Fleur Jongepier

Stilstaand water

‘Laat dat nou, Remco.’
Een wenkbrauw omhoog, schouders naar achter. Nee, Remco wenst niet zo te worden aangesproken door zijn moeder. Er zit rode lippenstift op haar voortanden en een ladder in haar panty. Ze heeft het niet door. Hij ergert zich, kijkt naar buiten, ziet niets – en gaat verder met nagelbijten.
Een jonge vrouw, verscholen achter de Margiet, werpt een blik op Moeder-zoon. Met rouge probeert ze haar bleekheid, de lusteloosheid, te verhullen. Ze zou Lia kunnen heten, of Marjan. Nee, te chique voor Marjan. Te bewust.
Blikken en schuldgevoelens worden uitgewisseld. Het is een spel geworden. Remco houdt op met nagelbijten, waarop Moeder zelfvoldaan de armen kruist en demonstratief wat naar achter leunt. Vanuit haar ooghoeken kijkt ze naar Remco. Hij wendt zijn blik af.
Lia pakt beheerst haar Margriet weer op. Daar is de wereld, in de horoscopen, in de nieuwe make-up merken en smerige avocadomaskers waar je gezicht als opgedroogd cement van uit elkaar zal barsten. Meer afstand, meer maskers, meer valse gezichten.
‘Klein, veelal stilstaand water,’ zegt een oudere, grijze man aan de andere kant van de kamer.
Een frons, getuite lippen. Onbegrip van zijn grijzende linkerkant.
‘Nou?’ vraagt hij, en wacht ongeduldig op een antwoord, ‘Plas kan niet, het moeten vijf letters zijn.’
‘Vliet?’ Vraagt Links.
‘Een vliet stroomt,’ zegt hij nors terug.
‘Kreek?’
‘Kreek.’ Met het puntje van zijn tong uit de mond vult hij in blokletters kreek in.
‘Spreek je het niet uit als creek?’ Remco besluit zich te mengen in het puzzelen. Moeder maakt aanstalten voor een shhht, maar houdt zich in. Ontspant zich weer.
‘Nee, jongen,’ zegt de grijze man, en kijkt vanonder zijn potglazen op van zijn kruiswoordpuzzel, ‘kreek is echt een woord. Het is een Nederlands spel, hè. Goed. Turkse hoofddeksel, drie letters.’
‘Pet,’ zegt Remco.
‘Fez,’ zegt Links.
‘Ja, fez, dat klopt dan mooi met ‘kunstzinnig’ eronder.’
Terug naar het nagelbijten, het fronzen en de loze blikken naar voetgangers die voorbijlopen. Remco wordt ongeduldig en de achtergrondmuziek stoort hem. Die nerveuze, opgejaagde piano-riedeltjes doen hem denken aan zijn vader, die op vakantie altijd per se klassieke muziek moest horen in de auto. Soms wel vijf uur achter elkaar. Vaak ook nog een opera of twee, waarvan vooral het hoge gekrijs Remco misselijk maakte. Mahler! riep zijn vader weleens vanachter het stuur, waarop iedereen zich een ongeluk schrok. Dan zou hij Der Titan opzetten, om niet veel later uit volle borst met Vader Jacob mee te gaan brullen.
‘Mevrouw Rademaker? U mag naar binnen,’ zegt een blondine in een wit pakje, die uit het niets in de deuropening is verschenen.
‘Ga je mee?’ vraagt zijn moeder, ‘jij mag ook eerst, als je wilt, met je verstandskiezen.’
‘Nee, ik wacht hier wel.’
‘Weet je het zeker? Ik vind het niet erg om te wachten, hoor.’ Moeder staat te dralen voor de deur. Assistent Liselotte – zo beweert haar naamkaartje –laat met een geveinsde maar goed beoefende glimlach zien dat er nu gekozen moet worden: hij of zij.
‘Nee, ik ga wel na jou.’ Vervelend mens, loop toch door.
‘Met blote voeten in het water lopen. Elf letters.’

In de hoek speelt Lia het spel verder en zucht uitdrukkelijk en slaat vervolgens zonder duidelijke reden willekeurig drie bladzijden om. De Margriet wil niet zo vlotten met al dat gepuzzel. Kunnen ze thuis niet praten over in het water lopen met blote voeten en Turkse hoofddeksels? Moet dat nu weer hier? Wie plant er dan ook een kanaalbehandeling vlak voor een vergadering? Dat wordt goed kwijlen met een half verdoofd gezicht, denkt ze. Misschien moet ik Arno bellen dat ik later kom. Die met die kapotte panty was nu pas aan de beurt, en zat hier vóór mij. En die nagelbijter moet ook nog, met zijn verstandskiezen. Ja, beter even voor de zekerheid bellen.
‘Ja, hallo Arno, met mij. Hee, ja, nou het zit zo. Hè? ... Ja, daar zit ik nu.’
