Nel van Vooren: Gent

Nel van Vooren - 2e prijs Write Now! Gent 2011

Nel Van Vooren is 24 en ontvluchtte al op jonge leeftijd de dorre toendra van thuishaven Adegem door zich te wentelen in het cliché van het dromerige, creatieve kind. Woorden zijn haar drijfveer, schrijven redt haar van de dagelijkse sleur. Al is die sleur vaak inspirerend. Ze had gehoopt dat haar studie talen in Gent een academisch verantwoorde verklaring zou bieden voor de magie van zomaar wat woorden in zomaar een zin. Niets was minder waar. Daarom zoekt ze het zelf uit, via haar blog en alter ego ‘een uffra met een pitslichteke’, door een eigen magazine in elkaar te steken en te allen tijde hongerig te blijven naar woorden, situaties, mensen, grote en kleine verhalen.


29 maart 2012
Apocalypse Now!

Aan alles komt een eind. En soms gaat dat in mineur. Als in: een dood punt, het zwarte gat, ruis aan de andere kant van de lijn. Maar het kan ook positiever. Na hard labeur is daar die finish, het ‘héhé’-gevoel, met felicitaties en veel poeha. In beide gevallen was er ooit een begin, want zo gaat dat met causaliteiten. En dan blijf je verweesd achter, jezelf afvragend hoe het eigenlijk ooit zover is kunnen komen. Hoe dikwijls heb ik vroeger niet reikhalzend uitgekeken naar het einde van een examenperiode. Hoe wild waren mijn toekomstplannen, die ik boven van zweet doordrongen cursussen smeedde. En hoe dik viel dat verhoopte euforische gevoel dan weer tegen, eens het eindpunt bereikt.
Zo gaat dat ook met deadlines, en dan vooral in de auteurscontext. Op hoogtepunten van intensief gesleur aan zinsconstructies denk je: ‘Kijk mij eens schrijven! Wo-ho-how!’. Als de tijd plots om blijkt en het klaar en/of ingezonden hoort te zijn, als spanning en adrenaline je lijf en leden verlaten hebben, dan begint het eigenlijk pas echt. Na een druk op de verzendknop, genezen van een zelfvoldane roes, herlees je het product en herken je ineens niets meer van de vermeende topkwaliteit in de lap tekst die voor je ligt of flikkert. Weg is de sfeer die je er dacht te hebben ingestopt, weg de magie van een ingenieus bedoelde woordconstructie. Om plaats te maken voor een sluimerende twijfel aan jezelf en eigen kunnen. De neiging opnieuw te beginnen, aan de beste tekst ooit geschreven. De wedstrijdreglementen te omzeilen en de organisatoren om de tuin te leiden met de smoes per vergissing een knullige tekst uit je tienertijd te hebben ingestuurd. Maar dat, beste lezer, zijn vijgen na Pasen. Het kwaad is geschied en wat er nu gebeuren zal, ligt in de handen van het lot, de gemoedsgesteldheid van de jury en in de schrijfvaardigheid van je mededingers naar eeuwige roem. Wat je wel kunt doen, is alvast oefenen voor volgend jaar. Voor andere wedstrijden. Of – heel stiekem – voor dat zelfgeschreven boek. Aan al wie dit leest wens ik (kas)succes en lauwerkransen toe. De tomeloze moed vooral te blijven schrijven. Por jezelf daarbij met de gedachte dat er heus wel iemand moet bestaan die zal houden van je werk. Iemand anders dan jij, dat spreekt.
Bedankt, vaarwel, tot nader order.

 

