Tom Bouwmeester

De republiek
Toen hun krakkemikkige nog-voor-de-val-van-de-Muur-in-de-DDR-geproduceerde-Lada, die zich alleen door een blauw zwaailicht op het dak van de andere voertuigen op de weg onderscheidde, begon te rijden, leek het erop dat hen een routineklus wachtte.
In de auto zaten drie politieagenten, of eigenlijk twee – de voor dit verhaal onontbeerlijke doorgewinterde hoofdinspecteur die door de gebeurtenissen op 9 november 1989 genoodzaakt was tot zijn dood door te werken, zijn assistent, de zowel op promotie als Russische vrouwen beluste adjudant en de nieuweling, die niet eerder als volwaardig agent kon werken voordat hij praktijkervaring had opgedaan – en dat was niet zo moeilijk in deze functie, want hij hoefde alleen toe te kijken hoe zijn vakbroeders bijzondere arrestaties verrichtten namens de Afdeling Bijzondere Arrestaties.
Na zijn saaie tijd op de academie zat hij nu opeens vol verhalen, en het was dat de hoofdinspecteur hem nadrukkelijk op zijn beroepsgeheim had gewezen, anders kon hij waarschijnlijk niet meer ophouden met praten. Niet dat er iemand naar hem zou luisteren, want hij bezat een kamer in een buitenwijk van de hoofdstad die hij deelde met twee types die de hele dag stomdronken in hun bed lagen te ijlen. Zijn huisbaas was ook een geval apart die maar eens per maand langskwam om de huur te innen, en vrienden, die had hij niet. Niemand op de academie wilde met hem omgaan omdat hij nu eenmaal zo weinig te vertellen had. Zijn ouders waren in een staatsgevangenis weggestopt en nooit meer teruggekomen, zijn zus was door een rijke Brit meegenomen.
Iets anders dan zwijgen kon hij dan ook niet, of hij zou moeten zingen, maar dat was het enige wat het delirium van zijn huisgenoten kon verstoren en hen met een kapotte wodkafles op hem af lieten stormen.
De optelsom van al die situaties maakte dat hij elke dag plichtsgetrouw en zelfs met voorzichtige voorpret bij zijn collega’s instapte.

Terwijl de hoofdinspecteur de Lada alert over de slechte wegen van het buitengebied stuurde en de adjudant met een kartonnen beker koffie in een vreemde slaaphouding op de achterbank was neergestreken las hij zoals iedere ochtend op de bijrijdersstoel de dossiers van de arrestanten-in-spé.
‘Lees alleen de bovenste maar, nieuwe, de anderen zijn nog van gisteren.’
Hoe gefrustreerd de hoofdinspecteur ook mocht zijn over zijn verdampte pensioen en daarmee zijn werk, hij wilde zich eigenlijk als een grootvader over zijn rekruut ontfermen – maar tegelijkertijd verzette hij zich met wil en dank tegen die rol die hij zichzelf toedacht, waardoor hij continu last leek te hebben van stemmingswisselingen. Hij die de tweede generatie had moeten zijn – maar dat gelukkig niet was – nipte op de achterbank in een laveloze houding van zijn koffie.

‘Sergei Fagatov, hoofdinspecteur?’
‘Ja, Sergei Fagatov.’
‘Waarom, hoofdinspecteur? Ik zie geen aanwijsbare feiten tot arrestatie.’
‘Fagatov is zelf de reden voor zijn arrestatie. Het is een raar mannetje, het bureau wil hem elke maand ondervragen, dus halen we hem elke maand op. Hij zal ons wel verwachten.’
‘Maar hoofdinspecteur –’
‘Niets te maren, het zijn orders en wie zijn wij om daaraan te tornen, dus hou maar op, want ik weet dat je het wetboek dat zegt dat dit niet mag uit je hoofd kent.’
‘Verdomme, het hele wetboek, ja?’
‘Ga slapen, vadertje, of drink ’s avonds minder wodka.’
‘Ach, wat… wat is een halve fles. Of een hele.’
‘Teveel voor jou, vadertje, dat weet je zelf net zo goed.’
‘Ach, wat.’

