Frank Heinen
Boekenbal
Het was leeg en koud in de danszaal.
Op het podium werd een drumstel opgesteld. Jongens met zwarte ‘Crew’-t-shirts liepen af en aan met stoelen en fauteuils. Achter de bar werd een bierfust aangesloten op de tap.
Diana kwam de trap af. Ze hield een draaiboek in de hand.
‘Wat vind je ervan?’ vroeg ze.
‘Interessant’, zei ik.
‘We lopen achter op schema. Om half acht komen de eerste gasten.’
Uit haar broekzak klonken de tonen van de Vijfde van Beethoven. Diana nam op. ‘Ja? Ja. Ja. Nee. Okee.’
En tegen mij: ‘Het vliegtuig van Heleen van Royen heeft anderhalf uur vertraging.’
Achterin de zaal stond een hoogwerker.
‘Kan iemand dat apparaat daar weghalen?’ riep Diana tegen de jongens in de zwarte t-shirts. Ze zuchtte.
‘Ik ben nu zes jaar eventmanager, maar op het Boekenbal voel ik me iedere keer weer een debutantje.’
Twee dagen eerder was ik gebeld door een bevriende redacteur van een glossy tijdschrift. Of ik een reportage wilde schrijven over het Boekenbal.
Ik hou niet van lezen, zei ik.
Dat wist die bevriende redacteur en juist daarom had het hem zo’n geinig idee geleken als ik een stuk over het Boekenbal zou schrijven. Een vreemde eend in de bijt heeft soms een heel frisse kijk op dingen, zei hij ook nog.
Ik ken geen schrijvers, zei ik.
Maar ook daar zat mijn opdrachtgever niet mee.
‘Onze lezers ook niet, joh. Schrijf maar gewoon op wat er gebeurt. Wie er dronken is, wie met wie danst, wier jurk er raar uitziet. Dat soort dingen.’
Ik kreeg er vijfhonderd euro voor en het telefoonnummer van Diana. ‘Zij is de baas.’
Ik belde Diana. Ze had het heel druk. Kon ik het kort houden?
‘Ik heb je nummer gekregen van…’
‘Ben jij die journalist die niets van literatuur weet?’
‘Ja.’
‘Je gaat toch geen grappig bedoeld stukje schrijven, over dronken schrijvers en wie met wie in de bezemkast verdwijnt?’
‘Gebeurt dat dan, op het Boekenbal?’
‘Dat was bij wijze ván. Nou, ben je van plan om zo’n soort stukje te schrijven?’
Ik zei dat ik nog helemaal niet wist wat voor soort stukje ik zou gaan schrijven.
‘Als je een leuk, positief stukje schrijft, ben je natuurlijk van harte welkom. Maar als je rare dingen schrijft, of onwaarheden, dan kom je er nooit meer in. Kom maar vroeg, dan loop je ook niet in de weg op de rode loper en zo.’
‘Okee.’
‘En kleed je alsjeblieft een beetje netjes aan. Je wil niet weten hoe journalisten er hier soms bijlopen. Zielig gewoon. Harry Mulisch zegt altijd dat hij de journalisten er zo uit kan pikken.’
Dat was dus twee dagen geleden.
Het was inmiddels half acht en de jongens met de t-shirts waren naar huis. Ik mocht het eerste biertje van het nieuwe fust proberen.
‘Lekker?’ vroeg het meisje achter de bar.
‘Mwaoh’, zei ik.
‘De eerste van het fust is altijd mwaoh. Normaal spoelen we die gewoon weg.’
In de garderobe begon het inmiddels te roezemoezen. Diana had me uitgelegd dat de onbelangrijke schrijvers gevraagd was om wat vroeger te komen. ‘Zo voorkomen we chaos op de rode loper. Iedereen wil natuurlijk tegelijk met Jan Siebelink aankomen, maar zo werkt dat niet. Iedereen moet er zijn op de tijd die op z’n uitnodiging staat. Anders komen ze er niet meer in.’
‘En als Jan Siebelink nou te laat komt?’
‘Jan Siebelink mag zo laat komen als-ie zelf wil.’
Langzaam druppelde de zaal vol met onbelangrijke schrijvers en schrijfsters. Ze waren duidelijk onder de indruk. Ze stootten elkaar aan en wezen naar de stroboscoop, die werkloos aan een draad boven de dansvloer bungelde.
Diana liep voorbij. Ze droeg nu een feestelijk broekpak. Aan haar colbert was een geplastificeerd naamkaartje bevestigd. Diana. Location Manager stond erop.
Ik vroeg of het allemaal naar wens verliep.
‘Nee. Het gaat kut. Deze mensen hadden nog niet naar binnen gemogen. Maar je kunt ze toch moeilijk weer wegsturen. En Kluun heeft afgebeld. Zijn dochtertje is ziek. Nee, het gaat kut.’
Even aarzelde ze en vroeg: ‘Zou jij die mensen hier even willen rondleiden door het gebouw? Kwartiertje of zo, zodat ik hier nog wat puntjes op de i kan zetten.’