20 maart 2012
La mort de l’Auteur

Afgelopen weekend toefde ik in Parijs, alwaar ik als een moderne Baudelaire op hakjes door de straten flaneerde. Rue in, Boulevard uit, zomaar wat ronddwalend, mezelf overleverend aan de impulsen van de massa en mijn bedenkingen daaromtrent. Op zoek naar niets bijzonders, met mezelf als vertrekpunt en filter. Het was een subtiel onderzoek naar het schrijven, onder het mom van een plezierreisje. Met notitieschrift ter hand en verkleed als Parisienne – donker uniform (makkie), glanzend haar (spray) en lèvres rouges die hun meest rollende ‘vers la-bàs’ lipten tegen toeristen die in de val trapten en me de weg naar de triomferende Arc vroegen – onderwierp ik mezelf aan een verplicht nummertje schrijven. Ik keek en ik krabbelde. Liet mijn pen de vrije loop. Die mijmerde pagina’s lang over de magie van het Franse land. Over ouder worden. Over de verwondering, kapotte voeten en het zijn. Over dood zijn, slapen, leven. Ik dacht daarbij herhaaldelijk aan het boek dat ik laatst las, en aan het boek in de zak om mijn schouder. Eerstgenoemde was ‘Schootgebed’ van de Duitse Charlotte Roche: een erbarmelijk vertaald epistel met zwakke verhaallijn, dat me desondanks had geraakt, daar ik mezelf op talrijke vlakken met het hoofdpersonage kon vereenzelvigen. Het tweede was ‘Henry en June’ van de Franse Anaïs Nin: haar meanderende dagboek over ondefinieerbare liefde. Terwijl Elizabeth (die van Roche) uitmuntte in schunnige hersenspinsels die ik wel eens pleeg te denken (of doen), hield Anaïs Nin het naar huidige normen voorzichtig. En bleef ze, afgezien van de erotische toets, braver dan de veeleer eigengereide, scheenschoppende Roche. Of moet ik zeggen: Elizabeth? Ach, lak aan auteur, focalisator of verteller! Als een schrijver schrijft, is hij toch diegene met de pen in de hand? Is hij het dan niet die fulmineert, schoffeert, redeneert? Is hij dan geen schepper van eigen taal? Plots daagde me, ergens tussen Champs – Elysées en Eiffeltoren: schrijven is een machtig zoeken. Naar zichzelf en naar waarheden. Naar een artistieke dekmantel om roekeloos en onverbloemd te zijn, Ezels- of andere processen ten spijt. Naar de balans tussen het diepste ik en zijn ideale alter ego. De roes van het schrijverschap herbergt dientengevolge vele gevaren. Om zich, zoals Charlotte Roche, te vergalopperen in publiekslokkende vunzigheden. Om zich, zoals Anaïs Nin, te wentelen in lijzige romantiek, als de eerste de beste femme fatale. Van beiden steel ik niettemin enkele wijsheden, schaaf ik zo aan een steeds beter wordende definitie van mezelf. Personages of niet: een schrijver geeft zich bloot, terwijl de lezer zich aankleedt. Wat de lezer denkt, zal een goed schrijver worst wezen. En omgekeerd. ‘Merde. Ik heb dus nog een lange weg te gaan’, schreef ik bedachtzaam, daar in die eindeloze Rue de Rivoli.


1 maart 2012
Eerste Hulp Bij dOodgevallen

Onze openbare omroep zond eergisteren een reportage van de bovenburen uit. Bij gebrek aan beter misschien, uit pure luiheid of omdat die in een package deal verwerkt zat. Hoe het ook zij, het onderwerp zette aan tot nadenken. ‘Reanimeren: ja of nee?’, luidde de netelige kwestie. De programmamakers lieten vooral oudjes aan het woord, rimpelteefjes en osteoporosekwekers, die zich uitlieten over de pro’s en contra’s van hartmassagetechnieken en mond op mond. Want, zo bleek, het risico om de laatste levensjaren door te brengen als kasplantje is bij bingoliefhebbers na heropstanding uit de dood redelijk groot. Zo had een vrouw, wier echtgenoot fulltime hartpatiënt is, een bijna levenslange cursus reanimatie gevolgd, voor het geval dat. Toen manlief daadwerkelijk de geest liet, is zij dus helemaal los gegaan in het vermassacreren van ribbenkast en omstreken. Geen rekening houdend met mogelijke gevolgen. Die waren, zoals dat gaat in de meeste human intrest – reportages, bedroevend. Man wordt levend lijk, vrouw blijft achter met een langgerekt rouwproces en een hoop schuldgevoelens. Het voordeel van die uitgestelde reis naar de Elyzeese velden is in hun geval dus ver te zoeken. Iedereen moet ooit dood, maar zelfs op hoge leeftijd wil men blijkbaar geen afscheid nemen. Liever leven met een halfdode, dan je eega onder de zoden.

