Robin Smits: Amsterdam
Robin Smits – 2e prijs Write Now! Amsterdam 2011
Robin Smits (1987) maakte op haar zestiende voor het eerst een weblog aan, waar ze schreef over alles wat ze stom vond. Dat was een hoop. Naarmate ze ouder werd, werd ze milder en schreef daarom over alles wat ze leuk vond. Dat was, gelukkig, ook een hoop. Ze verhuisde van Brabant naar Amsterdam waar ze momenteel aan de Hogeschool van Amsterdam studeert. Ze koos voor het afstudeerprofiel Nieuws & Media (journalistiek). Schrijven was dus één van die dingen die ze leuk is blijven vinden. Daarom is ze nu ook begonnen aan een roman.
3 april 2012
Schrijven is wel leuk
Daar zitten we dan. Jullie hebben een verhaal of gedicht ingeleverd, en ik ben aan mijn laatste column begonnen. Jullie gaan, als het goed is, hierna meteen verder met een verhaal of gedicht waar je vorige week, of vorige maand zelfs, al een idee voor kreeg. Ik ga hierna een enorme afwas doen en maar weer eens kijken hoe de sportschool er ook alweer van binnen uitziet.
Ik zou weer kunnen gaan schrijven ja. Dat zou ik kunnen doen.
Want toen ik begon aan deze columns, dacht ik: ha, lekker! Dit is weer het begin van schrijven. Maar dit denk ik iedere maand wel een keer.
Vorig jaar deed ik de minor Creatief Schrijven en dat was geweldig. Iedere week deadlines voor korte verhalen. En die deadlines haalde ik dan. Colleges van schrijvers, goede feedback, persoonlijk advies… Als je de kans krijgt om zo’n minor te volgen (of cursus), doe het dan. Het is heel goed voor je schrijfritme. Zegt diegene die sindsdien nooit meer een kort verhaal heeft geschreven.
Laatst kwam ik een docent van de minor tegen. Ik wist dat ze bezig was met een boek dus ik stelde de vraag die je eigenlijk nooit mag stellen. Ze kreunde een beetje. “Ik heb maar tegen m’n agent gezegd dat hij me niet meer moet mailen om te vragen hoe het schrijven gaat.” Daarna begon ze op te sommen waar ze dan wel mee bezig was, waardoor het schrijven niet lukte.
Het had mijn verhaal kunnen zijn. We spraken daarom af om binnenkort koffie te gaan drinken zodat we elkaar een paar schoppen onder onze konten kunnen verkopen.
Mijn advies aan jullie en stiekem ook heel erg aan mezelf: zorg dat je blijft schrijven. Zodat je niet, zoals ik, steeds hoeft te schrijven hoe slecht het met het schrijven gaat. Want dat slaat nergens op. Het is een kwestie van blijven schrijven. Iedere dag vijftig woorden. Draag een notitieboekje bij je, maak aantekeningen. Doe mee aan wedstrijden. Laat je werk lezen aan iemand die zich niet verplicht voelt jou de hemel in te prijzen. Schrijf door.
Ik wens jullie veel geschrijf toe. Echt. Want het schijnt toch wel leuk te zijn.
15 maart 2012
Vriendschap
Mijn beste vriendin van vroeger. Ze woont nog altijd om de hoek bij mijn ouders en als ik bij haar ben moet ik altijd denken aan zomeravonden dat we op de stroomkast in de straat zaten en naar iedereen ‘Hoi’ riepen en dan van de stroomkast vielen van het lachen.
Ik mocht vaak met haar en haar ouders naar het strand van Vlissingen. En dat vond ik dan heel bijzonder omdat ik de Nederlandse zee niet vaak zag vanwege ouders met een eigen zaak, weinig tijd en zomervakanties naar Griekenland.
Als haar ouders besloten een dagje naar zee te gaan, werd ik meegevraagd. Mijn moeder belde dan of het toch echt wel goed was en dat het niet erg zou zijn als ze eens alleen met het gezin wilden gaan.
Mijn tas werd gepakt. Zonnebrand Factor 50 werd in huis gehaald en ik kreeg een klein portemonneetje mee met wat geld om te trakteren. Op de dag zelf werd ik ’s ochtends door mijn moeder alvast ingesmeerd. Daarover ging mijn badpak, een t-shirt, korte broek.
Het was heet en mijn beste vriendin en ik zaten op de achterbank te lezen of niets tegen elkaar te zeggen. De zonnebrand was dan in mijn kleren getrokken en het proviand was meestal al ver voor Vlissingen op.
Er zijn nu weken dat ik mijn beste vriendin van vroeger niet zie of spreek.