‘Liever niet.’
‘Je zou me er enorm mee helpen.’
‘Toch maar liever niet.’
‘Dan stel ik je straks aan Bernlef voor.’
Voordat ik iets terug kon zeggen, richtte Diana zich tot het clubje onbelangrijke auteurs: ‘Deze meneer leidt jullie nu even rond in het gebouw.’
Zes man maakten zich onmiddellijk uit de voeten. De overgebleven drie bleven geschrokken staan. Diana knikte me toe en vertrok.
Ik dacht even na en liep toen weg alsof de hele zaak mij niet aanging. De drie overgebleven onbelangrijke schrijvers volgden me op de voet.
‘Ik ga naar de wc’, zei ik.
‘Wat is daar dan te zien?’ vroeg één van de onbelangrijke schrijvers. Hij droeg een oranje vlinderdas.
‘Niets.’
‘Wat gaan we daar dan doen?’
‘Plassen.’
‘Ik hoef niet te plassen.’
De andere twee onbelangrijke schrijvers hoefden ook niet te plassen.
‘De rondleiding begint zodra de gids heeft geplast’, besloot ik. ‘Keer terug naar de zaal, dan haal ik jullie daar straks op. En niet in de weg lopen, hoor!’
Op de wc stond ik naast Bob. Bob schreef ook een reportage over het Boekenbal. Hij wist alles van literatuur: dat Arthur Japin met twee mannen samenwoonde en dat Geert Mak een blonde vriendin had en dat de schedel van Tommy Wieringa begon te glimmen als hij dronken werd.
Bob ritste zijn broek dicht en liep naar de wasbakken.
‘En dan heb ik het nog niet eens over de dirty details.’ Bob keek me veelbetekenend aan.
‘Wat dan?’
‘Jaaaaaa…. Seks, drugs en rock’n roll.’
‘Echt waar, joh?’
‘Jaaaaaa….. Al is het de laatste jaren allemaal wat minder geworden. Vroeger was het wilder. 1991…. Man, dat was andere koek. Nu heb je eigenlijk alleen nog Jan Mulder.’
‘Wat is er dan met Jan Mulder?’
‘Tjaaaaaaa… Laten we zeggen dat hij het gewoon graag gezellig maakt.’
Ik had Jan Mulder weleens op televisie gezien. Het leek me helemaal geen gezellige man.
Bob droogde zijn handen onder de droger. Hij keek me aan via de spiegel. De blik van de Boekenbalveteraan.
‘Laat ik het zo zeggen: de schrijfsters die hij niet te grazen heeft genomen, zijn óf lesbisch óf overleden. Of allebei.’
Bob verliet de wc en liet mij alleen met de gedachte aan Jan Mulder die schrijfsters te grazen neemt.
Op de gang werd het steeds drukker. Een stroom van almaar belangrijkere en bekendere schrijvers en schrijfsters schuifelde het gebouw binnen.
Er werd flink voorgedrongen bij de garderobe.
Zo op het eerste gezicht zag ik drie cameraploegen. De geluidsman van één van die ploegen zwiepte zijn microfoonhengel tegen het hoofd van een hoogbejaarde dame in een blauwe jurk. Ze mepte met haar paraplu, maar raakte niets. Iemand riep geschrokken: ‘Hella, beheers je!’
Op teken van Diana was er een peloton oogverblindend mooie meisjes over het gebouw uitgezwermd. Ze droegen dienbladen vol glazen champagne en jus d’orange. Hun rokjes reikten tot ruim boven de knie. Even moest ik aan Jan Mulder denken.
De onbelangrijke schrijver met het oranje strikje liep intussen zoekend door de zaal, met in zijn kielzog de andere twee aan mijn goede zorgen toevertrouwde auteurs. Ik wrong mij snel in een kring pratende mensen. Het middelpunt werd gevormd door een ontstellend dikke schrijver, die Adri werd genoemd.
‘Hallo’, zei Adri. ‘Hoe heet u en wat doet u hier?’
‘Hallo’, zei ik. ‘Ik ben de nieuwe vriend van Connie Palmen.’
‘Ach’, zei Adri. ‘Ik wist helemaal niet dat het uit was met Hans. Jullie?’
Om ons heen werd druk van nee geschud. Nee, dat wisten ze nog niet, van Connie en Hans.
‘Hans ging vreemd’, voegde ik er voor de zekerheid aan toe. ‘Met een jonge schrijfster.’
‘Wat naar voor Connie’, zei Adri weer. ‘Gelukkig dat ze u nu heeft. Hoe was uw naam ook alweer?’
‘Ron. Connie zegt Ronnie.’
‘Dat klinkt in elk geval erg gezellig. Waar is Connie eigenlijk?’
‘Ze wordt geïnterviewd door RTL Boulevard.’
‘Ik dacht al zoiets. Nergens te beroerd voor, onze Con.’ Adri lachte. De anderen lachten. Ik lachte ook. Waarom wist ik niet.
