Marijn Sikken: Utrecht
Marijn Sikken – winnaar Write Now! Utrecht 2011, winnares landelijke jury- én publieksprijs 2011
Op 19 juni 2011 sleepte Marijn Sikken tijdens de finale van Write Now! de jury- én de publieksprijs in de wacht – dat gebeurde nooit eerder in de geschiedenis van de schrijfwedstrijd. Marijn Sikken is 21 jaar en studeert aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. Ze blogt voor Spunk.nl en schrijft columns voor o.a. columns voor Youth-R-Well.com, de online jongerenvereniging voor reumapatiënten. In haar verhalen spelen dieren vaak een grote rol, maar om deze onhebbelijkheid te compenseren, gaan diezelfde dieren vaak in de laatste alinea dood. Ook is Marijn een actief misbruikster van het gedachtestreepje.
29 maart 2012
Lieve schrijver
De deadline voor Write Now! is inmiddels niet meer een kwestie van maanden of weken, maar slechts nog van dagen. Uren. Op het moment dat ik dit schrijf zit jij in de mij zo bekende deadlinestress, die bij het naderen van Write Now! hoort. Misschien heb je je inzending al verstuurd en daar al dan niet hevige spijt van gekregen, misschien wacht je tot het allerlaatste moment. Pas als je tekst er eenmaal uit is, kun je weer rustig ademhalen. Er valt een spreekwoordelijke last van je schouders, je kunt weer een keer naar buiten om te genieten van het mooie weer (hoewel het dit weekend koud en guur wordt, heb ik me laten vertellen). Hoe dan ook: je hebt het gehááld, congrats to you, dat moet een heerlijk gevoel zijn – nee wacht, ik wéét dat dat een heerlijk gevoel is. Dus geniet daarvan. Neem 1 april vrij, of misschien 2 april, als je daadwerkelijk tot 23:59 hebt gewacht met het versturen van je inzending, en je daarna nog tot een uur of vier hebt zitten stuiteren dat je eindelijk die verzendknop durfde aan te klikken. Je hebt hard gewerkt en verdient rust, dus neem die ook. Maar niet te lang.
Begin 3 april aan een nieuw verhaal, of, liever nog, herpak een tekst die je al had liggen. Niet alleen moet je altijd aan het werk blijven, maar vanaf dit moment tot aan de prijsuitreiking van je voorronde is er kans dat je in de finale komt (en daarna zijn er ook nog wildcards, als het goed is). In het beste geval val je met je woonplaats onder de regio Midden-Nederland/Utrecht en is de prijsuitreiking pas op 9 mei. Van 3 april tot 9 mei is ruim vijf weken, plus de 3 weken die je dan nog hebt voordat je je finale-tekst moet opsturen – tel uit je winst! Hopelijk heb je lang voordat je voorronde-inzending opstuurde al nagedacht over wat er eventueel daarna zou kunnen komen – dat is niet arrogant, maar slim – en heb je méér dan een idee alleen. Want om de finale te winnen moet je niet alleen een tekst hebben die je eigen voorronde-inzending overtreft, maar ook die van alle andere voorrondes. Daarbij moet hij béter zijn dan alle andere finale-inzendingen. Best een opgave, dus. Schrik je daarvan? Niet doen! Concurrentie is goed, werkdruk ook. Maar tussen al die momenten van onzekerheden, stress en al dan niet meer, moet je één ding niet vergeten: dat het leuk is. Sterker nog, het is helemaal te gek.
Ik zie ernaar uit om de volgende winnaar van Write Now! te mogen ontmoeten. Misschien ben jij het. Dan zie ik je 17 juni. Succes!
15 maart 2012
Verliefd
Laatst vroeg iemand me hoe ik tot nieuw werk kom. Had ik soms een lijstje liggen met ideeën die ik één voor één afstreepte, of moest ik bij wijze van spreken ‘aangeraakt’ worden, iets zien of beleven waarmee ik vervolgens aan de slag kon? Ik vond het lastig hierop antwoord op te geven, want mijn aandacht was (en is nog steeds) totaal ergens anders.