Fagatov woonde in een dorpje aan de voet van de bergrug die de grens met Rusland vormde. De Lada ronkte harder naarmate de hellingen aanzwollen. Een paar uitgemergelde katten zwierven langs de weg. Aan vislijnen hing was te drogen, maar er was niemand om het binnen te halen als de donkere wolken die nu boven de bergen hingen straks hun inhoud zouden lozen.
Verf bladderde van de huizen, hun stenen verbrokkelden.
‘Het is altijd al een kale, naargeestige plek geweest,’ besloot de hoofdinspecteur na een discussie die niet had plaatsgevonden.
‘Wat? De kut van je vrouw?’
‘Kop dicht, vadertje.’

‘Fagatov woont daar verderop,’ zei de hoofdinspecteur tegen zijn rekruut, met een handgebaar naar de enige begroeiing in het verwoestijnde dorp. Hij moest moeite moest doen hem niet eens goed over zijn hoofd te aaien. Daar zou de jongen wel behoefte aan hebben, hij heeft zijn ouders al in geen jaren meer gezien en het lijkt er niet op dat ze ooit terug zullen keren. Ik zou hem kunnen adopteren en in huis kunnen nemen, dat zou vrouwlief ook op prijs kunnen stellen, want sinds Katja het huis verliet is het doodstil…
‘Hoofdinspecteur? – Hoofdinspecteur?’
‘Ja… Ja, wat?’
‘Zijn we er?’
‘O, ja.’
In zijn overpeinzingen had hij al voor Fagatovs huis geparkeerd.
‘Ja, hier is het. Stap maar uit. Vadertje, jij ook!’

‘Bij Stalin, wat heeft die gek nu weer verzonnen,’ zei de adjudant toen hij de rood-witte-achtung-halt-slagboom zag staan naast een blauw wachthuisje waarop een in vier kleuren geverfde juten zak was getimmerd. Zonder er notie van te maken stapten ze gedrieën over de witte lijn van kalk die onder de slagboom langs de struiken doorliep en ook langs alle kanten van het perceel was doorgetrokken.

Een paar passen verder deed een hoge schrille stem uit het wachthuisje hen opschrikken.

‘Paspoortcontrole! Paspoortcontrole! Willen de heren hun paspoorten laten zien?’
Terwijl ze nog niet van hun schrik waren bekomen sprong een kleine geüniformeerde dwerg uit het wachthuisje terwijl hij een gummiknuppel omklemde in zijn rechterhand.
‘Paspoortcontrole! Paspoortcontrole!’ herhaalde hij.
‘Jaja, kalm aan, meneertje,’ zei de hoofdinspecteur.
‘Artikel 47 van het wetboek van strafrecht van Tzjazjikië stelt het strafbaar om ambtenaren in functie te kleineren of op andere wijze te beledigen!’
‘Artikel 47? Wetboek? Tzjazjikië?’ stamelde de hoofdinspecteur overrompeld.
‘Artikel 47 van het wetboek van strafrecht gaat over kruimeldiefstallen, hoofdinspecteur.’
De adjudant greep de dwerg bij zijn revers.
‘Kleine kutdwerg,’ zei hij, terwijl hij het mannetje anderhalve meter boven de grond door elkaar schudde.
‘Rustig vadertje, rustig,’ maande de hoofdinspecteur. ‘Laat hem los.’
De adjudant liet hem hard vallen, maar de dwerg stond verbazingwekkend snel weer op.
‘Uw paspoorten, of ik laat u opsluiten op verdenking van het overtreden van artikel 47!’
‘Beste man…’ probeerde de hoofdinspecteur nog eens.
‘Uw paspoorten!’
‘Hoe wil je ons verdomme op proberen te sluiten?’
‘Geen antwoord! Paspoorten!’
‘Beste man, kalm aan…’
‘Paspoorten!’
‘… kunt u mij eerst eens vertellen wat Tzjazjikïe is, want ik heb er werkelijk nog nooit van gehoord.’

