Jelmer van Lenteren: R'dam

Jelmer van Lenteren – prijswinnaar Write Now! Rotterdam 2011, 2-voudig finalist
Jelmer (1987) is naast dichter lekker druk. Als in: bezig. Hij werkt als tekstschrijver bij een internetbureau, als programmasamensteller bij een filmhuis, recenseert zo nu en dan eens iets, is vertegenwoordiger van een Belgisch muzieklabel, secretaris van een mensenvereniging en bezig zijn eigen tekst-, redactie- en communicatiebureau op te zetten. Ook is Jelmer een Write Now!-veteraan. Bijna te oud om mee te doen, één keer tweede en twee keer in de finale. Als columnist debuteert Jelmer op deze website. En dat vindt ie naar eigen zeggen spannender dan de prijsuitreiking van een finale.

19 maart 2012
ULTRA

Zondagmiddag, in de trein naar Amsterdam. Het verzoek was of ik om zes uur die avond aanwezig kon zijn. In het simpele draaiboek stond dat ik dan de mic kon testen. Het leek me wat overbodig, maar omdat ik Wally van Middendorp nu eenmaal respecteer, en omdat ik een tijdneuroot ben, waren mijn vriendin en ik om vier uur vanuit Delft vertrokken.

'Het is net of we naar een waddeneiland gaan,' zei ze toen we het station aan de achterkant uitliepen. De zon scheen en we zouden de pont straks nemen. Ik droeg een van een vriend geleend pak dat me als gegoten zat. Ook een verzoek van Wally. Iedereen noemde me meneer en sprak me aan met u.

Vanaf het IJplein moesten we naar het industrieterrein, waar de avond zou plaatsvinden, gaan lopen. Het begon al wat frisser te worden. Ik had geen jas bij me, alleen een lelijke trui die me meer iets leek voor de terugweg, dus hield ik vol dat ik het niet koud had. De routebeschrijving deed twee regels over de eerste vijfennegentig procent van de route, aan de laatste vijf werden zo'n twintig regels gewijd. Frappant was het, dat vanaf dat punt juist bewegwijzering naar de dansstudio was opgehangen.

Eenmaal bij de dansstudio aangekomen, bleek men nog lang niet klaar voor mijn microfooncheck. Een gestreste jongeman ontving me met de woorden dat het allemaal een uur uitliep en dat het helemaal niet nodig was dat ik er al was.
'Misschien wilde je de zaal even proeven.' Ik vond het niet echt nodig. Ik kreeg een slecht getapt biertje van het huis.

Twee uur en drie kwartier tijd te vullen in Noord. Eerst naar een café-restaurant waar bier vier euro kostte. Daar studeerde mijn vriendin wat en nam ik mijn gedichten nog eens door. Allebei één bier, vier keer de vraag of we nog iets wilden drinken en drie kwartier later, stapten we maar eens op. Wat nu? Iets eten.

In een woonwijk zat op een hoek het Surinaams-Chinees eethuis Nieuw Noord. Daar aten we roti. Heel vieze roti. Aan het enige andere tafeltje in het eethuis zaten een man in pak en een vrouw waarvan ik ben vergeten hoe ze eruit zag. De man in pak werd gebeld, ging naar buiten, kwam terug en zei dat het Wally was. De man ging blijkbaar naar hetzelfde evenement als wij. Hij schold een paar keer. Maar verder leek hij me erg vriendelijk.

Na het eten gingen we terug naar de studio. Daar was het nog erg rustig. Een dj draaide klassieke muziek en er was een groot gordijn dichtgedaan. Nu waren er opeens een foyer en een zaal. De gestreste jongen zei dat ik strakjes wel even met de licht- en geluidman kon praten. Die zaten te eten en waren erg verbaasd dat ze nog iets moesten doen. Een dichter? O!

Een paar minuten later stond ik achter de microfoon. Na een korte uitleg over slechtziend zijn en geen licht in mijn gezicht, stonden de lampen goed. De microfoon deed het en ik hoorde mezelf goed praten. Een halve minuut werk was het.

De foyer stroomde vol. Wally kwam naar me toe en vroeg of ik Jelmer was.
'Gegroet,' zei hij.
'Gegroet,' zei ik.
Iemand tikte op zijn schouder. Hij draaide zich om. Ons gesprek was afgelopen.

