Floor Haalboom
De angst op hakken
Angst dat wat mij vreemd is, dacht zij
starend in haar glas en met haar
hakken stevig, wit in tegels waar
ooit zand lag. Lang voorbij
is dit nog niet nee, dacht zij
langzaam starend in haar hoofd
waar de liefde haar beloofd
haar grijnzend aankeek van opzij.
Nu toch stralend in het niets
waarin geen trouw viel te verdelen,
stond zij al op hakken naast haar fiets.
Maar leven is dit, dacht zij op haar vlucht
langs straten en kastelen.
Haar hakken dansten door donker, lucht.
Het wonder
Wonder wervelt de wereld
rond bolt benen om
bonkt bang de
kamer in waar
werkelijk echt!
Wonder kronkelt wortels
diep door gangen
dwars en kolkt
rommel razend
snel ondergronds.
Wonder tolt van torens
dol door donder
breekt het handen
zonder tover
blakerend los.
Wonder ronkt al flarden
rode rook door
dromt dan dartel
om de morgen weg
te walsen.
Wonder wast al dromend
lachend schoon de wonden
stroomt van water
roert zich draaiend
en roept op.
Wonder klatert klinkend
in de bomen
klankt steeds breder
banden droog door wolken
takken blad.
Wonder kakelt langzaam
vol van woorden
zingt het zachtjes
langs de kalk
eert het behang.
Wonder wringt slechts kort
waggelt zoals honden
op kantelen
in de nacht en spreekt
tegen gevaar.
Wonder wiegt op golven
kussen kleurend
dreunt het verder
ziet het einde sleurt
de verte naar.
Wonderen wonen donker
blauw en landen
delven onder
hoop en houden
wachtend stand.
Een prachtige herfst
Weinig is mooier dan zo’n beetje lijden,
donker storten, verliezen mijn part
in grootse passie en pracht paraderen
en hoe, doem op grijs, je dan ver
kleurt tot warm - altijd dat groen en die ijsjes!
Brandstofmakers - van licht! - je lijf in
lijsten jagen en de overvloed op kurk
dreunend schenken aan het zware buiten, zo
dat men blad en vrucht vluchtig verguld
aan flarden kan dartelen. Mogen
heb en zucht bedelven zelve. De jengelende
groene monsters je keel en koten af stoten.
Na wapperende waaiers van goudbordeaux gloren
- met kracht in je midden en storm om je stam -
wasem je geworteld ontbladerd tot wolken.
Zeg, nu zelf, welk kwaad scheelt eigenlijk
schuilt in zo lijden onder grijze heiïge lucht?
Dat, dan
en dat ik dan
genoeg neem
met, genoeg doen
geef en heb
aan al, dat
niet meer zoekt
en dat ik dan
niets meer verlang
en dat ik je
kan danken
voor je toen en
nu en dan
en dat je dan
me wankel houdt
en dat je mij
dan kijken kan
en klanken dat
je dat graag deed
en dat je dan
geen zwakte bleek,
maar blozend zwak
genoeg zijn kan
dat dan dat kan
en dat ik dan
nog even leef
Huwelijk te Utrecht
Zij grijpt mij grommend vast
vaster bij mijn kladden met haar
bochtige gevels, wankele droom
bomen en wazige grijzen.
Gewrochte gedrochten –
één zijn zij niet zonder meer.
Zij trekt me ver, de sterke fiets,
aan alle kanten kom ik, eindeloos
klaar, aan. Mijn blikken kelderen
hoger, spichtige muren langs,
jichtige straten knopen mij los
en over donkere waters door krochten,
op jachtig pratende terrassen
kracht zij mij moed toe. Ik, trouw
houdt mijn lief, tast naar haar mossen
stenen en vrij – als bezitter van jaren –
met koele lucht in haar heilige hoven.
Zij, wijs als de ouden van steeds
maar dat afscheid en tijd
tellen, heden vol verschijnen
verdwijnen van men in mijn klater
gouden verbonden. Zij hult
mij in gewijde verborgen geheimen, huilt
en kent mij haar beeld niet. De enige
stenige mens.
Zo
‘Zo. Ik heb nog wat.
Extra zeep gekocht,
ook voor oksels,
om hier te laten,
vind je dat goed?’
Ik snik en knik,
kijk naar zijn geur
flets groenwit in flessen,
daar gelaten wachtend.
Meer komt!
staat vast vanaf nu
op de badkamertegels.
Vriendelijk vrolijk
veroverde hij de ik,
zelf nog begin,
werd daarin thuis. Waarna
hij dit huis is gaan merken.
Hierachter heerst, klein en onmerkbaar,
afwachtend geluk.
Wensen
Beste mensen, enkele momenten.
Uw vrees erkent slechts het enge onbekende.
Wij stemden overeen dat wij met de werkelijkheid
en onszelf het beste voor hebben. Wij bedoelen het niet slecht.
Ook u schenken wij onze felle zelven: wij hebben er genoeg van.
Dat dit enkelen verdriet, leggen wij nadenkend naast stenen en kerkers neer.
Wij zetten nergens engelen voor gek
en ergens rondom onze enkels rennen elfen.
Aan kletteren en meppen werken wij niet mee.
Vergunt u ons vrij en ver weg te zijn, uzelf ons te verliezen,
wij keren weldra bij u terug. Men moet nog wennen. Wel, elkaar
laten is al aards lastig. Wij bedenken er iets op, wij gelden als kenners.
Wentelend – onze elfen wensen tot de verte te trompetteren –
betrekken wij onze gewelven. Bedekt verkennen wij verder,
leren lessen en elkaar, kennen verzen onder dekbedden.
Toch willen wij u wenken: droomt niet ver.
Wij knechten ons niet in gesprekken,
telkens tellen wij de dagen weg,
wij leven, houden erg.
Natuur
Kind ik bedacht haar zo prachtig,
stralend lag zij in mij klaar.
Haar ontelbaar knoestige takken
als stille decoren, daartussen
doorwoelden warm roze tongen
beschaafde bonte lijven én
het dagelijks leven spon,
baande zich van daar naar hier
een web onder de zon.
In wollig en donzen geluk
verzonken klanken overal.
Volgens haar programma werd ik groot,
een geslacht, een deel waarvan.
Daarna bleken ook háár vachten bloedend
slijm te verbergen, zaad spoot
weldra in haar schoot, driftig zwanger
ontsponnen luchten, in de plaats
van slapende verhalen, geen plek
bleef oneindig open, krachten trokken
verwoed ten strijde, handelden
over leven, over lijken, woekerden
werelden tevoorschijn en omver, zelfs
de maan bleek, ook al dood, enorm
medeplichtig. Spelers. Niets ontziend decor.
Het kind in mij, ontzet, zoekt zich rot,
zet mij nu tot sproken aan.