Ik ben sinds kort namelijk verliefd. Vlindertjes en zo. Het is nogal extreem, ik kan nergens anders meer aan denken. Zodoende word ik een beetje slordig en vergeet ik naast het beantwoorden van onschuldige vragen bijvoorbeeld ook deadlines te halen, sokken in de was te doen, brievenbussen te legen en die ene superbelangrijke rekening te betalen. Daarbij betrap ik mezelf weer op hardop praten in het niets, een gewoonte die ik eigenlijk nog een jaar of dertig had willen uitstellen. En dat allemaal doordat mijn geest het ergens helemaal van te pakken heeft! Ook voor mijn eigen vriend is het even wat minder.
Maar toch.
Ik heb wel vaker korte verliefdheden. Meestal zijn ze heftig maar niet langdurig, en als de lol er af is (of het niet blijkt te werken) gaan we als goede vrienden uit elkaar. Soms kom ik zo’n oude vlam later opnieuw tegen en dan denk ik: het was best oké. Soms denk ik dat niet. Hoe dan ook ga ik vervolgens verder met mijn leven. Er komt altijd weer iets nieuws.
Toch is mijn laatste verliefdheid alweer even geleden. Misschien stond ik er een tijd niet voor open, was mijn hoofd zo vol met alles wat er in mijn leven gebeurde dat daar gewoon niets meer bij kon. Zou kunnen. Want nu er eindelijk weer een beetje rust om me heen hangt, is het gelijk raak. Ziehier! Plotsklapse, totaalhysterische en allesoverheersende liefde.
Maar rustig aan, het is nog pril. Op dit moment zit ik echt nog in de ontdekkingsfase: het aftasten, elkaar leren kennen, het feitelijke daten. Ik kan er dus ook nog niet zoveel over vertellen. Zelf ben ik er continu mee bezig. In mijn hoofd huizen prangende vragen als ‘klikt het, is er een match?’ en ‘durf ik me hier eventueel aan vast te leggen’, en al die vragen willen tegelijk antwoord.
Het is heel spannend, heel fris, om zo weer van voor af aan te beginnen. Ik heb er zin in. We gaan samen iets aan, en hopelijk komt daar iets moois uit. Samen zullen we nieuwe routines ontwikkelen, we zullen elkaars goede en slechte kanten leren kennen (en over die laatste misschien wat compromissen sluiten). Afzien en genieten zullen we, mijn Nieuwe Verhaal en ik. Als het wat wordt.
5 maart 2012
DNA
Tijdens mijn tweede studiejaar hadden we het over het essay-DNA. De bedoeling was een soort zelfonderzoek te verrichten, en je eigen essay-DNA te formuleren. Wat waren je vragen, je fascinaties, waar raakte je door geboeid en wat keerde er steeds terug? Door hierover na te denken zou je jezelf als (aspirant)schrijver beter leren kennen en bovendien geprikkeld raken door je eigen interesses. Je moest jezelf kunnen inspireren. Dat leek me toen al een prima levensles.
Laatst dacht ik aan die lessen terug en vroeg ik me af hoe de ‘rest’ van mijn DNA eruit ziet, wat betreft schrijven dan. Ik kwam tot de conclusie dat er een aantal dingen vaak terugkeren. Allereerst is er natuurlijk het fysieke - vrij letterlijk in mijn reumacolumns en verhalen met lichamelijk gehandicapte hoofdpersonages, maar ook in het immer terugkerende thema ‘het scheren van geslachtsdelen’ (wat waarschijnlijk meer over mij zegt dan waar ik nu over wil nadenken) - maar minstens zo belangrijk in mijn werk zijn de dieren.
In mijn verhalen is er altijd plaats voor wat halfdode duiven, symbooldragende olifanten, suïcidale honden en katten die wel of niet aanwezig zijn/ongelukken met oude mensen veroorzaken. Ook in het dagelijks leven is er vrij veel beest, al is het alleen maar omdat ik belachelijk veel Animal Planet kijk. Maar dat is niet wat ik bedoel. Wat ik bedoel is dat ik ze overal zie.