De gestreste jongen sprak de ruim honderd aanwezigen toe. Hij kondigde ook mij aan. Iedereen ging de zaal in. Ik wachtte tot iedereen zat.
'Wanneer jij wilt,' zei de gestreste jongen. Ik liep de vloer op en droeg mijn gedichten voor.

*

Een week later kreeg ik een mailtje van Wally. Dat hij het jammer vond dat hij me niet meer had gesproken, maar dat hij wel heel goede reacties had gekregen. En of ik misschien de acts wilde aankondigen in de Melkweg binnenkort, tijdens de slotavond van ULTRA 2012.

O, en de man uit het eethuis schreef dit over mij.


5 maart 2012
Boekenmarkt

We waren op De Boekenmarkt op het Spui. Het was er gezellig. Grijze mannen zaten op linnen klapstoelen aan tafeltjes met paaseitjes en koffie. Iemand speelde een liedje van Yann Tiersen op accordeon.

We liepen wat kraampjes af, maar telkens zeiden de meisjes met wie ik was dat er niks tussenzat. Ook niet voor mij. Ik liet hen eerst kijken, want ik wilde mijn ogen sparen tot er volgens hen wel iets tussenzat. Pas dan zou ik gaan snuffelen en bladeren. De twee meisjes waren mijn verkenners, en ik vertrouwde op ze.

Bij het vijfde kraampje hadden we beet, bleek wel uit het enthousiasme van de meisjes. Ze wilden 'heel veel letters' kopen voor hun vader, want die moest een hele tijd het ziekenhuis in en was binnenkort jarig bovendien. Eén van hen gaf me een boek en zei tegen de ander, hard genoeg zodat de man van wie het kraampje was het kon horen:
'Jelmer moet je af en toe een speen geven.'
'Als 't maar poëzie is,' zei de ander. De man zijn aandacht was gewekt.

Hij flirtte op zijn eigen, charmante manier met de meisjes. Hij zei tegen ze dat als ze een bepaald boek heel graag wilden, hij wel tot de helft van de prijs kon zakken. En dat hij dat aan hun ogen zou kunnen aflezen.
'Want je ogen zijn de spiegels van de waarheid,' zei hij.

De man wees me het plankje theater – 'Dat raakt niemand ooit aan.' –, ik zei dat ik theaterschrijven had gestudeerd. Hij was alweer met één van de meisjes aan het praten. De ander was inmiddels gaan pinnen. Ze mochten voor vijfentwintig euro een aantal heel bijzondere boeken meenemen. Eén was zelfs gesigneerd door een schrijver die mij niks zei.

Er kwam een man met een Duits accent iets aan onze verkoper vragen. Onze verkoper vroeg:
'Is het voor hem?' Hij wees naar het zoontje van de man, dat niet veel ouder leek te zijn dan negen.
De man schudde van nee. Onze verkoper riep naar een andere verkoper:
'Arend, heb jij Wittgenstein?'

De man drukte mij een proefschrift over concrete en visuele poëzie in m'n handen. Hij vroeg:
'Staat er een prijs in?'
'Ja,' zei ik.
'Jammer,' zei hij, 'anders mocht je prijsschieten.' Ik betaalde de prijs die in het boek stond, en kreeg er twee poëziebundels bij.

Het meisje dat was gaan pinnen kwam terug. We wilden weggaan.
'Doen jullie Nederlands?' vroeg de man.
'Nee.'
'Jammer,' zei hij. Anders had ie nog wel twee mooie versregels voor ons in petto. Wederom trots declameerde hij:
''s Avonds vroeg naar bed gegaan, 's morgens dood weer opgestaan.' Hij lachte. Wij ook.

De man was voldaan. Hij zag drie tevreden klanten gaan en had weer een beetje hoop gekregen in de jeugd. Hij had zelfs zijn grapjes kunnen maken.


20 februari 2012

Poëtica: uitstel is de beste uitvoering

Voor mij is schrijven als moeten plassen. Het hoeft er nooit direct uit, maar uiteindelijk gaat het niet meer goed of zal het vanzelf gaan lopen.