‘De Republiek Tzjazjikië is gisteren gesticht door president Sergei Abramovitsj Fagatov, meet vijfhonderd vierkante meter en kent tot op heden twee staatsburgers, president Fagatov en ik, Luca Capalli, grenswachter en minister van Immigratie.’
‘Luca Capalli? Luca Capalli… Ja, ik weet het zeker! Bij Lenin en zijn lelijke zussen! Je stond vorig jaar nog in het circus op te treden als huisdwerg!’
‘Genoeg, heren. Genoeg! Paspoorten!’
‘Als uw staat niet internationaal erkend is, is die eis volledig ongegrond,’ zei de rekruut.
‘Internationale erkenning? Wat denkt u wel niet! Tzjazjikië bestaat sinds één dag en meneer heeft het al over internationale erkenning! De brieven voor de Verenigde Naties en de uitnodigingen voor het vestigen van ambassades zijn nog niet eens verzonden!’
‘Nou dan.’
‘Niets! Paspoorten!’ zei de dwerg onvermurwbaar.
‘Donder toch op,’ zei de adjudant, waarop hij de dwerg vastpakte en zeker tien meter verderop in het struikgewas neergooide. ‘Godvergeten klotedwerg.’

‘Kom, laten we verhaal gaan halen bij Fagatov,’ zei de hoofdinspecteur.
‘Meneer de president heeft geen tijd voor audiënties!’ gilde de dwerg terug.

Fagatov deed inderdaad niet open toen het drietal aanbelde op de deur met het naambordje Presidentiële residentie der Republiek Tzjazjikië.
Een tweede keer bellen, een derde keer, op de ramen kloppen, door de brievenbus roepen, niets.
‘Mannen, we zijn hier voor een arrestatie, goedschiks, of kwaadschiks. Trap de deur in.’
‘Weet u het zeker?’ probeerde de rekruut nog.
‘Ach wat, mond dicht. We zijn al genoeg vernederd vanochtend,’ zei de adjudant waarop hij met zijn schouder tegen de deur beukte, die niet meegaf. Pas toen hij er drie ferme schoppen tegenaan had gegeven knalde de deur open.

Het huis was leeg.
Volkomen leeg.

‘Vadertje, jij gaat naar boven, ik zoek met de nieuwe de benedenverdieping af.’
Hun onderzoek was vruchteloos, en zij liepen terug naar de hal toen zij de adjudant oorverdovend hoorden gillen vanaf de bovenverdieping.
‘Nieuwe, volg,’ zei de hoofdinspecteur kordaat terwijl hij trillend zijn pistool tevoorschijn haalde.

De adjudant lag met een rode vlek op zijn voorhoofd gekneveld terwijl Luca Capalli met zijn gummiknuppel paraat nijdig op hem toekeek.
‘Wraah! Jullie ook nog?’ gilde hij toen hij geluid op de trap hoorde en de hoofdinspecteur zijn wapen op hem afvuurde.
Het pistool haperde. De loop was dan ook niet gereinigd sinds 1978.
Capalli overmeesterde de hoofdinspecteur, die verbaasd naar het pistool in zijn hand was blijven kijken, gemakkelijk.
De rekruut rende de trap af naar de voordeur, maar de deur zat op slot. Een achterdeur? Hij rende door de lege woonkamer naar de al even lege keuken en begon aan de tuindeuren te rammelen. Ook dicht.
Toen hij een ruitje wilde intikken, hield een hand op zijn schouder hem tegen.
Het was Fagatov. Een rijzige man met priemende ogen en een lange, zwarte baard, gekleed in een grijze legertuniek. Hij had iets weg van Raspoetin.
Waarschijnlijk waren het zijn priemende ogen die maakten dat de rekruut zich zonder verzet liet meevoeren naar de bovenverdieping en zich daar gewillig liet knevelen, naast zijn collega’s.

De eerste gevangenen die de republiek Tzjazjikïe maakte worden nog steeds vastgehouden.
Wie zich daartoe geroepen voelt, mag een reddingspoging ondernemen – maar ik waarschuw u, er is niemand die hen mist.