Robert Keder: Eindhoven

Robert Keder – winnaar Write Now! Eindhoven 2011
Robert Keder is een jongeman met een oude ziel. De 22-jaar jonge schrijver houdt ervan om in verhalen af te reizen naar plekken die misschien wel, misschien niet in de echte wereld te vinden zijn en hoopt van harte dat de lezer met hem mee wil reizen. Met een oude stoomlocomotief of per zeppelin, alles is prima. Zolang men maar van de reis geniet en zich niet te erg spitst op het aankomen.

28 maart 2012
Aan het eind van de dag
Terwijl ik begin aan het tikken van alweer mijn laatste column voor Write Now, besef ik dat ik, met uitzondering van een paar vrienden die ik persoonlijk heb ontmoet tijdens het finaleweekend, eigenlijk weinig aandacht heb besteed aan de kunstwerkjes die mijn medecolumnisten de afgelopen maanden hebben opgeleverd.

Ik heb mijn fout dan ook direct rechtgezet, tabjes geopend van alle columnisten en van iedereen eens de meest recente columns gelezen. Het deed me weer beseffen dat lezen leuk is. Recentelijk neem ik er niet genoeg tijd meer voor, maar het blijft een leuk iets, en het is de natuurlijke tegenhanger van het schrijven. In mijn afgelopen columns deed ik er wat te moeilijk, te zoekend over, maar de helderheid komt zoals zo vaak tegen het einde:

De schrijver en de lezer. De muzikant en de luisteraar.
De tekenaar en de aanschouwer. De dichter en de opener.

In welke categorie je ook valt, je bent altijd allebei. Mijn hele tweeluik over absorptie en productie is eigenlijk samen te vatten in de gedachte dat beide kanten van de medaille in balans moeten zijn. Als je schrijver wil worden: lees je wel eens een boek? Zou je je eigen spul willen lezen, en wat zou je daarin dan willen lezen? Als ik bijvoorbeeld de columns van Tom Bouwmeester lees, zie ik dat hij een echte lezer en schrijver is. Hij leest boeken als een tierelier, heeft een boekenbonvormig gat in zijn hand en kan ook met recht schrijversnamen droppen. Yi Fong Au is dan weer een dichter. Hij kent de termen, draagt voor op podia en zoekt de context om zijn woorden tot woordmuziek te maken.

Toen ik met deze ogen naar mezelf keek, besefte ik dat ik in het begin van deze columnreis vaak toch de ‘tweede’ kant van elke discipline te weinig aandacht gaf. Ik schreef over schrijven als een schrijver, niet als een lezer. Gelukkig merk ik ook dat ik dat in de afgelopen maanden heb weten om te gooien. Ik weet niet in welke categorie ik het meeste thuishoor, want ik heb een te groot interesseveld en een te korte aandachtsspanne om er één te kunnen kiezen, maar ik vind wel een steeds betere balans in de velden waarin ik me begeef. Ik tekende de Ninja Turtles en keek vol giechelig plezier naar het eindresultaat. Ik schreef een gedichtje en dacht ‘dit is klote’. Ik maakte een liedje af, nam het op en dacht bij het terugluisteren: Wat vreselijk saai.

Een heerlijk gevoel, om jezelf de kans te geven om je eigen werk van de andere kant te bekijken. Als het lezen of luisteren van je eigen werk je verveelt, kun je ook nadenken over wáárom het je verveelt, en het beter maken. Als je enkel als producent denkt zie je het totaalplaatje niet. Ik kan deze laatste column nu dus ook op geen mogelijke manier met nuttig advies eindigen, want net als alle andere columnisten op deze website ben ik een jong persoon met bepaalde creatieve neigingen, die ik op mijn eigen manier uit. Soms is het leuk om mee te krijgen, soms is het vreselijk vervelend. Soms sluit iets wat ik zeg aan op jouw persoonlijke ervaring, soms kom je er alleen doorheen als je net in de goede stemming bent.