Even koffie met elkaar drinken is de nieuwe vriendschap. In een studentenkamer ‘een hapje eten’ en veel te veel betalen voor een slappe koffie in het hipste tentje in de stad. ’s Zomers in het park stokbrood scheuren en wijn drinken. Een avondje pingen om bij te kletsen.
Ik accepteer vriendschapsverzoeken van oude klasgenoten die de stoel onder me vandaan trokken (waargebeurd) en nodig een vriendin van vroeger uit, waarvan ik de reden niet eens meer kan herinneren waarom we geen vrienden meer zijn.
Het zijn nieuwe vrienden en als ze te veel zeuren ontvriend ik ze.
De uren op de achterbank met oude Tina’s tussen ons in en een plakkerig shirt van het zeezout en de zonnebrand zijn er niet meer. Ze hebben plaatsgemaakt voor nieuwe vriendschappen met meer volwassen gesprekken. Over studiestress, liefdesverdriet…
En dat is maar goed ook, natuurlijk.
Maar wat ben ik blij dat mijn beste vriendin en ik het soms niet kunnen laten om naar iedereen ‘Hoi’ te roepen, op de fiets, als we net heel volwassen ergens koffie hebben zitten drinken.
1 maart 2012
Liefdesverdriet
Ik heb net Woeste Hoogten uit. Het enige boek dat Emily Brontë schreef en ik kwam er niet doorheen. Ik was er vlak voor kerst in begonnen, maar raakte ergens tussen kerst en oud & nieuw verslaafd aan Game of Thrones, waardoor ik niets anders meer kon doen dan chipsetend op de bank liggen. En nee, ik kan niet én heel erg in een boek zitten én alle namen van alle personages uit Game of Thrones uit elkaar houden, oké?
Het was half januari dat ik weer opnieuw begon in Woeste Hoogten. Opnieuw, want ik was inmiddels vergeten wie Heathcliff was en dat is best een heel belangrijk personage.
Nou Robin, en? Zat je er meteen weer lekker in?
Nee jongens, nee. Het duurde me een maand voordat ik weer in het boek zat. Ik lees namelijk alleen vlak voor ik ga slapen en dat gaat meestal zo: ‘Ik ga vanavond lekker vroeg naar bed met een boek en een mok thee. Ja, dat ga ik doen. Heerlijk. Even vijf minuten lang mijn gezicht van heel dichtbij in de spiegel bekijken. Even douchen… Ah, dit bed, dit vervloekte bed, het ligt te lekker. Nog even lezen. Wie is Cathy? Even teruglezen. Oh ja, ik weet het weer.’ Content met het feit dat ik weer weet waar ik was, knip ik het nachtlampje uit en val in slaap.
Ik moest iedere avond teruglezen omdat bijna ieder vrouwelijk personage Catherine heet en ieder mannelijk personage Linton. Of Earnshaw. Of Heathcliff. Dus ik maakte een stamboom (met pijltjes in allerlei kleurtjes), stopte dat in het boek en kon voortaan beide families en diens dienstmeisjes onderscheiden. Zo blijkt dat ik nogal een dingetje heb met namen uit elkaar houden.
Ik werd verliefd. Ik werd verliefd op de verliefdheid. En nu is het boek uit en heb ik liefdesverdriet. Dagenlang luister ik naar Kate Bush… Heathcliff, it’s me, Cathy come home. I’m so cold, let me in-a-your window… Ik huil gesmoord in mijn kussen. Zie dingen die er niet zijn (‘Hee! Dat zonnebankcentrum heet Heathcliff!’). Sleep verdrietig mijn rokken over de heide…
Nog even volhouden. In april komt de zoveelste verfilming uit en wordt mijn Heathcliff even echt.
15 februari 2012
Ik ben er geen, hoor
Dat schrijver zijn, hè? Dat is iets wat heel veel mensen willen. Ik geloof, zo uit mijn blote hoofd, dat een miljoen Nederlanders de ambitie hebben een boek te schrijven. Een miljoen! Je zou ze de kost moeten geven.
Ik wil liever iets anders zijn. Ik begon zeer ambitieus met dierenarts, natuurlijk. En net zoals ieder ander meisje heb ik ook een periode gedacht dat ik wel ballerina kon worden. Met als verschil tussen die andere meisjes en mij dat ik deze gedachte pas op mijn vijftiende kreeg. Ik wachtte niet stilletjes tot hij voorbij zou gaan maar deed ook echt auditie. Op mijn vijftiende deed ik auditie bij een dansacademie waar de andere auditanten minstens tien jaar danservaring hadden. Het was een fiasco. Ik had een paar lesjes streetdance gehad, opgetreden op een braderie tijdens Koninginnedag en in godsnaam, waarom hield niemand me toen tegen?
