Judith Anaf: Leuven

Judith Anaf – winnaar Write Now! 2011 Leuven
Judith Anaf (geboren in 1989) uit Wijgmaal-Leuven is al lang geïnteresseerd in schrijven. Het begon met naïeve verhaaltjes op de oude Apple van haar vader, daarna volgden schoolopstellen, recensies voor CJP, een cursus literaire creatie in een academie in de buurt, een weblog en deze columns. Momenteel volgt ze een schrijfdocentenopleiding bij de organisatie Creatief Schrijven en schrijft ze een eindwerk voor het derde jaar literaire creatie.

30 maart 2012
Rode mieren
Om zeven voor twaalf spurt ik van de kopiewinkel naar de faculteit, schuif op de valreep mijn bundel papier in het postvak van de prof. Deadlines zijn als rode mieren die hun zuur op je huid uitsmeren zodat het overal begint te jeuken. Je ziet ze een eind op voorhand naar je toe marcheren in een lange, rode lijn. Wanneer ze je overmeesteren, begin je overspannen met twee handen tegelijk te krabben zodat je je huid openrijt en nog meer gespannen raakt. Het stopt niet totdat je taak in de juiste box is gedropt. Dan pas kunnen je wondjes genezen, dan pas kom je opnieuw tot rust.
Bij mij kan dat moment beginnen vanaf twaalf uur. Een symbolische tijd voor de aftocht van het mierenleger. Nu kan ik nog lekker wat zitten schrijven, gewoon voor mijn plezier. Ik hoef niet op voetnoten, bibliografie of referenties te letten. Geen wetenschappelijke hoogdravendheid, desalnietteminnochtansevenwel mooie woorden, juist omdat ze eenvoudig blijven. Ik maak mezelf een glaasje grenadine klaar. Geen stress.
Komt plots een mailtje van Write Now! binnen. De laatste column moet klaar zijn voor vijf uur. Tof, schrijven voor je plezier. Over wat kan ik het deze keer nog hebben? De secondenwijzer sluipt de klok rond; bij elke tik kruipen zes nieuwe pootjes van mijn voet langs mijn been omhoog. Rode mieren plassen guitig mijn huid vol. Ze lijken het spannend te vinden dat ze moeten vluchten voor mijn krabbende handen.
Aan mijn bovenbenen roep ik ze halt toe. De brandende jeuk van deadlinemieren hoort hier niet thuis; schrijven moet in de eerste plaats leuk zijn. Ik werk ontspannen verder. De tijdslimiet ruimschoots overschreden, zo heb ik langer plezier. Weg met alle mierenpies, schrijven moet gezellig zijn. 1 april is de deadline voor de inzendingen voor Write Now!. Dat moet toch wel een grap zijn?


19 maart 2012
De houten katheder
Bij Write Now! moet je dingen doen die je helemaal niet wil. Je eigen tekst voorlezen bijvoorbeeld, als die geselecteerd wordt. De prijsuitreiking in Leuven was aanvankelijk ontspannend: een engelachtig meisje dat nonchalant haar ziel bloot zong. Ze betokkelde haar gitaar met de evidentie van de grijpreflex bij baby's. Je kon in je zeteltje hangen en het wedstrijdaspect vergeten. Write Now! werd Write Anytime But Now Just Listen!. Dat beviel me. Ik ben van het type mensen dat graag kijkt, luistert, bekritiseert en af en toe zelf creëert, maar liever niet de warmte van de spotlight in zijn nek voelt hijgen.
Dan schakelde de presentator vlotjes naar het prijzengedeelte. Net als een goed verhaal opbouwt naar een climax, begon hij bij de derde plaats. Leuk, dacht ik toen nummer drie boekenbonnen kreeg en glunderend vooraan stond, maar ik was blij dat ik in het donker van de zaal mocht blijven zitten. Bij nummer twee werd ik al iets jaloerser omdat de bonnen in waarde verdubbelden, maar zelf zou ik me al lang achter die ruiker bloemen hebben verstopt.
Nummer een was ik. Boem paukenslag - alsof de juryleden me allemaal tegelijk stevig op mijn schouder klopten. Dat deed me opveren en naar voren lopen.
'Je hebt je tekst toch bij?'
Ik voelde mijn wangen gloeien: hoe kon ik die nu vergeten zijn?
'We dachten het al: alles ligt netjes afgedrukt klaar.' Mopje dus.
Vijf pagina's zonder water, aan een soort preekgestoelte met het licht van de Heer op mij. Vlam, shocktherapie.
Het drong allemaal niet goed tot me door. Pas achteraf, toen ik een foto in de regionale krant zag van mezelf achter die houten katheder, besefte ik hoe flatterend dat eigenlijk is, je eigen tekst mogen voorlezen. Ik ben niet meer rancuneus. Ik heb me zelfs ten stelligste voorgenomen volgende editie voor de spiegel te oefenen; je weet immers nooit.