Dus rij een stukje mee op deze trein, of bouw je eigen. Misschien komen we elkaar nog wel tegen, misschien botsen we een keer door een foute wissel. Hoe dan ook: het is altijd een interessante rit.

Tot ziens!
P.S. Kijk ook eens naar mijn tekeningetjes, voor de goeie gein: http://lobsterblues.tumblr.com/


15 maart 2012
TWEELUIK DEEL 2: Productie

Mooi, we hebben nu een hoofd vol inspiratie en nieuwe inzichten. En ze blijven maar komen! Kijk daar, wat een leuk ding. En daar, wat een mooi schilderij! Ik voel iets van binnen… een soort… drang? Wat voel ik? HELP ME, AMATEURSCHRIJVER EN –COLUMNIST ROBERT KEDER!

Als we een beetje op elkaar lijken ervaar je op dit moment de drang om iets te creëren. Om een ding te produceren. Een soort fysieke baby, geboren uit de inspiratievonk in je hoofd en een bepaalde discipline die je kunt beoefenen. Toen ik eerder deze week een proefversie van deze column typte zag ik een klein beestje hulpeloos spartelen op de vensterbank. Ik wilde het dappere diertje gebruiken als voorbeeld om het productiegedeelte van mijn tweeluik in te leiden, maar het slokte te veel tijd op. Wat van belang is, is dingen doen. Als je ook maar een klein beetje de drang voelt om dingen te creëren, ga dat dan doen. Het is natuurlijk niet altijd even makkelijk om te beginnen, vooral als je de drang hebt om jezelf in de moeilijkere disciplines te verdiepen (beeldhouwwerken door staal aan elkaar te lassen), maar als aspirerend schrijver heb je eigenlijk niets dat je tegen kan houden. Je leest deze column waarschijnlijk op een computer. Daar zit Word op, dus open het en begin te werken!

Dit is het tweede belangrijke element van creativiteit: Productie. Het is van belang dat áls je de drang voelt, je ermee aan de slag gaat. Je leert alleen dingen maken door dingen te maken. Je leert goede boeken schrijven door boeken te schrijven. Meters maken, fouten maken en vervolgens weer leren van je fouten. Daarom is er altijd een bepaalde wisselwerking tussen absorptie en creatie, en is het belangrijk om beide aspecten zoveel mogelijk aandacht te geven.

Natuurlijk heb je ook een lijstje met tegenargumenten klaarliggen, want die wijsneus met z’n kollum weet natuurlijk niet dat ik het zo druk heb met dit en dat. En het is ook helemaal niet voor mij weggelegd, want die-en-die zijn er zoveel beter in! Maar de meeste argumenten zijn uitvluchten. Natuurlijk heb je het druk. Iedereen heeft het druk. Maar je kunt vast wel een paar keer per week een half uurtje inboeken om bezig te zijn met wat je wil doen. En natuurlijk ben je in het begin nog niet zo goed. Je ziet de dingen wel in je hoofd, maar je hebt nog niet genoeg kilometers gemaakt om er goed in te zijn. Volgens kenners kost het 10.000 uur om in een bepaalde discipline een genie te worden. Het is net als met autorijden: Tijdens de lessen worden de relevante connecties gelegd, en daarna moet je veel, veel autorijden om er écht goed in te worden.

Dus, even specifiek op schrijven gericht: Luister goed naar de drang die je voelt, absorbeer de relevante connecties, en ga er dan mee aan de slag. Leer van je eigen fouten, leer van feedback van anderen, maar in hemelsnaam: SCHUIF HET NIET VOORUIT, PRAAT ER NIET VOORTDUREND OVER ZONDER ACTIE TE ONDERNEMEN, MAAR KOOP EEN NOTEBLOC EN DOE HET.

Hup nu. Aan de slag!

P.S.: Zorg ook dat je een plekje aanmaakt waar je alles overzichtelijk kunt bewaren, liefst in chronologische volgorde. Scheelt je honderd jaar ellende.