-Hier volgt dan een lijst met dingen die ik allemaal heb willen zijn, maar waar ik niemand mee ga vervelen-
Ik kan heimelijk jaloers zijn op mijn broer en zus. Zij wisten toen ze vier jaar waren dat ze acteur en kapster wilden worden. En dat zijn ze nu ook.
Ik ben geen dierenarts, en verre van ballerina. Komend half jaar moet ik aan mijn scriptie werken (aah!) en dan heb ik journalistiek afgerond. Dan mag ik me, net zoals de rest van Nederland, journalist noemen.
Ik heb nooit schrijver willen zijn. Begrijp me niet verkeerd. Ik noem mezelf nu geen schrijver. Asjeblieft zeg. Ik vind dat je die ‘titel’ pas krijgt als je meerdere romans hebt geschreven. Eén roman lukt iedereen nog wel, kijk maar naar… -Hier volgt dan een naam van iemand waarbij ik denk: schoenmaker blijf bij je leest-
Maar op een of andere manier zit ik nu regelmatig achter mijn computer om iets te schrijven. En geloof me, iedere keer als ik het bestand ‘manuscript’ open, denk ik: really? Gaan we dit echt doen? Vind je jezelf echt een schrijver?
Nee, dat vind ik niet. Daarom begin ik in september ook gewoon aan een totaal andere opleiding: de pabo. Met ergens, heel stiekem, in mijn achterhoofd de gedachte: want voor de klas staan combineert zo lekker met het schrijverschap.
1 februari 2012
Ontgiften
‘De rommel moet eruit!’ Ik kijk naar de boekenplanken. ‘Het moet er uit. Ik wil het niet meer lezen.’ De planken dragen samen veertien meter aan boeken. Mijn vriend heeft het grootste aandeel. Met namen als J.D. Salinger, Gerard Reve en Raymond Carver. Mijn aandeel is klein, bestaat uit de Nederlandse Harry Potters, Roald Dahl… Een paar vakantieboeken die te lang in de AKO Top 10 stonden en rommel.
Toen we gingen samenwonen zijn we een avond bezig geweest met alfabetiseren. Onder het mom van ‘mi casa su casa’ werden zijn boeken mijn boeken en werden mijn verstopte chicklits, zijn verstopte chicklits.
Zo werkt het natuurlijk niet. Je kunt mengen wat je wilt, maar als je voor onze veertien meter staat, vallen de hysterisch gekleurde ruggen behoorlijk op tussen de goede en gelezen klassiekers.
Ik deed nooit aan goede voornemens, maar afgelopen oud en nieuw stond ik ergens op een bovenverdieping over Amsterdam uit te kijken en ik dacht: nu moet het anders. Ik zal niemand vervelen met al mijn voornemens. Maar één daarvan is dus: de rommel eruit en meer goede boeken lezen.
Met rommel bedoel ik: chicklits. Ik heb ooit de indruk gewekt dat ik hou van boeken waar de hoofdpersoon op een moderedactie werkt en zeurt over schoenen en lipgloss. Die verliefd wordt op een onbereikbare man die eerst een onstuimige relatie met een model heeft en dan plots toch voor het iets te dikke hoofdpersonage valt.
Hee, hallo, dat is niet the story of my life. Maar toch kreeg ik er iedere verjaardag weer een.
Het is dus ergens misgegaan. Misschien tijdens mijn middelbare schoolperiode waar docenten een oogje toeknepen als je weer een samenvatting had gebruikt in plaats van Ik ook van jou te lezen. Of waar de verfilming voldoende was in plaats van De ontdekking van de hemel door te worstelen. Of misschien toen ik me inschreef voor een modeopleiding. Dat er daarom ook gedacht werd dat ik steeds geïnteresseerd was in hetzelfde liefdesverhaal.
Dat moet anders nu. Geen rommel meer. Vanavond ontdoe ik de planken van al het roze. Let the healing begin.
19 januari 2012
Soms is iets te
Er was eens een jaar dat ik drie keer per week een stukje schreef. 'Waar ik dan mijn inspiratie vandaan haalde.' Dagelijkse dingen. Gewoon, dagelijkse dingen. Mooier kan ik het niet maken.
Ik denk dat als ik vijf dagen in een hutje op de hei verblijf, ik terugkom met verhalen over dagelijkse dingen. Ik raak niet geïnspireerd door muziek, een film, een bijzondere quote in mijn gelukskoekje of aan het labeltje van mijn theezakje. Ik wil niet zeggen dat de kleine dingen het hem doen. Maar je snapt mijn punt.
Ik kom uit Brabant en ooit schreef ik dat we daar in een streekbus rijden die bij iedere boerderij stopt en waar de kippen en geiten ook gewoon meerijden. Dit is natuurlijk niet zo. Kippen en geiten pakken nooit de bus. En in Brabant hebben ze ook het OV-chipkaartsysteem.