‘Nou Ron, we zien elkaar vanavond nog wel’, zei Adri. Hij vertrok richting de bar.
Ik vroeg me af waarom ik niet gewoon gezegd had dat ik een journalist was die op de vlucht was voor een onbelangrijke schrijver met een oranje strik. Dat had Adri vast wel begrepen.
In de verte zag ik Bob naderen. Hij had twee lege glazen in zijn hand.
‘Wat vind je ervan?’ riep hij.
‘Leuk!’ riep ik terug.
‘Ik heb net bijna met Renske de Greef gezoend’, zei hij.
‘Wie is dat?’
‘Een jonge schrijfster. Schrijft veel over seks en zo. Dan weet je het wel.’
‘Maar niet gezoend dus?’
‘Het scheelde niks.’
‘Jammer.’
Bob zag iemand achter mijn rug. Hij wenkte. ‘Hé Youp!’
Youp was erg klein en had veel grijs borsthaar.
‘Ha die Youp’, zei Bob.
‘Ha die Bob’, zei Youp.
Bob: ‘Dit is Frank. Hij weet niets van literatuur.’
Youp: ‘Dag Frank.’
Ik: ‘Dag, Youp.’
Bob: ‘Hoe gaat het, Youp?’
Youp: ‘Z’n gangetje.’
Bob: ‘Mooi. Mooi. Is Harry er al?’
Youp: ‘Weet ik niet. Ik ga straks dansen met Connie Palmen. Die schijnt weer vrijgezel te zijn.’
We keken hoe Youp zich een weg baande door de groepjes pratende mensen.
‘Wat vond je van Youp?’ vroeg Bob.
‘Klein.’
‘Leuke man toch?’
‘Ja. En klein.’
‘Hij heeft altijd prachtige verhalen, Youp.’
‘Ik had me hem groter voorgesteld.’
‘Je had hem wat moeten vragen. Je bent toch journalist?’
‘Ik wilde niks weten.’
‘Nou, dan moet je het zelf weten. Ik ga op zoek naar Renske de Greef. Succes.’
In de grote zaal stond het programma op het punt van beginnen. Ik hoorde Diana’s stem blikkerig door een microfoon: ‘Test. Test. Test.’
Ik bestudeerde het programmaboekje. Monoloog door Pierre Bokma. Conference door Freek de Jonge. Speech van de minister van Cultuur. Officiële opening door directeur CPNB.
‘Test. Test. Ja, hij doet het.’ Diana weer. Ik verplaatste me naar de grote zaal. Een man met enorme wenkbrauwen knikte me vriendelijk toe. We stonden helemaal achteraan. De man met de wenkbrauwen rook een beetje naar massageolie.
‘Kunt u het goed zien?’
‘Nee. U?’
‘Nee.’
‘Bent u ook schrijver?’
‘Nee, journalist.’
‘Dagblad?’
‘Nee, glossy.’
‘O.’
We zwegen. Op het podium deed Pierre Bokma erg zijn best.
‘Is Harry er al?’ vroeg ik maar.
‘Voor zover ik weet niet. Houdt u van schaakproblemen?’
‘Wat zijn dat?’
‘Problemen die ontdekt zijn tijdens het schaken. Zoals dat van Nadezhda Leontyeva bijvoorbeeld.’
‘Zegt me niets.’
‘Het oplossen van schaakproblemen lijkt op schrijven. Zoektochten, ontdekkingsreizen. Wist u dat?’
‘Nee. Interessant.’
Ons gesprek werd onderbroken door applaus. Pierre Bokma was klaar.
Diana wurmde zich een doorgang door het publiek. Ze zag er verhit uit. Haar colbert was een beetje gekreukt.
‘Is Harry er al?’ vroeg ik.
‘Nee, dat is het juist. Waar is Harry?! Wat is een Boekenbal zonder Mulisch? Dat kan ik toch niet verkopen? En Connie Palmen is alweer weg. Huilend naar huis. Geen idee waarom. Wat een kutavond. Hopelijk kan Freek de Jonge de sfeer er een beetje in brengen.’
Ze greep de cocktail die ik in mijn handen had en sloeg hem in één teug achterover.
‘Als je Jan Mulder tegenkomt, zeg dan dat hij mijn beha teruggeeft.’
Het optreden van Freek de Jonge liet ik schieten. Ik kreeg het benauwd en ging op zoek naar een beetje frisse lucht.
De bordjes ‘Nooduitgang’ leidden me naar een nooduitgang. Juist toen ik hem open wilde trekken, ging de deur open. Een oude man kwam binnen. De gang vulde zich met een duur parfum. Ik wilde voor de zekerheid ook aan deze man vragen of Harry er al was. Toen zag ik zijn neus. Daar had ik over gelezen. De man was me voor en zei: ‘U bent zeker journalist. Heb ik gelijk? Ja? Ik pik ze er toch iedere keer weer uit.’