Vroeger zat ik in de klas bij een jongen die me altijd aan een eekhoorn deed denken. Jaren daarvoor liep ik op handen en voeten omdat ik een kat was (niet dacht te zijn, maar was - dat is een heel verschil), inmiddels kijk ik in de spiegel en zie ik een zeehond. Ik ken ook een vrouw die de motoriek heeft van een papegaai en een heleboel mannen van middelbare leeftijd doen me aan honden denken. Dat zijn allemaal geen waardeoordelen, maar associaties die ik niet los kan laten. Het is niet zo dat ik al die dieren letterlijk naar een verhaal vertaal - sterker nog; soms halen ze het papier niet eens. Maar terwijl ik dit schrijf denk ik ineens weer aan dat ene meisje met die struisvogelnek, en hoe ik die nek kan gebruiken in een stuk dat ik toch al over haar wilde schrijven maar waar ik niet aan kon beginnen omdat ik geen aanknopingspunt vond. Nu heb ik het. Ik open een nieuw bestand en begin als een idioot te tikken. Waarschijnlijk komt die hele struisvogel niet in het stuk, maar het is er wel mee begonnen. Dat is mijn schrijvers-dna. Als je ooit vastzit met jezelf kun je je afvragen: wat is het jouwe?
15 februari 2012
Ghostspeaker
Interviews. Net als met fotoshoots, die op de een of andere manier toch altijd resulteren in een verbreedbekkikkerde versie van mezelf, ben ik er gewoon niet zo goed in. Ook als ik me voorbereid - en van tevoren een idee probeer te krijgen wat men kan gaan vragen, bedenk wat ik allemaal niet wil zeggen of juist wel en mezelf voorhoud dat ik vooral rustig kan nadenken over een antwoord, in plaats van een stotterende non-zin te produceren - raak ik op het moment suprême compleet van de leg, zeg ik alles wat ik me had voorgenomen niet te zeggen en doe ik dat laatste uitsluitend grammaticaal incorrect en met een stotter.
Zeker live, aan de telefoon bij 3FM, of op het podium waar ik anderhalve minuut later zal gaan voordragen, vind ik het erg ingewikkeld. Ik ben niet zo snel en raak makkelijk afgeleid - of ik versta mensen slecht. De supergevatte reactie die ik had moeten geven op de supergevatte opmerking van de presentator of interviewer, bedenk ik me pas in de auto op weg naar huis. On stage babbel ik een beetje mijn tijd door en kom daardoor steevast over als mezelf minus 5 jaar - en dat is niet oké. Er moet een handigheid in interviews en gesprekken zitten die ik (nog?) niet beheers.
Laatst vroeg iemand me naar mijn levensmotto. En waar ik heus wel eens net heb gedaan alsof ik in Hp/de Tijd stond en die Proustvragenlijst moest invullen, had ik nu natuurlijk geen idee. En waar ik eigenlijk had moeten antwoorden dat motto’s uitsluitend bedoeld zijn voor mensen die hun eigen levensinstelling niet kunnen onthouden, was ik prompt de mijne vergeten. Uiteindelijk kwakkelde ik iets in de zin van: ‘“Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd”, is het in ieder geval niet.’
Jammer, Marijn.
Een van de leukste interviews tot nu toe, vond ik die voor Passionate Magazine. Ik kreeg zeven vragen in mijn inbox en mocht mijn antwoorden daarop terugsturen. Zodoende had ik tijd genoeg om over mijn woorden na te denken. Uiteindelijk had ik een mooie, weloverwogen tekst geschreven. Ik was er zowaar trots op.
Maar verder zou ik het liefst iemand inhuren. Een prachtig meisje van omstreeks 21 jaar, of jonger, met een vlotte podiumbabbel en een fotogeniek gezicht. Haar gezicht zou ik dan ook graag lenen voor een eventuele achterflapfoto, mettertijd, want dat is goed voor de verkoopcijfers. Een soort ghostspeaker dus, in plaats van een ghostwriter. Dat lijkt me perfect, hoewel het misschien wat makkelijk is. Ik kan natuurlijk ook gewoon een cursus Communicatie volgen. En een cursus Normaal Op De Foto Staan, als we dan toch bezig zijn.