Laatst was ik in Drenthe met mijn vriendin, ik had al vier dagen niet geschreven. Ik zei haar:
'Ik zou nu best een gedicht kunnen schrijven.'
Ik heb het niet gedaan toen, het was wel even goed zo. Eenmaal thuisgekomen ben ik gaan zitten en schreef ik op wat ik op wilde schrijven op dat moment. Resultaat? Een bevredigend gedicht.

Wat belangrijk is? De wens om te schrijven, dat gevoel vasthouden, maar zonder pen en papier, telefoon, computer, geluidsopnemer in de buurt kun je beter niet beginnen met associëren, regels en titels bedenken. Mij is het maar zelden gelukt een gedicht meer dan een paar uur te onthouden en het op te schrijven. We zijn verwend en alles wordt voor ons onthouden. Accepteer dat en probeer niet de stoere jongen uit te hangen die denkt: ik vergeet dit niet. Want je vergeet het. Heus.

Door je bewust te zijn van wat je op een bepaald moment kan, kun je het later nog beter.

Weet dus: ik wil schrijven, ik kan het nu. Maar doe het pas wanneer alle middelen voor handen zijn. Naar mijn mening ontwikkelt een gedicht of verhaal zich in je onderbewustzijn veel sterker dan aan jouw oppervlakte. Hoe vaak loop je niet vast nadat je een mooie titel bedacht, een regel had die onmiskenbaar een gedicht zou worden of een beeld produceerde, een observatie deed waarvan je wist: dit is het! Hoe vaak is dat het juist niet?

Ook met al de benodigde middelen voorhanden, is het soms (lees: vaak!) beter een paar uur, een dag of zelfs een week te wachten.

Dat vind ik.

Wie ben ik? Dat weet ik niet. Ik weet alleen: ik heb in elk geval een heel grote blaas.


6 februari 2012
Radio

Ik wandel naar mijn ouders. Er ligt opgevroren sneeuw die hier en daar aan een poging tot wegvegen onderhevig lijkt te zijn geweest. Ik gaap, het was laat vannacht en vroeg vanmorgen. Beide met als hoofdreden de radio. Vannacht heb ik nog lang zitten dubben samen met een vriend over welk gedicht ik er zou voor gaan dragen, vanmorgen was ik al vroeg op. Iets met klaarwakker, enthousiasme en gezonde zenuwen.

'Klein probleempje, je moeder en ik zijn allebei gammel,' zegt mijn vader als ik binnenkom. Gammel is ziek bij mijn ouders, waarbij ziek waarschijnlijk halfdood is. Iets met understatement.
'Je moeder staat onder de douche, we gaan allebei mee, dan kan de meest fitte rijden.' Ik denk: gedeelde smart is halve smart, en wacht tot we weggaan.

In de auto heerst de irritatie tussen mijn ouders, ik ben vooral heel blij: ik mag op de nationale radio! Mijn vader rijdt stom, vindt mijn moeder. Mijn moeder had de route moeten plannen, of in elk geval even de navigatie in moeten stellen.

Eenmaal in het mediapark aangekomen, blijkt de KRO heel ergens anders te zitten. Gelukkig zijn we een uur te vroeg. Iets met een hekel aan te laat komen.

Tijdens de autorit hebben we gehoord dat er twee graffitibroers in de uitzending zijn van het radioprogramma, ze gaan 'illegaal' een piece zetten op de muur van de parkeergarage. Er is afzetlint en ze zijn erg relaxed. Ze spuiten 'HOU VOL' op de muur. Naast hen staat het busje van KRO's Boer zoekt vrouw.

We vinden onze weg naar de receptie en worden opgehaald door een leuke jongen die me uitlegt hoe het allemaal in zijn werk zal gaan. Hij zegt me dat het nog een half uurtje duurt. Ik mag plaatsnemen in de techniekruimte. De zenuwen nemen toe, al word ik wel rustig van de mensen. Allemaal erg capabel, zo te horen en te zien.

Eefje de Visser mag een liedje zingen voordat ik aan de beurt ben. Ze zingt een fijn liedje dat over nadenken gaat. Ik zit te veel na te denken om te horen wat ze precies zingt. Ze is klein en schudt me schuchter de hand. Of ik één van de graffitibroers ben?
'Nee, ik kom een gedicht voordragen,' zeg ik. Ik vergeet haar te bedanken voor haar liedje.