1 maart 2012
Een roze bril
In elk verhaal moet conflict zitten, anders is er geen spanning. Een hoofdpersonage dat zonder problemen door het leven fladdert – flashy roze bril en vlindervleugels –, is niet interessant. Hij huppelt naar de winkel waar zijn kar zich haast automatisch vult; de kassierster – gewoonlijk knorrig en nors – krijgt op slag kriebels, schenkt een instant korting én gratis boodschappentas van Delhaize (nochtans tien cent waard), zodat hij met de tas – die uiteraard niet scheurt – naar huis dartelt alwaar hij een heerlijke maaltijd tovert van de ingrediënten die hij net heeft aangeschaft, want later zal de kassierster komen voor een romantisch diner bij kaarslicht. [Neem nu tijd om te ademen.]
Persoonlijk wil ik dat verhaal niet lezen. Zelf heb ik meer interesse in de verwikkelingen van Arthur. In zijn midlifecrisis besluit hij met de flashy roze bril en vlindervleugels van dochterlief inkopen te doen. In het echte leven agent, nu gehuld in het uniform van zijn hormonale noodtoestand. Wanneer hij met zijn linkervleugel een paar verpakkingen pampers omverstoot, dán creëer je conflict. De vrouw achter hem slaakt een gil van het verschieten – er vliegen niet elke dag pampers door de lucht – en krijst nog harder wanneer ze recht in de roze, glanzende glazen van Arthur kijkt. Arthur herkent in haar Carine, de hartsvriendin van zijn vrouw, en slaat op de vlucht. De kar laat hij staan en terwijl de zijden glittervleugels tragisch aan zijn rug bengelen, vliegt hij tussen de rekken door naar de exit.
Nu hebben we een aanzwellend probleem: van de midlifecrisis naar een alarmerende tenue, de confrontatie met Carine en de weinig heroïsche exodus. Arthur is in conflict met zichzelf, met Carine, met zijn vrouw – dat zien we later – én met zijn dochter, wanneer die er achter komt dat papa haar accessoires heeft geleend zonder haar toestemming te vragen. Nu is er drama, nu wordt het leuk. Het leven door een roze bril is namelijk ook niet altijd rooskleurig.


15 februari 2012

Spanning
Stationsromannetjes zijn opwindend. Dat is niet mijn mening, maar die van een vriendin. Vanaf de eerste zin weet je dat het hoofdpersonage – vanzelfsprekend een vrouw – na de nodige twijfels uiteindelijk zal bezwijken voor de dierlijke aantrekkingskracht van George. George is bij voorkeur lager geschoold, onbesmet door intellectuele complexiteit en daarom een toonbeeld van authenticiteit. Hij is even macho als hij spiermassa heeft, maar draagt tegelijkertijd ontroerende tederheid in zich. Een harde bolster met een blanke pit. Een grote penis en een klein hartje.
Je kunt het vergelijken met poppenkast. Net als die lieve kindertjes opgefokt zitten te brullen van 'Nee Roodkapje, de boze wolf zit achter die boom!', jammert de gemiddelde stationsromannetjeslezeres dat Lindsay beter niet toegeeft aan haar bestiale instincten. Stoute vrouw. En toch is dat uitgerekend wat ze willen lezen. Overspelige Lindsay innig ineen gevlochten met George terwijl ze het orgasme van haar leven beleeft. Bedroevend voorspelbaar.
En toch zijn juist deze oppervlakkige schrijfsels – uitblinkers in het plattreden van gekende paden – ophitsend. Voer voor het eigen seksleven – zegt een vriendin van mij. Het leest als één lang voorspel op de lang verwachte, maar steeds uitgestelde climax. De schrijfsters leggen ongegeneerd hun eigen seksuele fantasieën bloot en dat op zich blijkt prikkelend te zijn. En inspirerend, waarschijnlijk. In feite kun je de auteurs van stationsromannetjes dus geëngageerde schrijvers noemen.
Om een voorbeeld te geven uit 'Roomservice!' van Susan Anderson (voor de gelegenheid geleend van die vriendin): “Zijn vingers gleden naar beneden, over haar kin, langs haar hals. 'Dat is gewoon biologie, schatje. Ik kan me bedwingen als jij dat ook kunt, maar misschien is dat wel het probleem?' Hij zette zijn benen uit elkaar zodat haar dijen ertussen pasten en ging zo dicht mogelijk bij haar staan zonder haar daadwerkelijk te raken.”
Zowel u als ik zullen moeten toegeven dat deze tekst uitnodigt om verder te lezen. Dat hij nieuwsgierig maakt, spanning opwekt. Je moet het maar kunnen. Stationsromanschrijven, het is een kunst.


