Romy van der Sande
Portie Wiki
Zaterdagavond. Mijn vrienden zijn nu aan het: drinken, stappen, zoenen, neuken, lachen tot het buikpijn doet, geheimen op aan het opbiechten, een slechte film aan het kijken of ze hangen kotsend boven een toiletpot. Ik, daarentegen, zit bij tante Olga. En nee, tante Olga is geen hippe tante met doldwaze invallen of een geweldige collectie boeken en films. Tante Olga is een vrouw die ziek is en op het platteland woont. Waar zij woont noemen ze haar ziekte K, waar ik woon noemen ze haar ziekte borstkanker met uitzaaiingen.
Dat is natuurlijk uiterst zielig voor mijn tante, en ik snap ook wel dat je een vrouw in haar laatste levensfase niet alleen tussen de schapen laat zitten. Maar het had wel een tikkeltje geholpen als ze gek was op spelletjes spelen en samen taarten bakken. Olga heeft er voor gekozen om zich te ontwikkelen tot een zeurend mens, een klagende onverzorgde manloze vrouw. Ze laat haar overgewicht het liefst in een grote stoel zakken en laat anderen voor haar lopen.
Tante Olga spreekt vaak zinnen uit als: ‘Pak je nog een bonbonnetje voor me, en niet zelf aan zitten hoor.’ Of: ‘Ja, je ruikt wel dat ik gisteren uien op heb hé?’ Nu kan ik natuurlijk tante Olga laten sterven in haar huisje. Haar niet meer bezoeken. Er zijn zoveel mensen die hun oma, tante, nicht, neef of halfzus niet meer zien. Maar het zit zo: tante Olga is de enige die mij kan vertellen over mijn vader. En dat ik niets over mijn vader weet komt dan weer zo: mijn moeder wil mij niets vertellen over mijn vader. Niet zijn naam, zijn kleur ogen, zijn werk, zijn leeftijd of hoe hij zijn ontbijt prefereerde. Dat wil ze niet, omdat zegt ze, die viezerik zijn heil heeft gezocht bij tante Olga. Dat moet ‘ie al vrij snel voor of na mijn geboorte hebben gedaan, want ik heb hem nog nooit gezien. Hij moet ook al vrij snel genoeg hebben gekregen van het gezeik van kwakkelende Olga, want ik ken haar alleen als een met ziekte kampende vrijgezel.
“Zeg meisje, giet nog een glaasje bessen in voor Ollie.”
Voordeel: tante dommelt vaak even in. Nadeel: ze wordt ook snel weer wakker. Nog een nadeel: ze noemt zichzelf vaak Ollie, wat mij weer doet denken aan een vrij ongetalenteerde deelnemer aan Idols.
“Ja tante Olga. Hoe gaat het met u?”
“Niet goed hè, maar dat gaat het nooit met K in je aderen.”
“Kanker Olga.”
De dokter heeft gezegd dat het nu toch echt niet lang meer kan duren. Met Olga is het wel moeilijk om dat in te schatten, want het jaar dat ze nog kreeg heeft ze inmiddels ruimschoots overtroffen. “Het is een knokker,” zegt de buurvrouw van Olga. “Taai wijf”, beweert mijn moeder. Maar of ze nu een knokker of een taai wijf is, ik moet opschieten.
“Ik zou u eens wat willen vragen Olga.”
“Liever niet. Ik ben moe en ziek.”
“Dat weet ik Olga. Maar ik doe mijn best voor u, ik mag toch wel wat vragen?”
Olga neemt een te grote slok van haar glaasje bessen. Haar ogen worden groot als ze voelt dat de drank de verkeerde kant op vloeit. Dan begint ze heel hard te hoesten, onderwijl met haar handen gebarend naar haar rug. Zuchtend sta ik op en sla op haar rug. Ik probeer niet te denken aan de vele puisten die zich daar bevinden en die ik gisteren moest wassen omdat ze jeukten. Na een tijdje haalt ze heel diep adem en zegt: ‘dat was me er één.’ Mijn handen rusten op haar schouders.