1 februari 2012
Boom
Ik herinner me een boek van vroeger (en met vroeger bedoel ik dat ik werkelijk geen idee meer heb wanneer ik het las, maar bier drinken mocht ik nog niet) over een jonge schrijver die verliefd was op zijn juf. De jongen was tussen de negen en elf jaar oud en hij zag zijn verhalen als vruchten die aan een boom hingen, wachtend tot ze rijp genoeg waren om ervan af te vallen (met vroeger bedoel ik ook dat ik dat toen nog niet zo’n clichématige metafoor vond). Zijn verhalen gingen bijvoorbeeld over hoe hij met zijn juf zou sterven door samen de zee in te lopen - superromantisch allemaal.
Zelf heb ik op het moment een heuse writer’s block. Ondanks deadlines, ambities en van die kleine, dagelijkse dingetjes waar ik eigenlijk iets mee moet doen (zoals conducteurs die zich wreken op zwartrijders door voortijdig de voetbaluitslagen om te roepen, of waarom ik mijzelf meen te herkennen in een zeehond) komt er gewoon niets uit.
Nu gaat het bij mij toch al niet vanzelf. Ik ken geen periodes waarin ik zo diep in mijn eigen werk zit dat de wereld om me heen zou kunnen vergaan en ik dat pas zou opmerken wanneer mijn laptop uitviel. Daarbij denk ik dat de mythe rond ‘de flow’ - die utopische toestand waarin je alles om je heen vergeet en woorden uitbraakt als ware je een godheid, woorden die briljant zijn en precies staan waar ze horen te staan, in de juiste volgorde en in de juiste context, woorden die zonder plotholes een verhaal vormen en, ook niet onbelangrijk, vrij zijn van dt-fouten, die toestand dus waarin het allemaal vanzelf gaat - vergelijkbaar is met de zoektocht naar de G-Spot: volgens mij bestaat-ie niet, en als het wel zo is dan kan het nooit zo mooi zijn als men zegt.
Maar goed. Nu gebeurt er dus helemaal niets. Mijn eigen verhalenboom is defect. Of ziek. Chagrijnig staar ik naar mijn beeldscherm. En wacht. Nada. Toch broeit er van alles. In mijn hoofd genoeg ideeën of flarden van verhalen, maar ik kom er nog niet bij. Veel dingen zijn nog niet rijp genoeg, moeten nog groeien. De boom in mijn hoofd moet gevoed worden. Daar ben ik nu mee bezig. Ik lees veel en kijk veel films (nu aan het lezen: Dubliners, James Joyce, net gezien: Lars and the real girl). Ik kom veel buiten en ik zwem en fiets. Ondertussen maak ik bergen aantekeningen. Ik ken mezelf en weet het hoe ze werken, die blokkades van mij. Vaak gaat het om het voeden van die boom. Misschien moet ik dat boek weer eens opzoeken.
19 januari 2012
Een netwerk
Op mijn 18e begon ik aan de Schrijversvakschool in Amsterdam, waar de gemiddelde student wel iets ouder is dan barely legal. Voorheen kende ik een handjevol muzikanten, bijna-fotografen en hier en daar een sporadisch theatertype, van wie sommigen ongeveer hetzelfde geboortejaar hadden als ik, maar er zat weinig literaire ambitie tussen.
Ondanks mijn begripvolle achterban (lees: familie) ontstond bij mij de behoefte aan mensen die het écht kenden, dat schrijven - dat harde werken zonder veel lichamelijke arbeid, die druk dat alles altijd maar uit je hoofd moet komen, de voldoening als er uiteindelijk iets komt, uit dat hoofd, iets leesbaars, iets waarover je tevreden bent. Dat allemaal.
Mijn medestudenten kenden al die strubbelingen en dat was een verademing. Maar zij waren vaak stukken ouder dan ik. Na wat echtscheidingen, midlifecrises en steunkousenproblematiek in teksten en pauzegesprekken tegen te komen, snakte ik naar jeugdige afwisseling. Schrijvende ex-pubers of zo, 90’s kids, die miste ik nog in mijn leven.
Toen ik voor het eerst in de finale van Write Now stond (2009), won ik niets. Toch denk ik met veel plezier aan dat weekend terug. Daar ontmoette ik precies de mensen waar ik zo’n behoefte aan had: schrijvende jongeren, zoals ik, met frisse karakters en getalenteerde stemmen. We hadden het over schrijven, lezen, herschrijven en over wie je heen zou kotsen op het Boekenbal.