1 maart 2012
TWEELUIK DEEL 1: Absorptie
Laatst was ik de film Liar Liar aan het kijken, met Jim Carrey. Nee nee, ik was de film niet sámen met hem aan het kijken! Hij speelde in de film. Ik begrijp hoe je dat door de zinsconstructie zou kunnen denken, maar ik ken hem niet persoonlijk. Stuur me a.u.b. geen mailtjes meer met verzoekjes naar zijn telefoonnummer, ik heb hem nog nooit persoonlijk gesproken. Wat het kijken van de film me wél deed beseffen, was hoeveel ik eigenlijk van hem heb overgenomen in mijn jeugd. Bij het zien van al die gekke bekken dacht ik terug aan Ace Ventura: Pet Detective, een andere Jim Carrey-film waar ook een sequel en een spin-off tekenfilmserie op gebaseerd was. Als jong beïnvloedbaar menneke was de vet gave vetkuif van Ace en waren de anatomisch incorrect buigende ledematen van de mensen uit de tekenfilm een grote invloed op zowel mijn ideaal van ‘cool’ als op mijn perceptie van wat je ‘mocht’ doen met tekenen. Samen met Suske en Wiske, Dragonball Z en nagetekende Nintendo-helden stonden deze inzichten grotendeels aan de wieg van mijn anatomisch incorrecte, gesimplificeerde maar toch gedetailleerde tekenstijl en mijn hang naar het absurde/fantastische.

Toen ik me later serieus ging bezighouden met schrijven en het luisteren naar en maken van muziek begon nog een heel ander absorptieproces. Ik ontdekte bij toeval enkele artiesten die ik interessant vond, en kocht steeds verspreid over langere periodes hun hele discografie. Ik vond het fascinerend om te leren hoe een band als the White Stripes met hun simpele opstelling (drums, gitaar & zang) toch zoveel verschillende soorten muziek kon maken. Hoe Rufus Wainwright’s eerste album uitbundig en kleurrijk was, hoe hij diezelfde uitbundigheid op het volgende album een heel stuk subtieler en ingetogener wist te verpakken en vervolgens in een emotioneel tweeluik zijn hele ziel op plaat wist vast te leggen. (Want One en Want Two, voor de liefhebbers).
Niet alleen was het door de muzikale ontwikkeling tussen albums door interessant (deze ontwikkeling is ook de enige reden waarom Idols en de vele klonen van het format nog gevolgd zouden kunnen worden) maar ik gebruikte het ook om voor mezelf een beeld te krijgen van wat er in muziek allemaal ‘mocht’. In deel twee van dit tweeluik ga ik hier nog iets dieper op in.

Op het gebied van schrijven gebeurde dit ook, alleen in mindere mate. Het hielp wel toen ik plotseling €75,- aan boekenbonnen won in een voorronde van Write Now. Hierdoor was het veel makkelijker om te besluiten ‘toch maar ‘The Complete Works of Edgar Allan Poe’ te bestellen’ en de verhalen en de bizarre sfeer en stijl van de schrijver in me op te nemen.

“Mooi”, denk je nu. “Na al die absorptie zien we eruit als een opgezwollen spons. Maar wat kúnnen we daar dan mee?” Ik zal hier zo diep als ik kan op ingaan in deel 2: Productie. Tot dan!