“Ik wil het hebben over mijn vader.”
“Laat me nu maar los,” zegt Olga alleen. Even, heel even denk ik: ik kan ook mijn handen om haar nek klemmen. Haar de adem benemen die ze net herwonnen heeft. Haar dikke maar zwakke lijf onder me zien kronkelen.
Ik doe een stapje naar achteren en vraag me af waarom ik niet gewoon aan het kotsen, of zoenen of lachen ben.
“Nou moet je eens goed luisteren”, zegt Olga. “Jij krijgt pas iets over die verrekte vader van je te horen als ik voel dat ik bijna ga. Tot die tijd blijf jij mooi hier en zorg je voor me. Ik weet heus wel dat je hier alleen maar bent voor die nietsnut. Hoe vaak zag ik je hiervoor? Dus je gaat nu bonbons voor me halen en houdt je mond.”
Olga heeft maar één boek in huis, een encyclopedie. Nu ken ik veel mensen met een encyclopedie. De meesten weten niet hoe je het woord spelt en hebben het ding alleen in handen gehad toen ze het kregen van hun alwetende vader of het kochten van een opdringerige straatverkoper. De vergeelde bladzijden zijn dan voor niets gevuld met feitjes. Ik heb Olga één plezier gedaan en ik hoop dat ze mij daarom ook een plezier wil doen. Het plezier is als volgt: ik lees haar voor uit Wikipedia. Op mijn mobieltje zoek ik de pagina’s op en ik draag de kleine lettertjes aan haar voor. Ik lees de informatie voor die niet in haar gebonden versie staat. Dan doet ze haar ogen dicht en verschijnt er een grote glimlach. De afgelopen twee dagen heb ik dit al tien keer gedaan, ik geef haar een portie Wiki.
Zo weet ik nu dat Olga zowel een voornaam, als een plaats in Florida, als grootvorstin van het Kievse Rijk is. Zo weet ik nu dat Simon Vinkenoog in 1965 zijn dochter Mari Juana had willen noemen, maar dat is niet gelukt.
“Kunt u dan vertellen hoe mijn vader heette?”
“Wim heettie ‘ie.”
“Voelt u het al?”
Dinsdag, mijn vrienden zitten in de collegebanken. Vast met een kater en met een borrel in het vooruitzicht. Olga sabbelt op een bonbonnetje, een straaltje bruin speeksel drupt over haar kin.
“Wat?”
“Dat u dood gaat?”
“ Ik voel ’t niet echt, niet alsof ‘ie voor de deur staat, maar hij komt wel elke dag dichterbij.”
“Hoe weet u wanneer hij voor de deur staat?”
“Ik weet niet of ik het weet, ik denk dat ik het weet.”
“Eigenlijk moet ik weer naar school.”
Ze stopt nog een bonbon in haar mond en dan steekt ze het doosje plots naar voren en biedt mij er eentje aan. Het voelt als een overwinning.
“Bonbon is zowel een Belgische zoetigheid als een gemeente in Haiti.”
Als ik mijn bonbon op heb zegt ze heel kalm: “Ik heb besloten om morgen dood te gaan. Ik voeg niets meer toe aan de wereld. Morgen vertel ik je alles en dan ga ik dood.”
“Verwacht geen mooi verhaal. Dat kan ik je niet geven, zelfs niet op mijn sterfdag”, zegt Olga. “Ga es bij dat kastje staan, kijk eens in het bovenste laatje.” Ik schuif de la open. Ik zie brieven en pennen, maar daaronder een hoekje van een vergeelde foto. Ik trek het ding onder de stapel vandaan en plots kijkt hij me aan, mijn vader. Hij heeft de afgelopen dagen zo dicht bij me gelegen. Voorzichtig lift ik de foto uit de la. Dit is wat ik zie: dik zwart haar in een vetkuif, donkere ogen, een bobbelige huid. Zijn magere lijf is gestoken in een motorjack, een gescheurde spijkerbroek en cowboylaarzen. Hij zit op een motor.