In de studio is het warm en fijn donker. De presentator en presentatrice stellen me een beetje gerust.
'Doe maar net of je de natie toespreekt,' zegt hij.
Zij: 'Wil je een glaasje water?'

Ik tril. Acda en De Munnik zingen dat ze zichzelf niet zijn of nooit zijn geweest. Dan is het zover. Iets met hemelse gerechten die nu gedichten zijn geworden en dat ik een groot dichter wil worden. Ik weet niet waar ze het van hebben, maar ik vind het wel goed. Dan een kort interview waarin ik maar niet weet wat te zeggen. Ik zeg dus maar wat. Dat ik geëngageerd wil zijn. Dat wil ik helemaal niet. Of toch wel? Ik denk te veel. Iets met Eefje de Visser.

Dan draag ik mijn gedicht voor. Dat gaat best okee.

We gaan weg. Mijn moeder bedankt Eefje. Eefje bedankt mij voor het hilarische gedicht.

Thuis luister ik het terug. Ik vind dat ik een zwoele stem heb. En een fijn accent.

'Narcist,' zegt mijn vriendin. Het is een grapje.

Ze heeft gelijk.

Luister hier vanaf ongeveer 1:40:30 waar Jelmer over schrijft!


19 januari 2012
Het begon met één fles wijn
Waarom wachten waardevol kan zijn

Op 9 mei 2008 zaten mijn vriend Theo en ik in het zonnetje langs de Vliet aan de rand van de Delftse binnenstad. Het liep tegen het einde van de middag en het was uitzonderlijk goed weer voor de tijd van het jaar.

We hadden net een fles wijn koud gemaakt toen Theo op het idee kwam een plezierjacht staande te houden om een stukje mee te liften. Ik gaf hem drie pogingen.

Twee keer werden we hard uitgelachen door Heinekenbuiken en hun hoogblonde vrouwen, maar bij het derde bootje hadden we beet. Het was geen plezierjacht, maar een watertaxi. En omdat de kapitein jarig was, mochten we van haar gratis een stukje meevaren.

Omdat het ons allemaal om de tijdelijke kick ging, wilden we alweer snel aan land. Daar aangekomen wilden we meer. Wat nou: een bootje. Wat nou: een stukje. We gingen toch zeker niet door voor amateurlifters die geen kennis hadden van de zaak. We liepen terug naar de stad en smeedden een plan: we zouden écht gaan liften. Waarheen? Goh, als we Rotterdam zouden halen, waren we in elk geval ergens om te gaan feesten die avond.

Exact zeven uur later stonden we in hartje Parijs. Een avonturen dat we beleefd hadden! Ongekend...

De volgende dag sms'te ik mijn vriendinnetje, die ook in Parijs was, het hele verhaal. Je waant je in een film, hoor: net drie maanden verkering en dan al op elkaar af rennen in een Parijse straat, in de zon, een zoen, het geluk, de zaligheid. Heerlijk!

Maar je wilt elkaar ook niet tot last zijn. Dus spraken we af dat we elkaar 's avonds weer zouden zien. Zij ging samen met haar vriendin de stad in en ook Theo en ik gingen onze eigen weg.

Het werd een fantastische dag vol zon, eten, musea, gekkigheden en natuurlijk met de Eiffeltoren. Maar toen we 's middags om een uur of drie een tas vol wijn, kazen en stokbrood hadden ingeslagen, begon wat voor mij altijd in de boeken zal blijven staan als één van de allermooiste dagen uit mijn leven.

Op 13 juni 2011, ruim drie jaar later, schreef ik onderstaand gedicht. En hiermee wil ik maar zeggen dat incubatietijd niet moet worden onderschat. Alles wat je overkomt is waardevol, maar geef het de tijd!

Het gedicht valt in verschillende soorten aarde. Zo was het niet één van de gedichten die door de voorrondes van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd kwam, maar won ik er laatst wel de finale van een slamvoorronde mee.


Parijs, 10 mei

voor Theo

Een paar uur aan de Seine, vijf flessen wijn.
We zaten, waren zat en we praatten.
De camembert smolt in de meizon, en we zongen
liedjes, die jij bedacht zoals alleen jij kon.

Hele families voeren langs op rivierschepen.
Jij noemde dat een eindstation, zei:
waarmee die mensen dwepen, is gortdroge,
gebakken lucht, tweedehands en opgebruikt.