Hoe verfrissend om eens met iemand over schrijfstress of -vreugde te praten die niet net voor de derde keer gescheiden was - hoewel het voor je persoonlijke ontwikkeling absoluut een aanrader is om dat van tijd tot tijd wel te doen. Het was gezellig. Leerzaam. En met een aantal van de mensen uit dat finaleweekend heb ik nog steeds contact.
Inmiddels is mijn wereld een stuk groter dan op mijn 18e, maar toen ik afgelopen juni weer nieuwe mensen via (of na) Write Now ontmoette was dat weer even inspirerend. Heerlijk.
Natuurlijk is er nog iets anders. Iets zakelijks. Weinig kunstenaars, van welke discipline dan ook, kunnen tegenwoordig nog zonder groot sociaal netwerk. En het is niet verkeerd om veel mensen te kennen, al dan niet online contact te houden met de soortgenoten (ja, ja) die je ontmoet.
Voor je weet vervang je iemand tijdens een voordracht in een prachtig klooster te Limburg, wordt je gevraagd een verhaal te schrijven voor een online cultureel magazine. Straks sta je ineens samen met een oud-Write Nower bij de uitreiking van de Viva400, kom je een andere ex-finalist tegen bij een boekpresentatie. Misschien krijg je er wel een vriend(in) bij. Het wereldje is klein en dat is niet erg. Doe er je voordeel mee. Maar vooral: geniet ervan, het is gezellig.
4 januari 2012
Aint seen nothing yet
Vlak voor de prijsuitreiking werden alle finalisten van Write Now! geïnterviewd over hun hoop en verwachtingen. Die interviews werden gefilmd, evenals de uitreiking zelf, en daar werd later dan weer een compilatiefilmpje van gemaakt. Laatst keek ik dat filmpje terug. Halverwege de derde minuut kom ik, nog onwetend over de uitslag, aan het woord.
‘Wat hoop je dat er gebeurt als je wint?’ is de vraag. Ondanks mijn verschrikkelijke zenuwen weet ik er een redelijk lopende zin uit te persen over dat ik hoop dat ik, ‘als ik win, overmorgen gebeld word door zes uitgeverijen’.
Ik zie mijzelf terug, met mijn haarband die stom zit en mijn rode lippenstift en pofmouwenshirtje, en denk: je hebt echt nog geen idee wat je te wachten staat. Je weet nog niet hoe het is om te winnen, echt te winnen, de eerste te zijn die zowel de jury- als de publieksprijs mee naar huis neemt; hoe het is om je verhaal met een prachtige spread afgedrukt te hebben in Dagblad de Pers; een korte periode een hashtag op Twitter te zijn (inclusief conspiracy-tweets over dat je alleen zou hebben gewonnen omdat je lid bent van de JS). Je hebt je eigen naam nog niet op Teletext gezien, bent nog niet door Giel Beelen gebeld over je overwinning. Je bent nog niet genomineerd voor de Viva400, schrijft nog niet voor Spunk. Je hebt nog niet tussen grote namen gestaan op Geen Daden Maar Woorden en Wintertuin.
Daar op dat filmpje zie ik een meisje dat wel mijmert, werkt en hoopt, maar nog niet wéét. You ain’t seen nothing yet, zou ik mezelf toe willen zingen - ware het niet dat ik dat echt beter niet kan doen, zingen. De mijmeringen die het meisje op het filmpje heeft over een debuut, een boek, een carrière in de letteren zijn hardnekkig en serieus (want ik schrijf al veel langer, ben columniste voor Youth-R-Well.com en studeer aan de Schrijversvakschool in Amsterdam) maar nog niet concreet, nog te ver weg. Toekomstmuziek.
Na het winnen kwam alles in een stroomversnelling. Wat eerst mijmeringen waren, zijn nu plannen. Dromen worden realiteit. Op dat filmpje weet ik dat nog niet: ain’t seen nothing yet. Zes uitgeverijen, zei ik voor de grap. Onwetend.
Mocht je je afvragen of het loont, meedoen aan Write Now, dan kan ik maar één ding zeggen: het waren geen zes uitgeverijen die belden. Ik werd gemaild. En geFacebooked (is dat een woord?) En het waren er geen zes. Het waren er zeven.
Bekijk hier het filmpje waarover Marijn schrijft.