Medisch gezien ben ik geen hartpatiënt. Toch rees gisteren de vraag wat ik zou doen, mocht ik zo’n ‘registratieformulier voor instemming’ invullen. Reanimeren: ja of nee? Een argument om het wel te doen zijn de kilo’s prut die nog in mijn hoofd rondtollen, voer voor een hele bibliotheek aan boeken. Anderzijds: wat is het ethische nut daarvan, behalve een louter egoïstische? Technisch gezien ben ik namelijk geen schrijver. En praktisch gezien wens ik er eigenlijk ook geen te worden. Maar ergens knaagt het voorgevoel dat ik op deze wereld ben gezet om iets magisch te produceren. Iets dat een grote massa het licht zal laten zien, of ze toch minstens een keertje goed kan laten lachen. Als u dus een begenadigd liefhebber van de literatuur bent, die de beginselen van de EHBO volledig onder de knie heeft, weet u dus wat te doen mocht u mij toevallig ergens stuiptrekkend en halfblauw aantreffen. Zoniet, dan laat u me maar gewoon mijn roman-, en dus roemloze, dood sterven. Onze minister van Cultuur zal er echt niet rouwig om zijn.
 

15 februari 2012
Literaire pedofilie

Authenticiteit is een raar beestje. Voor zij die ernaar zoeken, speelt het verstoppertje. Voor zij die het weten te bereiken, is het bijzonder moeilijk in de omgang. En zij die ermee weten om te gaan, zijn angstig het te verliezen. Van klein grut wordt vaak gezegd dat ze het hart op een belangrijk deel van het spreekkanaal dragen en in die mate oprecht zijn. Als kind naar de werkelijkheid kijken is dan ook een streven van menig kunstenaar, jong maar vooral oud. Met als bijkomend gevaar dat die pogingen veeleer als kinderachtig worden geïnterpreteerd, als een schoolvoorbeeld van het Peter Pan-syndroom. Er bestaat confronterend bewijsmateriaal van mezelf als televisiekijkende peuter. Mijn mond hangt zowat op mijn hysterisch gekleurde jurkje, aandacht en blik zijn enkel en alleen op de beeldbuis gericht. Het gefeest (de context is een familiefeest: zie jurk en camera) rondom mij ontgaat me volledig. Nog steeds schijn ik last te hebben van die diepgewortelde fascinatie voor andere dimensies. Stop me een boek, film of een hoop foto’s onder de neus en ik verlies mezelf erin. Mensen betrappen me wel vaker op ingespannen, empathische meezingbewegingen met kandidaten in een zangwedstrijd. Voorts ben ik compleet ontoerekeningsvatbaar van zodra ik verdiept zit in een novelle. En als er een wielrenner ongelukkigerwijze het ravijn intuimelt, moet ik mezelf tegenhouden niet in de televisie te gaan kijken waar hij is beland. Op zo’n momenten ben ik volledig van deze wereld, maar voor de volle honderd procent mezelf. Authentiek dus. Oprechtheid is overigens een belangrijk afweegsysteem voor het slagen van die hypnose. Levensechte gebeurtenissen en tastbare emoties resulteren in gelijkaardige gevoelens bij ondergetekende. Al had ik graag en soms veel liever aan de bron van die vervoering gelegen. Niets is echter moeilijker dan het herschrijven van waargebeurde feiten. In het streven naar authenticiteit valt het me al te vaak bijzonder zwaar niet te vervallen in goedkope dramatiek, zoetsappigheid of platvloerse pathetiek. In mij schuilt dus geen poëet, enkel een gemakzuchtig rijmelaar. En ook aan het vrijgeven van autobiografische weetjes heb ik een broertje dood. Die komen er toch nooit uit zoals ik ze werkelijk heb beleefd. Veel liever verstop ik mezelf achter verzonnen personages en bijeen gefantaseerde avonturen. Voorlopig laat ik het echte werk dus over aan ervaren rotten in de authenticiteit. En ondertussen oefen en voed ik naarstig dat oprechte kind in mij. In de hoop dat ooit, als een trotse ouder, kunstjes te laten opvoeren voor een naar waarachtigheid snakkend publiek.
 