20 februari 2012
De Slechte Column
Als hetgene dat je doet door anderen wordt opgemerkt, en er komt een bepaalde vorm van ‘druk’ of verwachting bij kijken, komt er voor elke schrijver of columnist of wat dan ook een duister object aan de horizon kijken: De Slechte.
Of je nou een wekelijkse strip tekent, een column schrijft of boeken of films maakt, met elke nieuwe uitvoering die jij de wereld inbrengt heb je kans dat hij kwalitatief ‘minder’ is (al is dat in veel gevallen subjectief) of minder goed wordt ontvangen dan enige andere daarvoor. Elke keer dat je een nieuw ding maakt, en dit ding is een goed ding, dan weet je dat de volgende ding het ‘slecht ding’ kan zijn.
Als je geregeld hetzelfde ding doet, en er dus ook handigheid in begint te krijgen, is het ieders aanname dat elke opeenvolgende incarnatie van jouw product weer een verbetering is op het vorige. In elke verschillende business is dit een kwestie, maar in de creatieve wereld hangt het ook nog eens samen met subjectiviteit. Als je knoflookpersen produceert leer je van elke uitvoering welke verbeteringen er nodig zijn om de volgende nog iets gebruiksvriendelijker te maken, zodat het product weer een stukje beter is dan het vorige.
Als schrijver kun je niet elke keer opnieuw dezelfde knoflookpers uitbrengen. Wel kun je iedere keer dezelfde basisprincipes toepassen (het bepaalde niveau van gebruiksgemak, de grootte van het vak waar de knoflookpartjes inkomen, in schrijvers- of artiestentermen heet dat stijl), maar het moet wel elke keer een ander verhaal of een ander deuntje zijn.

Zo heb ik afgelopen week een column geschreven en ingestuurd, maar toen ik hem later teruglas dacht ik ‘NEE! NEE!’… het was namelijk mijn ‘slechte’.
Natuurlijk kun je niet altijd een ‘goede’ doen, daarvoor begint elke columnist te laat met schrijven, maar het voordeel van columnist zijn die over schrijven schrijft, is dat het schrijven over het schrijven van een column ook valt onder schrijven over schrijven. En dat je in geval van nood altijd kunt schrijven over het schrijven over schrijven, daarop weer de laatste feedback en verbeterpuntjes van je voorlaatste knoflookpers op toepassend.

Maar om er even bruikbaar advies uit te halen: Je moet als ontluikend schrijver, columnist, dichter of wat dan ook niet bang zijn om een slechte te doen. Het kan gebeuren. Het gáát gebeuren, je bent een mens en een mens kan nóóit duizenden keren op rij iets maken dat alle mensen mooi en fijn en nuttig vinden. Anders hadden we allemaal wel miljoenendeals.
Het beste wat je kunt doen, las ik ooit in een interview met een webcartoonist, is op geregelde basis iets maken, zij het een blog of een wekelijkse strip, waarin je jezelf dwingt om iets te produceren en in de wereld te brengen. Zo leer je omgaan met goed en slecht, en makkelijker doorgaan mocht je een keer ‘de slechte’ hebben. Als je nooit iets maakt dat minder goed is, dan is er toch ook niks aan?

Hou het spannend. Push jezelf om voortdurend te verbeteren, maar wees niet bang om ooit een keer een misstap te maken op je weg omhoog. Je bouwt immers je eigen ladder tijdens het klimmen, en men zal hem echt niet bij het minste of geringste van de muur trekken.