1 februari 2012
Klinkt leuk, zo'n alliteratie
Schrijven is schrappen. Klinkt leuk, zo'n alliteratie. Onschuldig ook wel. Ik zie generaties schrijvers achter hun schaars verlichte tafeltje met een veer hun minder gelukkige passages doorhalen. Hoogstens wat risico op enkele spatjes inkt hier en daar, maar die kunnen in het beste geval zelfs inspirerend zijn. De veer, de vulpen, de balpen of de rollerpen: het schrappen blijft even leuk. SCHRAP – wat een sound.
Ik kan me voorstellen dat beroemde schrijvers een klein archiefje hebben aangelegd met hun schrapsels. Vergeelde bundels papieren met doorgestreepte zinnen geklasseerd in kartonnen dozen. En als Flaubert, Dickens, Kafka, Proust of Joyce het even kwijt waren, dan gingen ze toch eenvoudigweg hun dozen raadplegen. Dat ene doorgestreepte zinnetje – gerangschikt onder categorie drie: 'zinnen die te vroeg kwamen' – kan nu het ultieme einde van hoofdstuk vijf worden. Gustave, Charles, Franz, Marcel en James geven elkaar vast een hi figh in hun denkbeeldige schrijversclubje. Geweldig, de uitvinding van het schrappen.
Maar laten we eerlijk zijn. Wie schrijft er tegenwoordig nog met een veer? Zelfs een rollerpen is achterhaald. Schrijven is typen op het elektronische papier van Word. Schrappen is dus noodzakelijkerwijs op de deleteknop drukken. DELETE – eigenlijk zou je hier de schrap-sound moeten horen. Je kunt natuurlijk ook de doorhaalfunctie gebruiken, maar we zouden eerlijk zijn. Niet bepaald esthetisch, die knop. (Eventueel zou je kunnen experimenteren met andere methodes om tekst elektronisch te schrappen, zoals bijvoorbeeld overbodige tekstdelen tussen haakjes plaatsen.) [Ronde of vierkante, dat maakt eigenlijk geen verschil.] **Technieken uit de chattaal zouden kunnen dienen om aan te duiden: deze zinnen mogen nog niet weg, maar staan voorlopig 'in' de weg ** :-) 8-) :-O de vraag is waar de grens ligt van de infantiliteit (-: (-8 O-:
Het is zoals je stoelgang volledig autonoom beheersen en toch verlangen naar die ene pamper met beren op. Zoals hebben leren rijden met een fiets en toch snakken naar die kleine wieltjes langs opzij. Je wil groot worden, maar nostalgie staat in de weg. Zo is het met mij en het elektronische schrijven gegaan. Geen haar op mijn hoofd dat er aan dacht om opnieuw op pen en papier te teren. Tot wanneer ik besefte dat ik de te vroeg gekomen, sublieme slotzin voor hoofdstuk vijf onherroepelijk had gedeletet. Geen archief om hem in op te diepen.
Dan, ja dan begint het toch wel eventjes te jeuken.


19 januari 2012
Vlaamsch
Hoe vaak heb ik buitenlanders al proberen uit te leggen dat Flemish eigenlijk hetzelfde is als Dutch. Gewoon een variant, een soort dialect. Hoewel Vlaams natuurlijk op zichzelf een verzameling van dialecten is, maar we moeten het niet nodeloos ingewikkeld maken. In Vlaanderen spreken we Nederlands, punt. Daarom is het leuk dat Write Now! de Nederlandstaligen aller landen verenigt in één wedstrijd.

