Marijn Sikken
372 diensten
Aas•gier: de; -en 1 m kleine gier die zich voedt met dode dieren 2 m,v iem die voordeel probeert te halen uit het ongeluk ve ander
Oud Duits gezegde: ‘Schadenfreude ist die schönste Freude.’
*
Tante Luus was het tegenovergestelde van een partycrasher. Ze crashte alleen begrafenissen. Zoals sommige dames van haar leeftijd elke donderdag klaverjassen of bloemlezingen van zwaarmoedige Oostblokdichters bezoeken, zo woonde tante Luus diensten bij waarvoor niemand haar had uitgenodigd. In haar plakboek geen taartbakrecepten, vakantiekiekjes of portretten van scheelkijkende kleinkinderen, maar rouwadvertenties van de diensten waar ze was geweest, voorzien van eigenaardig commentaar.
Vooral de stillere, karig bezochte begrafenissen vond tante magisch – die met weinig bloemen op de kist, en nog minder bezoekers. Dat was het juiste woord, magisch, wanneer ze samen met mij op een bankje in de kou zat, zo dicht mogelijk bij het vuur. Tante mocht graag horen hoe men sprak over overledenen die zij niet had gekend, hun laatste eerbetoon en het geluid van verdriet. Schepjes zand op de kist.
Tante Luus was al jaren slechtziend, maar haar gehoor bleef nagenoeg perfect. Tijdens zo’n dienst kneep ze stevig in mijn hand en vertelde ze me waar ze welke neus op hoorde gaan. Als ze dan fluisterde dat rechts vooraan een man het te kwaad had, keek ik altijd even over het publiek heen, en inderdaad: op de voorste rij, vlakbij de kist, stond dan altijd wel een treurende figuur zijn ogen te deppen en zijn schouders te schokken. Waar de snotteraar zich ook bevond, tante pikte hem eruit, en wanneer ik voor al die rouwende mensen stond te breken, gaf zij geen kik. Ze zat, haar bijna blinde ogen verscholen achter een kolossale zonnebril, en luisterde.
Toen tante nog zonder stok kon lopen, schoven wij telkens een klein stukje dichter bij de groep, tot we bijna vooraan stonden. Dan trok ze haar lippen in een dunne streep en steunde zachtjes op mijn arm. Ze liet het Woord en Gebed over zich heenkomen alsof zij deel uitmaakte van het geheel, en met haar sjieke zwarte jas en gebogen hoofd was tante Luus dat misschien ook wel. Ze leek immers eveneens rouwend, hoewel we zelden meer van de dode wisten dan wat de krant – en de ontvangsthal van Daelwijck – ons verteld had.
Na de toespraken maakten wij ons uit de voeten, maar langzaam en schuifelend, alsof gebukt onder groot verdriet. We stonden nooit in de condoleancerij, schudden niemand de hand en staken niemand iets onder de riem, maar vertrokken even geruisloos als we gekomen waren. Zodoende werden we zelden op onze aanwezigheid aangesproken, en wanneer dit wel gebeurde, boog tante haar hoofd nog nèt iets verder en schudde ik bedeesd het mijne. Meestal werden we dan met rust gelaten. Wel schuifelden we dan iets sneller dan gewoonlijk richting uitgang, maar niet voor tante het gastenboek had getekend. Daar stond ze op. Een ‘x’, meestal ondertekend met ‘tante Luus’ of enkel ‘tante L’.
Op het laatst, toen tante moeilijker liep en medewerkers van verschillende kerkhoven en uitvaartbedrijven ons begonnen te herkennen, sloegen we het gastenboek steeds vaker over. Soms vroeg tante het me voor haar te doen. Dan sloop ik naar voren en zette haar ‘x’ in het boek.
Elke zondag stond ik bij tante Luus op de stoep, beladen met croissantjes en de vier zaterdagkranten die ik de dag daarvoor had verzameld. Terwijl tante haar Franse broodjes met boter en suiker besmeurde, las ik de rouwadvertenties voor. Haar plakboek lag al klaar op tafel; een dik boekwerk met uitgeknipte rouwteksten uit de kranten, alleen die van de diensten waar ze bij was geweest. Tantes priegelige handschrift maakte eenlettergreperige aantekeningen als ‘sober’ of ‘kleurrijk’ en een enkele keer iets langer als ‘zeer gelovige mensen’ of ‘ontzettend hechte familie’. Nooit stond er iets als ‘mooi’ of ‘treurig’.