6 december 2012
Translatio, imitatio, aemulatio

Toen Zeus en zijn goddelijke makkers de plak nog zwaaiden was het hip om elkander de loef af te steken in na-aperij en het oppoetsen van eerder gefabriceerde teksten. Tegenwoordig loert een zware geldstraf en eeuwige verdoemenis om de hoek bij het plegen van plagiaat. Maar met het verstrijken van de tijd neemt ook het aantal originelen in omvang toe, waardoor het steeds moeilijker wordt uniek te zijn en te blijven. Alles is minstens al een keertje gedaan, en dan heb ik het nog niet eens over zaken die het daglicht nooit hebben gezien. Manuscripten die de maker vergezellen in diens graf, zijn haardvuur aanwakkeren, of wegteren op een stoffige zolder. Zonde? Wellicht. Al bekijk ik dat feit eerder als een paar duizend redenen minder om groen uit te slaan tot in de haarwortels bij het lezen van zinnen waarvan ik wenste dat ik ze zelf had geschreven. Vondsten, zo goed, dat ik er tegelijk kregelig en vrolijk van word. En ik blijk niet de enige met die mening. In een gesprek met weekblad Humo antwoordde Herman Koch op de vraag wat voor hem het summum van artistiek genot is: ‘Als ik bij het lezen van een goeie zin van iemand anders ineens denk: “Goh, wat heeft zij of hij dat goed gedaan!” Vaak zijn dat dan bedenkingen die je zelf ook al had gemaakt, maar die je nooit op die manier had opgeschreven.
De reproductie van deze quote staat hier niet par hasard. Behalve de naam van het hoofdpersonage in mijn inzending voor deze schrijfcompetitie, deelt mijn tekst ook iets anders met de schrijver. Niet eens zo lang na het uitdoven van de Write Now! – strijdvlam in Gent, nam ik zijn ‘Zomerhuis met zwembad’ ter hand, om het, zoals ik wel vaker doe met schijnbaar overhypte lectuur, aan een kritische analyse te onderwerpen. Daarin omschrijft een niet nader genoemd personage een niet nader genoemde vrouw op een gegeven moment als ‘slecht passend bij haar naam’, iets wat ik elders al eerder las. En wel in mijn eigen verhaal. (Telkens weer realiseerde hij zich dat haar naam niet bij haar paste. Bij de naam Erika dacht hij in de eerste plaats aan een vastberaden en intelligente vrouw, het liefst nog met kortgewiekt steil haar en een schoonheidsvlek rechts van de neus. Hij zag in zijn eega eerder een Maaike, een Truus of misschien zelfs een Claudia.)

Eigen stoef stinkt, maar sindsdien beschouw ik Herman Koch als de betere imitator. Al is een speling van het toeval groter dan de kans dat Neerlands trots mijn origineel ooit onder ogen kreeg.


19 januari 2012
Schoonschrift, een bereidingswijze

Over smaak valt niet te twisten. Maar welke voorwaarden bepalen dan hoe goed of hoe slecht iemands product is? In de wetenschap gaat zoiets doorgaans vlotter dan in het geploeter der creativiteit. In menig jury van boekenprijzen of kunstconcoursen wordt er wat afgediscussieerd, op tafel geklopt, gevloekt. Toch, wie met zijn werk uiteindelijk bepaalde lijstjes of prijzen haalt, wordt verondersteld ‘goed’ te zijn. Werelderfgoed, referentiemateriaal, maatschappelijk relevant. Waarmee ik dus maar wil zeggen: winst in een schrijfwedstrijd is geen waarborg voor een voetnoot in de annalen van de Literatuur. Enkel een schuchtere stap in de richting van een lange weg daarheen. Ontdoe je dus maar bij voorbaat van het Juk der Grote Kunsten. Laat de publieke opinie of verwachtingen achterwege. Wees oprecht, door het plan een verbeterde versie van Dostojevski te worden, te laten varen. Zo was er maar een. Blijf in plaats daarvan trouw aan jezelf en eigen buikgevoel. Wees daarbij echter streng, schrijf- en rechtvaardig. Fouten zijn uit den boze, maar geef de dichter voldoende ademruimte. Een lichte cadans is mooi meegenomen: hardop lezen is een handige truc. Wissel lange zinnen af met kortere. Of hele. Korte. Maar zorg ervoor dat de puzzel past. Ga de straat op, het café in, posteer jezelf desnoods een hele dag op een openbare plek. Geef ogen en oren de kost, let op futiliteiten (een duif die de darmpjes ledigt, een kibbelend (bijna ex-) koppel), op menselijke maniertjes, mankementen, karaktertrekken. Gebruik je hoofd als opslagplaats, of noteer alles in een schrift met commerciële ruit. Laat je raken, laat bezinken. Verplicht jezelf te schrijven, over eender wat. Zaken van de kijksessies die zijn blijven hangen, nemen vroeg of laat de bovenhand in wat er op het papier zal verschijnen. Lees. Het werk van anderen, de krant, poëzie, sullige moppen op de scheurkalender, de gebruiksaanwijzing van een fles wc-ontstopper. Maak van je brein een broeihaard van onuitputtelijke inspiratie. Herlees. Gun jezelf de gelegenheid te falen, te schrappen, opnieuw te beginnen. Werk af met een vleugje zelfkritiek, en geef de boel vooral tijdig uit handen. Want hoe de kenners van dienst je receptuur, cuisson en kruiding zullen beoordelen is altijd een verrassing. En dan vooral als die depressieve schrijver uit Gent, waarvan je stilletjes had gehoopt er geen affiniteit mee te hebben, er met de veel te lange haren wordt bijgesleept. Maar over smaak valt uiteraard niet te twisten.


