstoel.’