Ik maak het graag mooier dan dat het is. Belachelijker vaak ook.
Maar het dorp waar ik vandaan kom verschilt niet zo veel van andere dorpen. Het is een gewoon dorp met gewone mensen en die mensen hebben ieder hun verhaal. Het een iets gewoner dan het ander, het ander soms wat heftiger dan gewoon. En heel soms hoor ik een verhaal dat goed past in een woensdagavondfilm op Rtl4.
Ik hoorde ooit een verhaal van een vrouw in een kooi. Haar ouders hadden op een dag een kooi in de huiskamer gezet en daar mocht ze in. In de zomer mocht ze buiten staan. Dan werd de kooi naar een plekje met schaduw gesleept. En daar zat ze dan.
Ik vroeg waarom de vrouw in de kooi zat. In hemelsnaam. 'Omdat ze zwaar verstandelijk en lichamelijk gehandicapt was. Ze was een wilde. Ze maakte kinderen bang.' Degene die het vertelde haalde zijn schouders op en ging door met koeien melken of ballen frutten.
En dat was dat. Het was vijftig jaar geleden iets wat gewoon gebeurde. Een schandaal? Ja, natuurlijk. Dat was het toen ook al. Maar daar werd heel gewoon over gedaan.
Als ik dit gegeven nu gebruik in een kort verhaal, dan voelt het alsof mijn hoofdpersonage op één dag Rome bouwt en daarbij ook nog eens even de kunst van het macrameeën onder de knie heeft gekregen. Het is te.
Een verhaal kan te zijn. Soms hoor ik dingen die zo dramatisch zijn dat ik vrijwel meteen denk: dit is mooi voor een kort verhaal. Maar eenmaal thuis, achter mijn bureau, lukt het me niet deze dingen geloofwaardig te schrijven. Een verhaal van iemands vreselijke jeugd wordt zo een slechte thriller. Of een soap. En dat is zonde van al dat mooie materiaal.
4 januari 2012
Schrijven is niet leuk
Hallo schrijvers. Leuk dat jullie er zijn. Leuk dat jullie schrijven.
Maar wat is het kut, hè?
Schrijven is een hel. Ik ga nooit eens lekker uit mezelf een potje tikken. Daar gaat eerst een heel ritueel aan vooraf. Koffie drinken, boodschappen doen, sokken sorteren, een pot thee zetten, mijn favoriete blogs lezen. Dan start ik een programma op waardoor mijn computer geen toegang meer heeft tot internet en dan. Nou, dan wil ik nog wel eens beginnen. Maar echt met het mes op mijn keel, hoor. Want schrijven is een hel.
Een hel.
Ik ben per ongeluk gaan schrijven. Misschien dat het bij iedereen per ongeluk komt, en bij iedereen is er vast een droom dat het iets wordt, met dat schrijven. Bij mij is het iets aan het worden.
In september was ik aanwezig bij de Dag van het Schrijven in Delft. Ik werd geïnterviewd en dat was inderdaad zo pijnlijk als het klinkt. In de zaal zaten hooguit twintig mensen waarvan de helft zat te denken aan de workshop die ze na het interview zouden volgen.
De interviewer vroeg waar ik mijn inspiratie vandaan haalde (alledaagse dingen) en wanneer ik schreef (maakt me niet uit). Ik zei dat ik schrijven eigenlijk een hel vond. Als goede interviewer zou je hier op inhaken. Ja, toch? Je zou verbaasd zijn, je benen over elkaar slaan en mij aankijken alsof ik een sulletje ben. Dan zou je mijn laatste zin herhalen: je zegt dat je schrijven een hel vind? Hij deed dit niet, hield zich vast aan een vragenlijstje. Dus laat ik het daarom hier uitleggen.
Het is eenzaam. Er is altijd een statusupdate die je leuk moet vinden (en dit weet je omdat je een iPhone hebt waar je internet gewoon doorgaat). Het tikwerk is vervelend. Het lukt zelden om op papier te krijgen zoals het in je hoofd klinkt en het kan aan mij liggen, maar als ik aan het schrijven ben, beleef ik altijd een out of body experience. Ik kijk op mezelf neer en denk: Ja, echt? Waarom niet gewoon bloemist worden? Of juffrouw? Je vindt kinderen toch zo leuk? Maar een schrijver? Nee, dat ben je niet.
Per ongeluk iets goeds schrijven is leuk. Maar schreef Harry Mulisch per ongeluk?
Als het verhaal af is en het is gelukt, vind ik schrijven leuk. Maar dan ben ik al klaar. Dan heb ik die hel overleefd. Nu ligt er een halve roman te wachten om afgeschreven te worden en een reeks columns voor Write Now!. Ik kan wel janken.
