Tom van Popering
Weet nog wel
Weet nog wel dat
ik je op de planken
zag, met een drankje
op je wachtte, verlegen
naar je lachte, wij een
praatje maakten en
van het een het
ander kwam.
Dat ik daarna
altijd in de zalen
zat en jij ze aan
het lachen had
en ik dacht:
'da's de mijne.'
Dat we naderhand zo
lekker aan de bar met
bonnetjes en bier en
verliefd lagen in de
laatste treinen.
Dat we dachten
dat het voor eens
en voor altijd zo
leuk zou blijven.
Wist ik veel dat
je door zou breken
en in plaats van af
en toe nu elke dag
je 'ding' moet doen.
Dat je meer van
'dat' houdt dan
van mij.
Dat ik alleen naar
bed toe ga en jij
slaapt als ik weer
opsta, dat we
zelden samen zijn.
Weet je wel dat
elke nacht om twee
uur thuis geen tijd
meer is, dat ik je elke
avond mis en dat we
nooit meer vrijen?
'Wie is die vreemde
man, mama?' vraagt
onze kleine.
Dat is papa,
zeg ik dan.
Zusje
Tussen ding dong
dit en ding dong
dat, een stem
vertelt boven
lawaaigeweld,
staan wij aan
elkaar genageld,
de massa haast
zich om ons heen.
Oké dan, effe snel
een kusje op je
voorhoofd voor ik
in de trein verdwijn.
Oh, en... als je wilt,
je zou zo mijn
zusje mogen zijn.
Hoog Catharijne
Het is een hopeloos
lopen en gokken op
gangen, het is vaag
en je verdwaalt en
bent bang dat je de
uitgang niet haalt
vandaag.
Het is druk en op
goed geluk ga je
met de massa mee,
maar nee, je staat
weer waar je niet
moet wezen.
Het is een lelijk
labyrint, een gigantisch
gedrocht met bruggen
en bochten, trappen en
treden, staal en steen
en nog steeds weet je
niet waarheen.
Het is een hopeloos
lopen en gokken op
gangen, het is meters
maken en als je ooit
buiten geraakt, kun je
de grond wel kussen.
Weet je nog, jouw plekje?
Weet je nog
jouw plekje?
In het park of
in het bos?
Er was een sloot
en grote bomen,
een mooie kuil
bedekt met mos.
Weet je nog
jouw stekje?
Geheim voor
iedereen?
Alleen je vriendjes
wisten waar,
en elke dag
na school,
ging je er
samen heen.
Want de hut moest af,
en de sloot gedregd,
en de brug gebouwd,
en dat allemaal
vóór vijf uur,
en oh wéé
als je vies werd.
Weet je nog
jouw plekje?
Waar je kikkers
ving en bijna zelf
een keer te
water ging?
Kuilen groef voor
een ander maar
je viel er meestal
zelluf in.
Weet je nog
jouw plekje?
Dat op een dag
de gemeente was
geweest en heel
gemeen gesnoeid.
Dat iedereen je
stekje zag.
De hut was
afgebroken en
de brug was
ingetrapt.
Ik wil wel weer
eens naar dat plekje.
Want de hut moet af,
en de sloot gedregd,
en de brug gebouwd,
en ik maak zelf uit
hoe laat en vies
ik thuis kom.
Er zijn steden
(kort)
Er zijn steden,
er zijn zoveel wegen.
Er is zon en
er is regen.
Wind van voor,
wind in de rug.
Er zijn sloten,
er zijn bruggen.
Er zijn bergen
er zijn vlakten.
En ik,
ik sta op de
bus te wachten.
Het is een ding
Het is een ding,
het is een doel,
het is waar we
allemaal naar
zoeken, het is
een groots
gevoel.
Het is te leren
te herkennen
te proberen
te pakken
te zijn
te blijven
voor altijd.
Het is commercieel,
het is materieel,
het is een product,
het is overal te koop,
en ze noemen het
geluk.