1 februari 2012
De Zeven Verdronken Bloemen
Je gaat het niet geloven, maar ik ben weer eens in mijn eigen val gelopen. Ik was halverwege een geweldig sarcastische column, waarin ik eens even ging voordoen hoe het proces fout kan lopen als je te veel hooi op je vork neemt als beginnend schrijver. Want daar wilde ik jullie even over vertellen. Het punt dat ik ging maken was dat je niet meteen in gigantische verhalenbundels moet denken als je nog niets op je naam hebt staan. Probeer eens gewoon wat leuks te schrijven. Een kort verhaaltje, misschien een langer verhaal. Schrijf eens een verloop van een verhaal op en werk dat helemaal uit. Een jongeman, in die setting. Maakt dit en dat mee, loopt goed of slecht met ‘m af. Kijk om je heen en laat je inspireren. Grote verhalenbundels bestaan uit samengevoegde verhalen, misschien zijn het verhalen die er al zijn. Misschien schrijf je ze speciaal voor de bundel, omdat je een sterke thematische verbintenis hebt gevonden.
Ik had als setting voor mijn column gekozen dat de jonge schrijver in kwestie vroeg naar bed was gegaan. Dat hij net Die Verwandlung van Kafka uit had, en hij ook zijn eigen depressieve epos wilde gaan schrijven. ‘De zeven verdronken bloemen’, ging het fictieve epos heten. (die titel bedacht ik vanmorgen onder de douche) En eerst ging hij nog even zijn e-mail checken, hij ging nog even wat drinken pakken, want: goed hydrateren. En daarna was hij nog even op facebook aan het chatten geslagen, etcetera, want dat doe ‘je’ als je eenmaal ergens aan moet beginnen. Maar daarna liet ik ‘hem’ alvast aan het verhaal beginnen. De titel opschrijven, en dan de eerste twee zinnen, en er vervolgens even trots naar kijken voor hij zijn andere e-mailadres even ging bekijken. Probleem waar ik toen dus tegen aanliep was de realisatie dat die fictieve beginnende jonge schrijver eigenlijk een heel goed concept voor een verhaal had bedacht, maar dat hij nu al meer had bereikt met dit verhaal dan ik met mijn twee grote ideeën: Hij had de Eerste Zin. En zelfs al een tweede. Dat betekent dat deze fictieve schrijver, iemand die gewoon uit mijn dikke duim is gezogen, nú al verder is in zijn boek dan ik met mijn verhaal. Natuurlijk heeft hij nog minder tijd gestoken in nadenken over zijn verhaal (dat heb ik immers voor hem gedaan), maar hij is al ergens. En dat kan ik niet hebben. Ik heb hem gewurgd in zijn slaap door hem met een kussen de luchtwegen af te knijpen, en besloten om het verhaaltje zelf maar eens af te gaan maken. Ooit. Als ik er aan kan beginnen. De eerste twee zinnen heb ik al!

Getekend, Ferdinand Raudeur


19 januari 2012
Uitstelpraat
Ik heb een haat-liefde verhouding met uitstellen. Als je gewoon meteen aan dingen begint, en je vastbijt in de dingen die moeizaam gaan, oplossingen bedenkt of gericht om hulp vraagt bij mensen die er toevallig net wat meer van weten kom je een stuk verder dan je zou komen als je denkt ‘ik schuif het nu weg en ik kijk er morgen wel naar’. Want dan kom je weer op hetzelfde lastige punt als je de volgende dag verdergaat. Overal is wel een oplossing voor. Vaak moet je gewoon even een overzicht maken van wat je tot dusver al hebt en waar je uiteindelijk heen wilt. Uitstellen gebeurt vaak op het moment dat je nog ver weg van je doel bent, dat je niet duidelijk hebt uitgestippeld waar je heen wil of dat je op een zijspoor bent geraakt.
Ik ben intussen onderhand de ongekroonde koning van het uitstellen. Ik heb zoveel fantastische albums vol met interessante muziek BIJNA geschreven, zoveel gave stripverhalen in mijn hoofd getekend en zoveel spannende avonturenromans geschreven dat de zijwanden van mijn hersenen onderhand een conceptenbibliotheek zijn geworden. En ondanks dat ik zelf in die bibliotheek kan rondwandelen en fijn mee kan swingen met 200 hypothetische liedjes heb ik nog een bijzonder klein credo in de fysieke wereld. Allemaal omdat ik toen het moeilijk werd om dingen echt te maken dacht ‘hee verrek, dit detail klopt nog niet. Misschien moet ik hier morgen mee verder gaan. Of over zeven jaar.’
Gelukkig ben ik daar intussen zo klaar mee dat ik gewoon een groep liedjes, verhalen en strip-concepten heb gepakt en op een afwerklijstje heb gezet. Ondanks dat ik nog steeds ongestructureerd te werk ga ben ik nu wel traag-maar-gestaag verder aan het werken aan mijn ideeën. Die dag pak ik weer eens een liedje waarvan ik alleen het refrein afheb en zeg ik tegen mezelf: Okee, Robert Keder. Loop even door de bieb in je hoofd en luister eens naar hoe het couplet van dit nummer daar klinkt. Gehoord? Mooi, nu gaan we die geluiden terugvinden op je gitaar. Na een middag werken neem ik het dan op op een dictafoon of geluidsrecorder en hebben we weer wat voortgang!
Zo ook met verhalen. Ik wil aan mijn grote roman beginnen, ik heb het dorpje al in mijn hoofd, ik heb een ruw idee waar het verhaal heen gaat, en laatst onder de douche viel me ineens de perfecte hoofdpersoon in, plus een drijfveer om in het dorpje te komen! Ik ben toen tot ieders ongemak meteen de douche uitgerend, en heb de details genoteerd.
Dus, als professioneel advies: Word niet als mij! Stel doelen voor jezelf, noteer ze overzichtelijk, en werk gestaag verder!