Je zei: als je heel goed snuift, kun je het ruiken.
En ik snoof. En rook verdriet. Of dat de hasj was,
vroeg ik nog. Maar nee, zei je, dat was het niet.

Je zei: die mensen kennen nog maar één gebaar,
voor alles halen ze hun schouders op, hoe dierbaar
hun het nog mag zijn. Je stem klonk die dag zo zwaar.

Ik maakte me klein en groef me in in jouw verhalen.
We zwegen toen een hele tijd. Tot ik zei: we houden
toch wel van elkaar? En jij: ik wil je nooit meer kwijt.


4 januari 2012
Write Now!
Een geschiedenis...

Op 20 maart 2005 stuurde ik voor het eerst acht gedichten in naar Write Now!. Acht natuurlijk. Wist ik veel dat overdaad schaadde, dat schrijven schrappen was. Less was voor mij toen helemaal nog niet more. Ik was zeventien!

Ik won niets dat jaar. Ik werd wel uitgenodigd voor de prijsuitreiking en was nog zo brutaal de organisatie een mail te sturen, met de vraag of ik mijn gedichten uit het hoofd moest leren misschien. Geen reactie. Ik nam twee vrienden mee naar de uitreiking. Drie harten die vol verwachting klopten. Tevergeefs.

Ik liet me natuurlijk niet uit het veld slaan. Op 10 oktober 2007 probeerde ik het nog eens. Met vijf gedichten die keer. Een hele vooruitgang, al zeg ik het zelf. Ik won met die vijf gedichten de voorronde Den Haag en kwam zodoende in de finale terecht. Op 19 en 20 januari 2008 zou die plaatsgrijpen. Het was één van de leukste weekenden van dat jaar. Ik ontmoette er mijn huidige vriendin en legde er belangrijke contacten, voornamelijk ook met de organisatoren van Write Now! en de mensen van Passionate Bulkboek. Ik stuurde overigens wel weer acht gedichten in en won de finale niet.

Nu ga ik iets bekennen wat niemand weet. Althans, dat denk ik. Hoop ik. Op 4 februari 2009 heb ik ook werk ingezonden. Onder een schuilnaam. Abominabel was het, die inzending. Ik nam duidelijk een grote hoeveelheid stappen terug. Mijn vriend kreeg tijdens de prijsuitreiking in Rotterdam een eervolle vermelding voor zijn toneelstuk. Van mijn deelname bracht ik niemand op de hoogte. Dat jaar vergeten we. Of toch niet helemaal? Want dat jaar begon ik ook te jureren voor Write Now!. Als oud-winnaar mag je dat: meejureren bij de voorronde die jij het vorige jaar won. Jureren is supertof. 2009 was gered.

Op 11 januari 2010 stuurde ik ook nog eens acht – zou ik het dan nooit leren? – gedichten in. Ik dong mee in de voorronde Gouda. En won. Tweede werd degene die het jaar erop de finale zou winnen...

Met weer acht gedichten deed ik mee in de finale van 2010. Ik won niets. Wel raakte ik weer eens bevriend met iemand die een eervolle vermelding kreeg voor zijn gedichtenreeks. Omdat het een reeks was. Tot op de dag van vandaag probeer ik reeksen te schrijven...

Dat ik niet van ophouden weet, is wel gebleken. In 2011 stuurde ik zeven gedichten in naar de Rotterdamse voorronde. Ik werd tweede.

Je leest het goed: ik heb Write Now! nooit gewonnen. En wie kan rekenen, weet dat dit het laatste jaar is dat ik mee mag doen. Of ik dat ook doe, weet ik niet. Met je zesde poging geen overwinning behalen is natuurlijk wel heel sneu. Maar winnen is dan ook erg lastig. De beste zijn van ruim duizend inzenders. En de laatste keer dat iemand met gedichten won, is alweer even geleden.

Dat zijn overigens geen afraders. Write Now! is een wedstrijd, ja, maar het is vooral een ontmoetingsplek, een poel vol mooie mensen, het begin van veel groots.

Het is de start van jouw schrijfcarrière.

Of het einde. Maar dan weet je dát tenminste en kun je je tijd nuttiger gaan besteden.