Blikken, een droog kuchje. Voetengeschuifel. De Grijzen maken hun zet en kijken haar aan. Lippen op elkaar geperst. Met hun ernstige, indringende ogen die door hun brillen bijna twee keer zo groot lijken. De gezichten, gebarsten en verkreukeld. Handen trillend, en hun voeten niet meer dan mallen gevuld met verhard cement. Lia staat schaakmat, wordt rood en begint te sputteren.
‘Half drie? Ja, lukt dat? Nou, geweldig. Bedankt hoor. Ja, ja, komt wel goed. Ja. Tot zo.’ Ze grinnikt verontschuldigend, lafjes. Een lachje dat in het hoofd van Remco als een echo langzaam wegebt. Dat doen vrouwen als ze nerveus zijn, denkt hij. Maar waarom lachen? Voor wie?
‘Iemand die zich beroept op grote kennis. Zeven letters,’ gaat de grijze man verder.
‘Narcist.’
‘Een narcist is niet iemand die zich beroept op grote kennis. Hij houdt zich alleen bezig met zichzelf,’ zegt de grijze man en houdt zijn ogen strak op de puzzel gericht.
‘Alweter,’ zegt Links.

Remco pakt zijn mp3-speler en vlucht weg in de muziek, uit de wachtkamer. Als een kalkoen beweegt zijn hoofd op het ritme heen en weer. Zijn blik naar buiten, op niets gericht, maar hij staart niet. Hij kijkt rond om niet te puzzelen, om niet te nagelbijten. Om niet te wachten.
Waarom kijkt die vrouw hem aan? Met grote ogen kijkt ze van haar tijdschrift omhoog naar Remco en hun blikken kruisen, snijden (maar hij wendt af). En nu is er geen buiten meer, nu is er alleen maar vluchten. Muziek harder.
Niet aan injecties denken. Toch schiet het beeld door zijn hoofd: het smalle stukje metaal dat het tandvlees doorboort en gif verspreidt, alleen zodat zijn kiezen zo mooi in een tupperware doosje mee naar huis kunnen. Gelijk van haar naar-drop-stinkende handtas naar de vitrinekast.
‘Ons Remco heeft gister zijn laatste verstandskiezen laten trekken, hè?’ Zo stelt hij zijn moeders gesar bij het avondeten voor, ‘alle twee tegelijk. Nou ja, na elkaar dan natuurlijk. (Gelach met hoge uithalen). Nu is er geen verstand meer over,’ giert ze. En de bulderende lach van pa dondert na in zijn hoofd, door de muziek heen. Bulderen en schokken met die schouders, zoals alleen animatiefiguren dat kunnen. Altijd weer een reden om te lachen. Er is altijd wel iets mis.
‘Remco Rademaker?’
Metaal, spiezend door het zachte, roze tandvlees. De slissende bloed- en kwijlzuiger. En altijd die krankzinnig felle lamp. Ogen open! Niet toegeven. Niet toegeven aan de pijn, de witte jas. Openhouden. De vijand met gesperde ogen aankijken.
‘Ja, dat ben ik,’ zegt Remco.
‘Kom dan maar mee,’ zegt Liselotte, zegt het naamkaartje.
Remco stapt de klinisch witte kamer binnen. Het ruikt er naar ziekenhuizen en verpieterde hyacinten. Moeder zit met een brede lach (of is het een grijns?) op hem te wachten, wenkend naar de tandartsstoel. Haar kraaienpootjes scheuren bijna door. De lippenstift zit niet meer op de tanden, maar is nu om haar lippen uitgesmeerd. Remco houdt zijn blik van haar af en gaat direct op de stoel liggen. Zijn hart bonkt diep, dof, maar snel.
‘De laatste twee kiezen dus?’ vraagt de tandarts, terwijl ze de lamp in zijn ogen schijnt en kwijlzuigers aan zijn wangen hangt. Remco wauwelt binnensmonds iets terug. Wat heeft hij te kiezen?
De spuiten gaan erin, drie in totaal. Hij zet zijn nagels diep in zijn handpalmen. Natuurlijk stelt het niets voor, dat weet hij ook wel. De pijn is het probleem niet, maar het idee van een spies door je vlees, dat jaagt hem op de kast. En dan nog zijn moeder. Ja, zijn moeder – die op het bankje zit te lachen – die stoort hem, haalt hem het bloed van onder de nagels. Ondertussen gaat de onzinnige praat van de tandarts en de assistente gewoon verder. Ze stellen hem vragen als ‘en, hoe gaat het op school?’ of ‘wat wil je gaan studeren?’. Als de patiënten konden antwoorden zouden de vragen nooit gesteld worden.