372 diensten waren het, verspreid over een periode van twee jaar, en allemaal ingeplakt. Soms streken tantes vingers langs de randen van het boek terwijl ik de advertenties van die week voorlas. Tante Luus schudde afkeurend haar hoofd waar Toon Hermans de hoogst denkbare vorm van rouwpoëzie was, en mompelde zachtjes de haar bekende Bijbelteksten mee.
Anders dan mijn tante hield ik geen plakboek bij met aantekeningen en commentaar. Ik kende geen onderscheid tussen soorten rouwteksten en lang voor het getal 372 concludeerde ik al dat uitvaarten in wezen altijd op elkaar lijken. De mensen waren natuurlijk telkens anders en de doodsoorzaak verschilde nog wel eens – ‘privé-ongeval’ is iets wat verdacht vaak terugkwam – maar het verdriet bleef hetzelfde. Waar de ene familie van grote bloemstukken op de kist hield, ging de ander juist voor zo min mogelijk decoratie, maar terug in de ontvangsthal smaakte de koffie nog altijd naar rubber.
Hier en daar waren er natuurlijk wel excessen, zoals de uitvaart van Artie van Beek, een Utrechtse lasser. Geen kerkdienst, wel André Hazes als afscheidsmuziek. De mensen die aan het woord kwamen waren eerder onverstaanbaar door het platte accent dan dat ze overmand werden door verdriet. Er was geen koffie maar bier en er werd veel en luidruchtig op de dode geproost. Het leek wel een feestje.
Of de begrafenis van die, zo bleek later, steenrijke lesbienne – oprichtster van de Free Lesbian Foundation, ‘omdat ’t niet in de kast past’ – waar 5 exen van de overledene hun liefde nog eens betuigden. Onder de honderden aanwezigen was geen man te bekennen geweest en het slot van de dienst bestond uit een staande ovatie van zeker vijf minuten. Iedereen verscheen in pak.
Maar vaker dan dat waren het diensten van gewone mensen met gewone gewoonten. Lieve opa’s en oma’s en papa’s en mama’s, die gemist zouden worden door de (klein)kinderen die ze achterlieten. Hun uitvaarten waren sober en grauw, met mensen die het verlies nog geen plekje wisten te geven en die een beetje verdwaasd het einde van het Woord en Gebed afwachtten, het witte bloemetje verlept in de hand. Veel snotterige zakdoekjes ook.
Ik probeerde naar die diensten te kijken zoals tante dat deed, met strakke mond en geduldige oren, maar kon haar fascinatie niet begrijpen. Waarom wilde deze bejaarde dame zo graag infiltreren in andermans afscheidsritueel? Wat dreef haar er toe andermans verdriet van dichtbij mee te willen maken? En waarom lukte het haar – stil, streng en emotieloos – nooit daar zelf iets bij te voelen?
De eerste keer dat een uitvaartbegeleider ons aansprak, vroeg deze vriendelijk wat we van de dienst hadden gevonden. Hadden we de overledene goed gekend? Hoe was het contact met de familie? Tante knikte en mompelde een beetje dement, keek vragend mijn kant op en redde ons – toen bleek dat ik geen tekst paraat had – eruit met een venijnig rochelhoestje.
Daarna werd het minder vriendelijk, en wezen verschillende uitvaartmedewerkers ons erop dat ‘rouwdienstmuiterij hier niet welkom was’. Ze deden dat altijd discreet, altijd beleefd.
Toen beleefdheid en discretie tante niet tegen bleken te houden begonnen lokale kranten te waarschuwen voor een oude dame en een jongeman die onuitgenodigd op begrafenissen verschenen.
De sensatiepagina’s kopten van een ‘Aasgier’, een geschifte vrouw die uit een sadistische behoefte ‘aapjes kwam kijken’. Bovendien een bijnaam die graag door de familie werd overgenomen.
Het artikel ging niet in het plakboek en tante en ik verdeden onze tijd met andere zaken. We waren berucht geworden en genoodzaakt een poos thuis te blijven. Daar speelden we verwoed Scrabble en keken naar The Bold and The Beautiful. Soms ging tante bingoën of bij een onderbuurvrouw op de koffie en onder het lezen van de Story en Privé breidde ze kleurrijke sjaaltjes.