Voor het finaleweekend nam ik de trein naar Rotterdam. Het buitenland, maar zo voelt het niet als je zonder overstap in je zeteltje kunt blijven hangen en in een mum van tijd je bestemming bereikt. En de mensen spreken daar dezelfde taal, dat kun je niet zeggen van onze Waalse landgenoten.

Goedgemutst omwille van deze broederlijkheid, het idee deel uit te maken van een happy family Nederlandstaligen, raakt mijn voet voor het eerst de Rotterdamse bodem. Nu alleen dat Grandcafé Engels vinden voor de workshop met Vrouwkje Tuinman.

‘Waar het Grandcafé Engels is?’ por ik een willekeurige voorbijgangster aan.

‘First you go to the rechts and then to the links’, zegt die vriendelijke dame.

Ach, ze is waarschijnlijk niet van hier, stel ik mezelf gerust. En inderdaad, niemand van de Write Now!-organisatoren noch finalisten begint Engels met mij te praten. Sommigen vinden Vlaams zelfs sexy; dát is nu misschien wat overdreven. In elk geval: weinig problemen met de taal. Tot iemand me na een heel verhaal onderbreekt en zegt: ‘Het spijt me echt heel erg, maar ik heb er helemaal niks van begrepen. Je spreekt zo ... Belgisch.’

Daar sta je dan. Haar op je tanden, de illusie van de taalgemeenschap doorprikt. Moet je plots Dutch gaan praten in plaats van Flemish, terwijl ’t Vlaamsch toch zoo schoon kan zijn.


4 januari 2012
Vrachtwagenchauffeurs met snorren
Elke vrachtwagenchauffeur heeft een snor, leest de Playboy, kijkt naar pornofilms, rookt twee pakjes sigaretten per dag en zuipt koffie. In verhalen moet je clichés proberen te vermijden, en als je schrijft over iets dat je niet kent, moet je op onderzoek gaan. Die twee adagia lijken op het eerste zicht perfect verzoenbaar, tot natuurlijk het onderzoek het cliché bevestigt. Schrap je het cliché of schrap je het onderzoek?
Ik schrijf een verhaal waarin het hoofdpersonage met een vrachtwagenchauffeur lift. Het is uiteraard fictie, maar geen magie. Het moet dus kloppen. Als je een vrachtwagen op een geloofwaardige manier wilt kunnen beschrijven, moet je er ten minste eentje van dichtbij gezien hebben. Net als een vrachtwagenchauffeur overigens. In mijn vriendenkring bevindt zich geen enkel exemplaar. Jammer, want zo'n vriend met een vrachtwagen zou wel handig kunnen zijn. Om op reis alles te kunnen meenemen wat je wilt, bijvoorbeeld. Of om rijdende feestjes in te organiseren. Zo iemand zoek ik dus.
Waar heb je meer kans om een vrachtwagen te treffen dan bij 'den Inbev', de grootste brouwerijketen ter wereld? Die bierwagens daar zijn slechts tien minuten fietsen van mij verwijderd. Nu ja, natuurlijk was het wat zoeken naar de juiste ingang van de vele gebouwtjes, moest ik nog kort verantwoording afleggen bij de gepantserde vrienden van de controlekamer en moest mijn bezoekersaanvraag in een amper drie weken durende procedure worden verwerkt. Maar goed, toen ik die man in fluo geel uitlegde dat ik – heel even maar – wilde gaan kijken ter inspiratie van mijn verhaal, was hij wel gecharmeerd.
Ik koos een grote, rode species uit die me wel geschikt leek om ooit als partymobiel te dienen – je weet maar nooit. Een man met een snor was blij verrast met mijn bezoek en toonde me meteen alles wat zijn cabine te bieden had. Of ik misschien wat koffie wilde? Er stonden twee thermosflessen klaar. Terwijl hij een sigaret opstak, viel mijn oog op een magazine met blote vrouwen – maar dat kan geheel toevallig zijn. Achter de zetels bevond zich het bed, op een schap bovenaan de voorruit sloeg hij zijn voorraad trekkersvoedsel op en rechts daarvan lagen zijn dvd's in een kastje met een slot op – maar dat kan natuurlijk geheel toevallig zijn.
Nog voor we goed en wel kennisgemaakt hadden, moest de man zijn wagen laten laden. Ik sprong naar beneden en keek verbouwereerd toe naar mijn wegrijdende cliché. Schrap je het cliché of schrap je het onderzoek? Of zoek je verder naar een vrachtwagenchauffeur zonder snor, die misschien – geheel toevallig – een leuke partymobiel bezit?