4 januari 2012

Kerstmis is zo slecht nog niet

Nee, kerstkaarten schreef ze niet, en de nieuwjaarsbrief is zo passé. Een sms’je vond ze goed genoeg, en bovendien: ‘Ah, ’t is voor niets!’. Maakten haar handelingen daar aan de andere kant van de wagon me kriegelig (ze frunnikte tegelijk aan de hengels van haar tas en aan de velletjes van haar bovenlip), dan deed haar minachting me het hoofd afwenden naar het voorbij zoevende landschap. Een beetje boos, de walging nabij. Ik wist nochtans dat het slecht gesteld was met De Kaart. De dagelijkse oogst van de brievenbus bevat meer reclamefolders dan gebroken witte envelopjes met nog echt kartelende postzegels erop. Maar ik snap niet dat niemand het snapt. Dat De Kaart langzaam maar zeker wegkwijnt, zoals de steekkaart in zijn fichebak, de typemachine onder haar zeiltje, het verrimpelde oudje in het tehuis om de hoek. En dat dit niet zou mogen, want dat de impact van een rechthoekig kartonnetje van onschatbare, ondergewaardeerde waarde is. Zoals de mensheid met kerst veel te bewust op de toppen van haar tenen gaat lopen en erop let niet te hard te smakken aan tafel, om (tevergeefs) ruzie te vermijden, zo zou ze zich met kerst, nieuw, op reis of verjaardagen moeten wagen aan de truc met de kaart. Goochelde ene meneer J. uit Nazareth trouwens niet met termen als Het Woord en de Blijde Boodschap? Als hij het niet zo druk had gehad met zijn voorhistorische Make-A-Wish–foundation en het niet zo’n gedoe was geweest om per ezel perkamenten boekrollen aan huis te leveren, ben ik ervan overtuigd dat er in de goedheilige man een fervent kaartschrijver verborgen zat. Ook ik krijg ze zo graag, schrijf ze nog liever, maak ze als het even kan zelf met dezelfde beperkte middelen (schaar, potlood, lijm, papier) en hetzelfde naïeve enthousiasme als toen ik nog klein en woordarm was.
Tijden als deze vragen om hersenspinsels, al dan niet gemeende wensen, desnoods een handvol loze beloftes. Dus wat weerhoudt iemand ervan de schrijfhand te masseren, standaard voorgedrukte wensen compleet te negeren en zijn eigen kleine wenslijstje neer te pennen? Schrijven maakt blij. Schrijven is zijn, leven. Een kaart kan het begin zijn van een romance, het einde ervan, de heropleving van een oude vriendschap, een versterking van de banden.
Zie het als een goed voornemen. Als een oefening in het schrijven. En zolang de maand januari niet om is, kan het nog best. U weet niet hoe blij u de geadresseerde zult maken. Een sms’je is zo wisbaar, het vocale ‘gelukkig nieuwjaar’ zo banaal, een kaart is voor altijd. Tenzij de haard ermee wordt aangestoken, natuurlijk. Maar laten we daar vooral niet van uitgaan. Ik wens u allen een schrijverig nieuw jaar!