Even leek het erop dat tante zich zou gaan beperken tot normale bejaardenbezigheden, tot groot genoegen van haar omgeving. Maar op een morgen vroeg tante me opnieuw wat kranten mee te nemen. Ze zei het met de speelse blijdschap van een kind, een halfgrapje, maar aan haar glimmende gezicht was te zien hoe graag tante er weer op uit wilde.
Ik haalde de kranten en de croissantjes en het plakboek mocht weer uit de kast. Gretig als nooit tevoren stortten we ons op de advertenties, en zochten uit waar en wanneer we naar welke uitvaart konden. Drie bezochten we er die week, en twee in de week daarop: tante weer in haar sjieke zwarte jas en ik zo zwart als mijn kledingkast toeliet, op een bankje in de kou.
Niemand merkte ons op en we maakten plannen voor de week daarna. Begrafenissen, crematies, rouw-, kerk- en herdenkingsdiensten, we leken niet te stoppen. Ik zag al voor me hoe we nog eens 372 diensten mee zouden maken. Tantes plakboek was bijna vol.
Een paar dagen daarna werd ik gebeld: de Aasgier was dood. Een buurvrouw had al enkele dagen geprobeerd te bellen, wetend dat tante thuis moest zijn, maar geen gehoor gekregen. Daarop had de huismeester met zijn reservesleutel de deur geopend en tante in haar leunstoel gevonden, bleek en koud. Er werd aan een hartfalen gedacht.
Toen ik binnenkwam, zag ik tantes half open mond en gesloten ogen pas nadat ik het plakboek van haar schoot had geraapt. Ik geneerde me voor het feit dat ze was gestorven met haar gezicht bovenop de rouwadvertentie van Roelof ‘Papa Roef’ de Wit. Ik herinner me dat zijn vier kinderen ballonnen oplieten op het kerkhof.
Ik pakte het plakboek en stopte het discreet onder de boekenkast. Pas daarna kon ik naar mijn overleden tante kijken. Ze lag er – zoals men zegt – vredig bij.
Omdat ik tante in de laatste jaren het meest had bezocht, werd ik belast met de taak haar uitvaart te verzorgen. Ik belde het uitvaartbedrijf dat ons al diverse malen had weggestuurd en vroeg of ze tantes dienst wilden regelen. Tot mijn verbazing wilden ze dat, en gaven ze geen blijk van herkenning bij het horen van tantes naam. Toen een stel van het bedrijf tante op kwam halen, werd er niets gezegd. Ik zweeg als het graf en ploeterde op een Toon Hermans-vrije rouwadvertentie. Uiteindelijk nam ik een Bijbeltekst over uit het plakboek waar tante een krulletje bij had gezet, naar mijn idee het hoogst haalbare teken van goedkeuring.
Tantes sociale leven was, mede dankzij haar hobby, beperkt, dus vroeg ik buiten wat familieleden een aantal medebewoners van haar flat om de leegte op te vullen. De huurmeester kwam natuurlijk ook. Al met al verwachtte ik niet meer dan dertig mensen, maar toen ik de ontvangsthal binnenkwam was deze bomvol. Veel gezichten kende ik niet en ik nam aan dat andere familieleden ze hadden uitgenodigd.
Mijn toespraak bestond uit wat fictieve anekdotes over de vele ‘wandelingen’ die ik met tante maakte, omdat het me ongepast leek te vertellen wat we in werkelijkheid deden en je bovendien over de doden niets dan goeds hoorde te zeggen.
Halverwege mijn tekst zag ik de weduwe van Papa Roef zitten, met al haar kinderen. Ze waren in het zwart en schudden zachtjes het hoofd. Vervolgens zag ik de complete Utrechtse familie, de hoofden streng en gebogen, en achter hen zaten ook een paar leden van de Free Lesbian Foundation. Ik herkende ze aan het pak dat ze droegen.
Ineens zag ik overal in de zaal mensen van wie tante en ik de dienst hadden bezocht, en ik kon slechts met moeite mijn toespraak afmaken. Een van de medewerkers van het uitvaartbedrijf knipoogde en stak zijn duim op. Ze waren er allemaal.
Na mijn toespraak vluchtte ik naar een hoekje van de zaal. Ik keek hoe de mensen langs de kist naar buiten liepen en zocht het gastenboek op. Ik wist zeker dat de Utrechtse familie – en al die andere families – wat geschreven hadden en zocht naar de bladzijden waar ik ze kon vinden. Het waren de laatste, en ik herkende ze meteen:
Ze hadden allemaal een ‘x’ gezet. Sommigen ondertekenden met ‘Tante Luus’.