“Hij lijkt niet op je, alleen die volle haren, daar bof je mee. Je moeder zegt dat ik ‘m afgepakt heb, maar dat is niet waar. Hij stond ineens voor mijn huis, zei dat ‘ie het niet uithield bij jullie. Dat gejank de hele tijd. Ik kan er niet over oordelen, ik heb geen levende kleine gehad. Hij wilde alleen even op adem komen. Ik dacht: beter dat ‘ie bij mij zit, dan dat ‘ie wegloopt of in de kroeg hangt. Ik heb je moeder direct gebeld hoor, maar ja zwangerschapshormonen, die begon meteen te janken. De eerste dagen ging het wel, ik keek ‘m weg maar het lukte niet. We spraken niet veel. Na een week ging het mis.”
“Wat ging er mis?”
“Hoe zeggen ze dat?” zegt Olga. Ze knijpt haar ogen samen, de rimpeltjes rondom haar ogen worden dieper. “Hij werd intiemer met me dan ik wilde, zeg maar.” Ze vouwt haar handen samen op haar schoot en kijkt me niet aan.
“Hij heeft u verkracht?”
Haar schouders gaan omhoog. “Ik wil het niet zo bruut zeggen, ’t is toch je vader. Ik weet dat je me een vreselijk mens vindt, en dat ben ik ook. Maar sindsdien... Hij bleef hier vier maanden, VIER maanden snap je? En hij zei tegen mijn zussie dat ‘ie van vrouw was verwisseld. Nou met mijn familie kon ik ’t toen ook wel vergeten. Mijn leven heeft ‘ie verpest.”
Ik weet niet of ik Olga moet geloven. Al heeft mam altijd gezegd dat haar zus niet altijd zo was. Dat het vertrek van HAAR man Olga heeft verpest. Heeft veranderd van een vlotte stadse tante in een bitse boerin.
“Waarom ging hij weg, na vier maanden?”
“Omat hij het niet nog eens wilde, dat gehuil, dat gedoe. Luiers, geen seks, minder geld, daar wilde hij niet voor tekenen.” Olga praat zachtjes, ze kijkt voor zich uit en ziet het verleden.
“U was zwanger?”
“Ik was zwanger ja. En de reden waarom hier niet net zo’n grietje rondloopt, nou de reden is dat ik ’t heb laten weghalen. En dat ging zo mooi nog niet, ze prikten zo met een pin in je lijf.”
Ik denk niet aan mijn kotsende vrienden. Ik denk niet eens aan mijn vader, die ik nooit heb gezien. Ik denk aan Olga, verstoten door iedereen op een vieze tafel met de benen wijd. Prikken maar.
“Waarom heeft u het niemand verteld?”
“Ach meisje, wie zou me geloven? Dat was ook wel anders toen hoor, nu staat een verkrachting met koeienletters in de krant. Maar dat zei je toen niet. Weet je wat je dan kon verwachten? Dat iemand zei: ’t was zeker je eigen schuld? Ik had ‘m toch zeker zelf binnen gelaten? Dat ik dat deed om je moeder en jou te helpen, dat zou niemand meer geloven. We waren toch intiem geworden, er zat toch een kindje in mijn buik?”
Ik denk aan mijn vader, die gek werd van mijn gejank.
“Dus mijn vader was vreselijk?”
“Ach, mensen veranderen. Ik in de verkeerde richting, hij misschien in de goede. Lang zonder liefde is ook moeilijk voor mannen hè, je moeder hield ‘m af.” Tante pakt het laatste bonbonnetje. Ze stopt het in haar mond en laat het heel lang op haar tong liggen. Smakkend eet ze het op, een traan rolt over haar wang.
“Maar hij staat niet voor de deur, de dood staat voor de deur”, zegt ze. Met gesloten ogen en een door chocolade omrande mond.
“Echt?”, vraag ik.
“Hij komt nu binnen”, zegt ze heel zacht. “Dat was het dan”. Ze neemt een flinke teug adem en laat die langzaam en beheerst naar buiten vloeien. Daarna stopt het, het ademen, het leven, het kauwen, het klagen, het praten. Nu pas hoor ik het harde tikken van de klok.