Altijd lente in de ogen van de tandartsassistente? Wat een onzin, denkt Remco. Allesbehalve lente bij Liselotte. Ze heeft eerder een donkere, bittere herfst in haar ogen, die Remco ook nog eens door het felle witte licht heen aanstaren. Vlak, doods en ingedroogd, als de ogen van een koud konijntje. Ze werpt wanhopige blikken naar de tandarts die haar alleen kan dirigeren met deze tang of de andere. Dus stelt ze hem onzinnige vragen die hij niet kan beantwoorden.
En Remco ligt daar, nagels in de palmen, zich voor te stellen wat voor woorden in de wachtkamer worden bedacht, welke vragen worden gesteld. En zou zijn moeder hem nog steeds aankijken? Zou de Margriet-vrouw nog ongeduldig zitten zuchten en schuifelen? Ze had mooie benen, en donkere, bijgewerkte wenkbrauwen die een eigen leven leidden zonder dat ze er erg in had. Ze kronkelden als anderen praatten, en sprongen op bij verbazing toen ze iemand aan de telefoon had. Zij zelf bleef neutraal en onbewogen. Maar Remco wist dat wanneer een vrouw één wenkbrauw ophaalt en de ander onbewust laat rusten, er meer gebeurt dan men kan zien. Er beweegt meer achter de blauwe glazen spiegels.
De vrouw maakte hem nerveus. Waren het haar handen? Haar houding? Haar benen? Hij weet het niet. Hij stelt zich voor hoe zich een gesprek tussen hen zou voordoen. Ze zou met haar lichaam afstand houden en haar wenkbrauwen het werk laten doen. Steek die slang niet zo kokhalzend ver in mijn keel. Hij zou haar vragen waarvoor ze hier was, en onafhankelijk van haar antwoord zou hij naar haar lachen. En zij zou naar hem glimlachen. Nonchalant zou hij dan haar arm aanraken. Spontaan, onbedwongen. Haar bovenbeen misschien. Is dat wrikken echt nodig? Dan zou ze lachen. Eindelijk zou ze lachen en smelten. Haar lichaam zou nog bevroren zijn, maar haar wenkbrauwen zouden dansen, de puntjes in haar wangen zouden spreken, haar ogen zouden eindelijk zwijgen. Bloed. Ik proef bloed.
‘Dit kan even vervelend zijn,’ zegt de tandarts, en begint op zijn ondertanden te boren. Zenuwen worden op de proef gesteld.
Misschien zou ik haar echt durven aankijken, denkt Remco, en stelt zich voor hoe hun blikken elkaar betrappen, vangen en vasthouden. Hij stelt zich voor hoe hij zijn duim en wijsvinger over haar pols zou laten glijden, terwijl hij haar nog altijd indringend zou blijven aankijken, en met de andere hand haar donkere, zachte haar achter haar linkeroor zou schuiven. Niet dat dat nodig is. Maar dat zou hij graag willen doen, zoals ze dat in de film doen. Waarop zij dan weeïg glimlacht, gesmolten en gevangen in zijn handen en zijn blik. Houd je ogen open. Niet toegeven. Ogen openhouden.
Ze komt dichterbij, haar lippen komen langzaam en voorzichtig van elkaar. Haar vingers krullen in zijn nek, haar nagels drukken zachtjes in zijn vel. Ze zijn naakt, alleen, verlaten. Laat je ogen niet tranen. Hun lippen zouden als een magnetisch veld op elkaar inwerken, de plus en de min, ten diepste tegengesteld om uiteindelijk ten volle in elkaar op te kunnen gaan. Zoet en licht zoutig smaakt ze. Huil, maar breek niet. Ze zou haar sokken aanhouden, hij zou haar zachtjes bijten. Zou ze tegenstribbelen? Hij houdt haar vast en rolt haar met zijn blik alsmaar strakker op in zijn spinnenweb. Haar benen schokken en haar nagels zoeken zijn vlees. Remco lacht. Hij stelt zich het naaktslakkenspoor in haar slipje voor. Voor in de vitrinekast.
‘In ieder geval geen gaatjes hè? Dat scheelt papa weer knaken,’ lacht Moeder, maar wanneer haar blik van zijn ogen afdaalt, wordt ze rood. Remco zegt niets, en staat wat ongemakkelijk en gebogen bij de deur te wachten. Ze schudt snel de hand van de tandarts, noemt iets over verzekeringen en duwt Remco de glazen deur uit, terug de wachtkamer in.
‘Klein, veelal stilstaand water,’ zegt de grijze man.
‘Die heb je al gehad,’ zegt Links, en ademt hard uit door beide neusgaten, als een bejaarde stier zonder horens die zich alleen nog kan opwinden over rode, fladderende vlaggen, maar weet dat de temmer niet meer te spiesen valt.
‘Kreek,’ zegt Lia, en glimlacht naar Remco, die onbeholpen zijn jas aan staat te trekken. Hij wendt zijn blik af.