4 januari 2012
Werelden bouwen met Robert Keder
Een van de grote voordelen van het schrijven (voor mij) is de vrijheid die je hebt om naar iedere plek te gaan die je bedenken kunt. Je hoeft maar een pen en blaadje of een laptop te pakken en je kunt op reis, of de plek die je wilt bezoeken nu bestaat of niet. Toen ik vorig jaar meedeed aan Write Now! heb ik precies hetzelfde gedaan: ik schiep een exotisch Keizerlijk paleis, met een gulzige Keizer die een lesje geleerd kreeg van een oude koopman. Voor het finaleverhaal liet ik een ontevreden medewerker van een notitiebureau voor sprookjestransacties (dat gerund werd door een eend met een stropdas) ontslag nemen en de wijde wereld intrekken, langs middeleeuwse dorpjes en kastelen in de wolken. Het waren plaatsen die ik altijd zelf wel eens had willen bezoeken, waar ik ooit eens concepten van heb opgepikt in andere verhalen, films of videospellen, en nu probeerde ik die plaatsen op een bepaalde manier tot leven te laten komen, een manier die het mogelijk maakte om anderen met me mee op reis te nemen.
De afgelopen maanden heb ik in Boedapest gewoond, met de gedachte om in deze inspirerende omgeving eens een goed begin te maken aan een paar langere verhalen, wellicht van romanlengte. Ik had al twee fantastische locaties in gedachten, met allerlei kronkelende geheime gangen, beklemmende mijntunnels en een verstopte smokkelaarsschuilplaats in de rotsen, maar op de een of andere manier wilde het maar niet vlotten. Voor korte verhalen kan het genoeg zijn om gewoon aan te komen op je bijzondere locatie, er een beetje rond te lopen en op het eind van de dag weer met de oude stoomlocomotief terug naar het vasteland te reizen vanaf de Ierse klippen aan het einde van de wereld, maar voor een langer verhaal moet er toch meer aan de hand zijn: er moet een goed verhaal te vertellen zijn. Gedurende de maanden die volgden heb ik stukje bij beetje steeds meer details verzonnen, ingewikkeldere relaties tussen personages, achtergronden en acties die voortvloeiden uit de karakters van de personages en voorzichtig de richting van het verhaal uitgestippeld. Zo kun je, met een goed verhaal als fundament, je omgeving ook een personage in het verhaal maken. Op die manier heb je niet alleen een rijk verhaal dat interessant is om opnieuw te bezoeken, maar schep je ook een omgeving die tot de verbeelding spreekt en die plezierig is om van tijd tot tijd weer eens in te vertoeven. Nu weet ik niet wat de schrijfmotieven van anderen zijn, maar ik wil het liefst een stevig verhaal schrijven, zodat mensen die het boek over honderd jaar zouden lezen nog steeds even ouderwets mee kunnen naar een andere wereld.